filmjaar 2016

Recensie: Southpaw

Moeizame combinatie van macho-logica en gekweld spel

Karin Wolfs ,

Het is bekend dat de rol van een gehandicapte de kans op een Oscar voor een acteur aanzienlijk kan verhogen (begin dit jaar bewees Eddie Redmayne het nog als Stephen Hawking in The Theory of Everything). Maar ook de fysieke en emotionele tour de force van een beetje boksrol kan bij de Academy doorgaans op weerklank rekenen.

Robert De Niro kreeg een beeldje voor Raging Bull, Sylvester Stallone voor Rocky, Christian Bale voor The Fighter en Hilary Swank voor Million Dollar Baby . Denzel Washington en Will Smith sleepten nominaties binnen voor respectievelijk The Hurricane en Ali.

Dat wil nu ook Jake Gyllenhaal – in een sterk staaltje against type-casting – die 7,5 kilo spierbundels kweekte voor zijn hoofdrol in boksfilm Southpaw. Tenminste, als je zijn producent Harvey Weinstein mag geloven, die Gyllenhaals recht op een Oscarnominatie in Cannes alvast van de daken schreeuwde. Gyllenhaal speelt bokskampioen Billy Hope, die aanvankelijk alles heeft. Als gevolg van een vete met een rivaal verliest hij echter niet alleen op tragische wijze zijn vrouw ( Rachel McAdams), maar ook nog het ouderlijk gezag over zijn tienjarige dochter ( Oona Laurence). Voor hij toekomt aan revanche, voert hij – geheel naar de wetten van het genre – zijn grootste gevecht met zichzelf.



Een klassiek verhaal over een gevallen held die weer opstaat, maar niet voordat hij, volgens een al even beproefde scenariowet, eerst nog vijf keer dieper in de ellende is gezakt. Dat het melodrama over (bloed)verwantschap nog net niet onder z'n eigen gewicht bezwijkt, dankt het aan het geconcentreerde spel van de belangrijkste hoofdrolspelers, onder regie van Antoine Fuqua (Training Day). Die filmde veel in close-up, met schaduwpartijen in verzadigd zwart. De gevechten zijn dynamisch verbeeld; deels als levensechte sportverslagen, deels doordat de camera in de ring tussen de vechters in is geplaatst.

Maar als psychologisch drama mist het verhaal scherpte zodra Hope aan zijn comeback begint. Bijrollen en levenslessen zijn rommelig uitgewerkt. De trainingen ogen mat. Hope moet z'n emoties leren beheersen, maar wat daarbij niet stoer oogt, is weggelaten. Hoewel de rechter hem een cursus zelfbeheersing oplegt, zien we Hope nooit bij een zelfhulpgroep of psycholoog. En hoewel zijn nieuwe bokstrainer (Forest Whitaker) hem tot het poetsen van toiletten verplicht, zien we hem dat niet één keer doen.

Southpaw wil een stoere boksfilm zijn , terwijl Gyllenhaal Hope speelt als een introverte spierbundel die met gekromde schouders gebukt gaat onder zijn leed. Een beetje zeurderig zingt het allemaal voort, net als Eminems 'Phenomenal' op de soundtrack. Hope mag dan winnen op beheersing; Southpaw redt dat – met z'n moeizame combinatie van macho-logica en gekweld spel – net niet.