nieuwe site?

Alles kon overboord

Interview met Rolf de Heer over Ten Canoes

Han Ceelen ,

Regisseur Rolf de Heer maakte de eerste Australische speelfilm met een cast die uitsluitend uit aboriginals bestaat. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. 'Het was heel veel praten en onderhandelen.'

'Het moeilijkste en meest bevredigende project van mijn leven,' noemt de Nederlands/Australische regisseur Rolf de Heer zijn Ten Canoes, de eerste Australische speelfilm met een cast die uitsluitend uit aboriginals bestaat. De Heer, geboren in Heemskerk maar alweer veertig jaar weg uit Nederland, verbleef voor de film tweeënhalf jaar tussen de Yolngu-stam in Arnhem Land, Noord- Australië. In die periode kon alles overboord wat hij op de filmschool en in zijn tien voorgaande films had geleerd, vertelt hij telefonisch vanuit Adelaide.

'Als regisseur ben je gewend het heft in handen te nemen, maar dat ging niet . Het was heel veel praten en onderhandelen. Wat op zich al ingewikkeld was, omdat we elkaars taal nauwelijks spraken.' Ondanks die taalbarrière werd spoedig duidelijk dat de stam heel andere opvattingen had over de inhoud van de film dan de regisseur. Zo stonden de Yolngu erop dat het traditioneel belangrijke verzamelen van ganzeneieren centraal zou staan in het verhaal. En het afbeelden van hun voorvaderen in conflictsituaties was uit den boze.

Uiteindelijk werd een compromis bereikt, vertelt De Heer. De ganzeneierenexpeditie zou dienen als raamvertelling, en het dramatische gedeelte van de film werd gesitueerd in een mythisch verleden. Zo kon De Heer zijn verhaal vertellen over een verboden liefde, ontvoering, wraak en verzoening, en voelde ook de stam zich recht gedaan .

Ook bij de casting rezen problemen, zij het van minder serieuze aard. Wat bijvoorbeeld te doen met het prominente stamlid met bierbuik, een fenomeen dat vroeger niet voorkwam onder de Yolngu? Voor hem werd uiteindelijk een rol als 'honingsnoeper' bedacht.

En dan waren er nog de barre omstandigheden in het moerassige leefgebied van de stam. 'Bang ben ik niet geweest,' zegt De Heer. 'Ik ben opgegroeid op Sumatra, dus ik ken de jungle. Maar er waren dagen dat ik zes uur lang tot mijn middel in het water stond; dat de bloedzuigers me van onderen te grazen namen en de muggen van boven, en dat de krokodillenspotters me waarschuwden dat er een grote jongen aankwam. Op dat soort momenten dacht ik wel: waar ben ik in godsnaam aan begonnen?'

Maar dergelijke twijfels duurden nooit lang: 'De Yolngu sleepten me er met hun inzet steeds doorheen. Bovendien: zij waren al zo vaak teleurgesteld door blanken, dat wilde ik niet nog eens laten gebeuren.' Ten slotte werd ieders doorzettingsvermogen beloond, want er ontstond langzaam een vertrouwensband tussen regisseur en cast, en iedereen was apetrots op het eindresultaat (zoals ook bleek uit de making-of The Balanda and the Bark Canoes, onlangs te zien op het IDFA).

Ook heeft de film een positieve invloed gehad op het zelfbeeld van de Yolngu. De Heer: 'Ze zijn van een statische gemeenschap veranderd in een meer op de toekomst gerichte samenleving. Zo zijn ze bezig met het opzetten van een krokodillenfarm en een muziekstudio - initiatieven die voorheen ondenkbaar waren. En ze hebben weer aansluiting gevonden bij hun geschiedenis. Het maken van kano's was totaal in onbruik geraakt, maar is nu weer opgepakt.'