Pleidooi

A.L. Snijders ,

Op mijn middelbare school was een debatclub. Die heb ik een keer bezocht, maar dat beviel me niet.

Dat je moest winnen, kon ik me nog wel voorstellen, maar de gronden waarop dat gebeurde, begreep ik niet – volstrekt subjectief, psychologie, intimidatie, macht van de opperaap. Ik ben na een half uur vertrokken. Ik kijk dus graag naar discussie- programma’s.
Gisteren was het Hollandse zaken. Ging over de nieuwe ruwheid, de onverzoenlijke toon, het definitieve schelden. Een vrouw uit het weg-met-zwarte-pietkamp baarde opzien omdat ze na een conflict hierover met een goede kennis had gezegd dat ze vrienden moesten blijven. Dat je over de positie van Zwarte Piet niet dezelfde opvattingen hebt als die kennis betekent toch niet dat je met hem moet breken? Ik vermoed overigens dat breken wel gemakkelijker is. Het doet even pijn, maar dan ben je er ook voorgoed van af.
In een ander praatprogramma is de dolfijn het onderwerp. Nu het circus is uitgekleed, is het dolfinarium aan de beurt. Hoofdpersoon is een interessante Amerikaan die vroeger Flipper trainde en daardoor zeer beroemd was. Nu is hij het boegbeeld van de tegenstanders, dolfijnen mogen geen kunstjes meer doen. Ik houd van dit type mens, de conservatieve koning die in één nacht liberaal wordt, de figuratieve schilder die in één nacht een abstracte schilder wordt. Ze laten zien dat het niet alleen de taal is, maar ook de echte, diepe mens zelf, wezenlijk onbetrouwbaar.
Tegenover de flamboyante Amerikaan zit een bedachtzame Nederlandse zeebioloog. De Amerikaan roept plotseling vanuit het niets dat zijn elfjarige dochtertje alles van dinosaurussen weet. Ik begrijp dat deze discussie al een tijd aan de gang is. De voorstanders van de status quo gebruiken het argument dat het voor de ontwikkeling van de kinderen zo goed is dat ze dolfijnen zien zwemmen en springen en spelen. De tegenstanders laten zien dat het ook lukt met uitgestorven dieren.
Ik zelf pleit voor het terugdringen van het chaotiserende debat, de ontwikkeling van het aarzelen, het oefenen in wegkijken. Ik pleit voor concreet leven: het huis schilderen, een boom omhakken, een band plakken.