Bloed uit je stopcontact

Edwin Koopman ,

Nederland heeft nog steeds niets ondernomen tegen misstanden in de steenkoolindustrie van Colombia, meldt de Volkskrant vandaag. Beluister een radioreportage en lees een verslag uit het gebied waar onze 'bloedkolen' vandaan komen.

Boer Tomás Carillo werd van zijn land gezet.

Meer dan de helft van de kolen die Nederland gebruikt voor het opwekken van stroom komt uit Colombia. Pogingen van minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel om de misstanden rond 'bloedkolen' aan te pakken, hebben tot dusver geen merkbaar resultaat, meldt de Volkskrant vandaag. Een van de belangrijkste leveranciers van die kolen is het mijnbouwbedrijf Drummond. Dit Amerikaanse familiebedrijf staat bekend als een notoire schender van arbeidsrechten, mensenrechten en het milieu. Edwin Koopman reisde in september 2013 naar het noorden van Colombia en ging op zoek naar de oorsprong van onze elektriciteit. Beluister hieronder de reportage, gevolgd door een interview met Sjoerd Sjoerdsma, Tweede Kamerlid voor D66, en lees daar weer onder een achtergrondartikel dat Koopman schreef voor dagblad Trouw (hier het bijbehorende nieuwsbericht).
 

Moorden voor de mijn

'Vakbond van de guerrilla stop of de dood komt je halen klootzakken.' Zo luidde de sms die vakbondsleider Ruben Morón op 15 juni ontving van een onbekende zender. Het was geen loos dreigement. Een maand later overleefde Morón ternauwernood een aanslag op zijn leven. Hij had die dag bij zijn werkgever, kolenmijn Drummond, een lijst met eisen neergelegd. Vorige maand kreeg hij asiel in Frankrijk. Collega’s van Morón hadden minder geluk. De afgelopen vijftien jaar zijn volgens cijfers van de vakbond 160 werknemers van Drummond vermoord, onder wie vier vakbondsleiders.

De aanslag op Morón heeft een staking niet voorkomen. De Drummondmijn, in het noordelijke departement Cesar, ligt plat. Voor de poort speelt een groep mannen domino aan een tafeltje. Verderop staan gaarpannen op het vuur. In de verte liggen reusachtige bergen met steenafval. De mijn zelf is onzichtbaar, maar op luchtopnames is te zien dat het gat zeker 20 vierkante kilometer beslaat. Drummond is als tweede steenkoolproducent in Colombia een belangrijke leverancier voor de Nederlandse markt. Volgens cijfers Nederlandse energiebedrijven kwam in 2011 ruim 12 procent van alle geïmporteerde kolen uit deze mijn.

'We worden als slaven behandeld,' zegt vakbondsleider Luis Manuel Mendoza naast een enorme ventilator die de hitte moet verdrijven. Ziekteverzuim en bedrijfsongevallen nemen toe door de hoge werkdruk. Wie ziek wordt – 600 van de 5000 werknemers – verliest bijna de helft van zijn inkomen. Mendoza kent de risico’s van zijn actie. Met 24 collega’s staat hij op de dodenlijst die vorige maand is verspreid door een paramilitaire groep die bekend staat als Los Rastrojos - “De Stoppels”. In een pamflet waarschuwt de groep 'organisaties die zogenaamd opkomen voor de rechten van arbeiders, en daarmee de vooruitgang blokkeren die te danken is aan bedrijven als Drummond'. Mendoza: 'We weten niet zeker wie erachter zit. We weten alleen dat de dreigementen altijd opduiken zodra we actievoeren voor onze rechten.'

criminele organisatie

Advocaat Francisco Ramírez, die de vakbonden juridisch bijstaat is stelliger. 'Het feit dat "toevallig" de persoon die onderhandelt met Drummond wordt bedreigd, bewijst de directe connectie tussen het bedrijf en criminele bendes, die worden betaald om dat werk te doen,' zegt Ramírez. Hij omschrijft Drummond als 'een criminele organisatie', een agressieve, gewetenloze onderneming 'die maar één doel heeft: het ten koste van alles weghalen van zoveel mogelijk steenkool.'

Ramírez voert in de Verenigde Staten een rechtszaak tegen Drummond wegens de vakbondsmoorden. In dat proces erkenden voormalige paramilitaire leiders hun banden met Drummond. Een van hen is Jhon Esquivel Cuadrado – alias De Tijger. 'Als we het gebied rond de Drummond mijn zouden zuiveren van de guerrilla, zou Drummond geld beschikbaar stellen,' verklaarde De Tijger, die naar eigen zeggen aanwezig was toen Drummond betaalde. Een andere paramilitair, die betrokken was bij de moord op drie vakbondsleiders, getuigde: 'Kort na de moord ontvingen we een miljoen Colombiaanse peso’s in contanten, waarvan (onze contactpersoon, red.) bevestigde dat ze van Drummond kwamen.'

