steun vpro

Boeken

Martin Schouten & Wiel Kusters

In 1886 vond er in Amsterdam een volksopstand plaats. Het oproer kostte 26 man het leven. Oud-journalist Martin Schouten schreef met 'Het Palingoproer' een roman over. En Wiel Kusters, dichter en emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, groeide op in de Zuid-Limburgse mijnstreek. Zijn vader, grootvader en ooms werkten er onder de grond. In het boek 'In en onder het dorp' beschrijft hij het verhaal van de Limburgse mijnwerkers en hun families. Wim Brands praat met beiden.

In 1886 vond er in Amsterdam een volksopstand plaats. Het oproer kostte 26 man het leven. Martin Schouten schreef met Het Palingoproer een roman over deze dramatische gebeurtenis, waarbij personen worden opgevoerd die destijds actief waren in het openbare leven.

Op 25 juli 1886 hadden inwoners van de Amsterdamse Lindengracht een wedstrijd palingtrekken georganiseerd, waarbij een levende paling van een touw boven de gracht moest worden getrokken. Het was de kunst om hierbij niet in het water te vallen. De autoriteiten verboden het spel, omdat het dierenmishandeling zou zijn, waarna de woede over die beslissing uitmondde in een volksopstand. De mensen pikten het niet. De politie trad hard op, er vielen 26 doden en honderden gewonden.

Het was een woelige tijd. De socialisten waren in opkomst, onder aanvoering van de sociaalanarchistische politicus Domela Nieuwenhuis. En er was een revolutionaire opleving in de kunsten. De Tachtigers, onder wie Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel en Frederik van Eeden, discussieerden over poëzie en politiek. In het theater oogstte actrice Theo Mann-Bouwmeester zowel bewondering als ontsteltenis, door seks op het toneel te brengen.

Al deze personages en gebeurtenissen brengt oud-journalist Martin Schouten in Het Palingoproer tot leven, zodat het boek veel meer is dan een reconstructie van de volksopstand in de Amsterdamse Jordaan.

Wiel Kusters, dichter en emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde, groeide op in de Zuid-Limburgse mijnstreek. Zijn vader, grootvader en ooms werkten er onder de grond. In het boek In en onder het dorp beschrijft hij het verhaal van de Limburgse mijnwerkers en hun families.

‘Zuid-Limburg was ondergronds één groot mijngebied’, schrijft Wiel Kusters aan het begin van zijn boek. In Kerkrade was er al eeuwenlang mijnbouw, de voorgeschiedenis van de Domaniale Mijn gaat terug tot de twaalfde eeuw. Tussen 1899 en 1928 kwamen er in de regio elf mijnzetels bij. ‘In 1958 telden deze mijnen in hun ondergrondse en bovengrondse bedrijven samen ruim 56.000 arbeiders: de grootste personeelsbezetting in hun geschiedenis.’

Kusters’ familiegeschiedenis gaat terug tot 1819, voorouders die beiden, man en vrouw, in de mijnbouw werkten. Zijn vader en grootvader werkten als houwer onder de grond. Ondergrondse arbeid in stof en stank. Het werk werd liggend uitgevoerd, in gangen die niet hoger waren dan tachtig centimeter, terwijl het bodemwater naar beneden kwam en het stof geen kant op kon. Werkdagen van zes uur. Na afloop was er een uur nodig om weer boven te geraken.

Boven de grond werd er nooit over de mijn gesproken. ‘Je had geen behoefte om erover te praten. Ik denk dat de mijnwerkvrouwen de verhalen niet zouden willen horen. Er viel niet mee te leven als je wist wat er kon gebeuren.’ In 1974 sloot in Zuid-Limburg de laatste mijn de schacht. De eens welvarende regio verarmde, de werkeloosheid was gigantisch. Kusters’ vader was intussen doodziek geworden, door stoflongen. De afbraak van zijn vader en die van de mijnen vielen zowat samen.

Tegelijkertijd met In en onder het dorp verscheen het boek Mijnwerkers in Limburg, onder redactie van Ad Knotter, een wetenschappelijk werk over de nu verdwenen samenleving rond de mijnen. Beiden boeken zijn geïnitieerd door de Stichting De Koempel Verhaalt, die in 2007 is opgericht om de geschiedenis van de mijnwerkers niet verloren te laten gaan.