steun vpro

Boeken

Jabik Veenbaas & Stefan Hertmans

In het boek 'De Verlichting als kraamkamer' ontmaskert filosoof Jabik Veenbaas de hedendaagse denkbeelden over de Verlichting. En de Vlaamse auteur Stefan Hertmans schreef met 'Oorlog en terpentijn' een boek over zijn grootvader die meevocht in de Eerste Wereldoorlog. Veenbaas en Hertmans zijn zondagochtend te gast in VPRO Boeken.

De Verlichting wordt gezien als het tijdperk waarin de rede en het verstand centraal stonden. In het boek De Verlichting als kraamkamer laat dichter, vertaler en filosoof Jabik Veenbaas zien dat de drang om te redeneren door voorname verlichtingsdenkers juist werd bekritiseerd.

Sommige denkers en historici plaatsen het begin van de Verlichting al in 1650, maar het hoogtepunt van deze culturele stroming werd pas bereikt in de achttiende eeuw. En we plukken er nog steeds de vruchten van. Vele hedendaagse grondrechten, waaronder het gelijkheidsbeginsel en de mensenrechten, vonden hun oorsprong in de periode van de Verlichting. Ook ontwikkelingen als individualisering en vrouwenemancipatie kwamen in de achttiende eeuw voor het eerst op.

Veenbaas, vertaler van de belangrijkste werken van Immanuel Kant, typeert de Verlichting als het tijdperk waarin het wetenschappelijk empirisme doordringt. 'Er ontstaat een sceptische houding tegenover alles wat niet op een empirische of wetenschappelijke manier is ontdekt of beredeneerd.' Er wordt afgerekend met de oude religieuze naïviteit, de wonderen van de Bijbel worden niet langer als vanzelfsprekend beschouwd.

Toch moet het beeld van de 'Eeuw van de Rede' volgens Veenbaas worden bijgesteld. De menselijke rede werd niet kritiekloos op een voetstuk geplaatst, want de ratio werd uiteraard ook zelf bevraagd. Verschillende filosofen waarschuwden tegen de dwangmatige neiging om alles te willen verklaren. Descartes, Spinoza en Leibniz beschouwt Veenbaas als de meest uitgesproken rationalisten van de zeventiende eeuw waar de achttiende-eeuwse verlichtingsdenkers zich tegen afzetten. 'Men werd wantrouwig tegenover alles wat niet via de empirische weg tot stand kwam. Dat leidde tot scepsis.'

In 2014 is het een eeuw geleden dat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In de roman Oorlog en terpentijn schetst de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans een portret van zijn grootvader, die de verschrikkingen in de loopgraven aan den lijve ondervond.

In 1981, het jaar dat Stefan Hertmans met de roman Ruimte debuteerde, overleed zijn grootvader Urbain Martien (1891-1981). Een paar maanden voor zijn dood gaf hij zijn kleinzoon twee cahiers. Aan zijn sterfbed beloofde Hertmans er een boek van te maken, maar dertig jaar lang durfde hij de schriften niet in te zien. Uit angst voor de overweldiging en emotie die hem zouden kunnen overvallen. Om de belofte in te lossen is hij ze in 2010 gaan lezen en ontdekte hij de rijkdom van de notities.

Het boek is er nu, Oorlog en terpentijn. De roman, een familiekroniek, bestaat uit drie delen: in het eerste deel haalt Hermans zijn herinneringen op aan zijn grootvader en beschrijft hij zijn worsteling met de cahiers. In het tweede deel komt de grootvader aan het woord over zijn gruwelijke ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog. 'Mijn verschrikking', zoals hij de oorlog noemde. In het derde deel keert de roman terug bij de kleinzoon, die naar Gent afreist, de stad waar zijn grootvader woonde, om het verhaal van zijn jonggestorven grote liefde te achterhalen.

Oorlog en terpentijn
roept de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog op, zoals we die ook kennen uit Erich Maria Remarques Im Westen nichts Neues en Robert Graves' Good-Bye to All That: de misère, de stank, het zinloze sterven in de loopgraven. Zijn grootvader komt getraumatiseerd uit de oorlog. Troost vindt hij in de schilderkunst. Via zijn schilderijen komt Hertmans te weten wat er daadwerkelijk toedeed.