De getuigenissen betreffen de periode voor 2006, toen veruit de meeste doden vielen. Bedrijven betaalden paramilitaire huurlegers om zich te beschermen tegen aanslagen en ontvoeringen door de guerrilla. Drummond had veel last van de guerrilla wegens aanslagen op de spoorlijn. In 1996 kwam een paramilitair leger in het gebied dat uitgroeide tot zeshonderd man. Die vermoordden vakbondsleiders en ook boeren die werden gezien als sympathisanten voor de guerrilla. Daarnaast maakten ze het terrein vrij voor uitbreiding van de mijn. Ze joegen de boeren uit hun huizen en van hun land, en zodra de mijn het land nodig had, verkochten ze het aan het bedrijf. De 54 massamoorden, bijna vijfduizend doden en tienduizenden ontheemden ontwrichtten de complete regio.

Moordcijfer stijgt weer

Ook in die tijd importeerde Nederland al Colombiaans steenkool, al was daar nauwelijks ophef over. De banden tussen het bedrijf en de paramilitairen werden altijd wel vermoed maar konden nooit worden hard gemaakt. Nu zijn er bekentenissen. Na de ontwapening van de paramilitairen in 2006 daalde het moordcijfer, maar sinds enkele jaren stijgt het weer gestaag. Reden zijn de toenemende arbeidsonrust en overheidsprogramma’s voor de teruggaaf van land aan ontheemde boeren – de guerrilla is uit de streek verdwenen. Nieuwe groepen zoals de Stoppels plegen geen massamoorden meer maar gaan selectief te werk, specifiek gericht op activisten en boerenleiders. Volgens de lokale media zijn in de eerste helft van 2013 in het departement 37 activisten vermoord, een kwart meer dan een jaar eerder.

Terwijl bij Drummond wordt gestaakt, komen in het nabijgelegen stadje Valledupar een paar honderd mensen bij elkaar om een “Beweging van Slachtoffers van Multinationale Bedrijven” op te richten. Het merendeel komt van Drummond. Zieke werknemers, verjaagde boeren, weduwen van vermoorde mannen, ieder met zijn verhaal over angst en straffeloosheid. In tranen vertellen de vrouwen hoe geüniformeerde mannen de boerderij binnendrongen, hoe hun zonen zijn meegesleept en later op de dag dood werden teruggevonden, en over trauma’s van hun kinderen die zagen hoe hun vader werd afgeslacht.

'Twee jaar heb ik gehuild om mijn land,' zegt Tomás Carrillo die werd verjaagd uit zijn boerderij in Michoacán, een landgoed dat sinds vier jaar grotendeels in handen is van Drummond. Uit een verfomfaaide koffer haalt hij eigendomspapieren. Dankzij die documenten praat Drummond nog met hem, maar er wordt geen cent aan compensatie betaald, net zo min als aan de andere 120 vluchtelingen van het landgoed. De Colombiaanse regering, die de energetische mijnbouw beschouwt als de motor van economische ontwikkeling, doet niets. Nu woont Carrillo met vrouw, dochters en kleinkinderen in een krot in Bosconia, een stoffige plaats waar niets wijst op de welvaart en de ontwikkeling die de mijnen Colombia zouden brengen. Een van de vele armzalige nederzettingen vol ontheemden met onverharde wegen en diepe armoede langs de spoorlijn waarover Drummond zijn kolen transporteert.

Staat binnen de staat

Drummond zelf is voor de pers onbereikbaar. Telefonisch contact loopt via een extern communicatiebureau dat berichten onbeantwoord laat. Op het hoofdkantoor in Bogotá is volgens de portier 'vanwege de staking' niemand aanwezig. Bij de mijn laat een bewaker vanachter een geblindeerd luikje weten dat niemand de pers te woord kan staan. 'Zelfs de minister komt hier niet zomaar binnen,' schampert een van de stakende arbeiders. Een bataljon van driehonderd militairen zou de mijn permanent bewaken. 'Drummond is een staat binnen een staat.'

Spraakzamer is Claudia Jiménez, directrice van de brancheorganisatie voor grootschalige mijnbouw SMGE, waar Drummond lid van is. 'Dit verdient geen enkele geloofwaardigheid,' zegt ze en gooit geïrriteerd het pamflet met bedreigingen van De Stoppels op tafel. Hoewel Drummond en andere leden van haar organisatie daarin met name worden genoemd, ziet Jiménez niets in het openbaar afstand te nemen van de bedreigingen: 'Daarmee zouden we de beschuldiging legitimeren dat zij onze gesprekspartners zijn.' Ook ziet Jiménez geen reden om iets te ondernemen voor haar werknemers. 'De veiligheid van de Colombianen is een zaak van de staat, in Colombia, in Nederland en in Japan.'

De haven van Drummond in Santa Marta ligt door de staking stil. Voor de poorten belt een van de leiders even de gegevens na over de kolentransporten. 'Elke drie maanden gaan er 600 duizend ton naar twee Nederlandse havens,' zegt hij: 'Rotterdam en IJmuiden.' Maar nu even niet. 'Normaal worden daar de schepen met steenkool geladen,' zegt Alejandro Arias, journalist in Santa Marta, en wijst op de verlaten pieren. In januari publiceerde Arias foto’s van de illegale dumping van steenkool in de baai. Sindsdien kan Arias alleen nog zwaar bewaakt de straat op. 'Ik ben tot militair doelwit verklaard door organisaties die zeggen op te komen voor de belangen van Drummond.'