De man die Lumumba deed verdwijnen

Jan Antonissen en Hanne Van Tendeloo - Humo

In een Waals dorp, ergens achter een elektronisch hek, woont Godelieve Soete. In 1999 zat ze met stijgende verbazing te kijken naar het tv-programma ‘Histories’: ze zag haar vader, Gerard Soete, voor het eerst openlijk vertellen dat hij in januari 1961 in het grootste geheim het lijk van Patrice Lumumba in stukken had gesneden en opgelost in zwavelzuur. Vader Soete toonde op tv zelfs – niet zonder trots – een kogel die uit het doorzeefde lijk van Lumumba was gevallen. Het maakte Godelieve razend: ze wist wel met welke opdracht haar vader, als inspecteur-generaal van de Katangese politie, destijds was belast. Maar waarom liet hij dat akelige verleden niet rusten? Nu pas, vijftien jaar na de dood van haar vader, heeft ze zich postuum met hem verzoend: ‘Mon Dieu, wat moet die man hebben geleden.’

Jan Antonissen en Hanne Van Tendeloo - Humo,

Speeches: Patrice Lumumba, zondag 17 januari, 21.00 uur op NPO2

De fragmenten met Gerard Soete in ‘Histories’ waren betrekkelijk beknopt, maar niet veel later sprak hij wel uitgebreid met Humo. Hij was duidelijk nog altijd niet in het reine met het bevel dat hij in 1961, in de nasleep van Lumumba’s executie, had gekregen: ‘Wie kan dat zonder aangedaan te zijn: lijken versnijden, de botten van het vlees scheiden, het vlees oplossen, de botten versplinteren en wat dan nog niet is vernietigd, zelf verbranden?’

De aflevering van ‘Histories’, die er kwam naar aanleiding van de onthullingen van Ludo De Wittes boek ‘De moord op Patrice Lumumba’, had verregaande gevolgen: in 2000 werd een parlementaire commissie-Lumumba opgericht, die bijna twee jaar later zou besluiten dat de Belgische autoriteiten, tot en met de entourage van koning Boudewijn, wel degelijk moreel verantwoordelijk waren voor de moord op de eerste Congolese premier. Zonder twijfel zou ook Soete zijn opgeroepen om te getuigen, ware het niet dat hij in juni 2000 plots was overleden aan een hartaanval.

Zondag 17 januari was het precies 55 jaar geleden dat Patrice Lumumba, samen met zijn politieke medestanders Maurice Mpolo en Joseph Okito, werd geëxecuteerd in de brousse van Katanga, de provincie met een enorme bodemrijkdom die zich na de onafhankelijkheid had afgescheurd van Congo en waar de Belgen achter de schermen nog de plak zwaaiden. Maar het is de Nederlandse tv die aandacht besteedt aan de verjaardag: de VPRO-reeks ‘Speeches’ wijdt een hele aflevering aan de donderpreek die Lumumba gaf op de dag van de Congolese onafhankelijkheid, in het bijzijn van een piepjonge Boudewijn. Daarmee tekende de eerste Congolese premier wellicht zijn eigen doodvonnis.

De filmploeg van ‘Speeches’ zocht Godelieve Soete op, met de vraag of ze haar het integrale ‘Histories’-interview uit ’99 met haar vader mochten laten zien. Na wat aarzelen stemde ze toe. Vandaag duizelt Godelieve nog na van wat ze zag.

‘Mijn vader heeft nooit een woord van dank gekregen voor wat hij heeft gedaan’ 

Godelieve Soete

Godelieve Soete: Het heeft me enorm geraakt. Vooraf was ik bang om mee te werken, bang voor represailles van de familie Lumumba – dat ze me komen zoeken. Na al die jaren blijf ik me daar zorgen over maken. In ’99, toen mijn vader die hele Lumumba-historie weer oprakelde, dacht ik: 'Maar allee, waarom moet hij daar nu weer over beginnen?' Ik was kwaad op hem. Zo erg zelfs, dat ik een tijdlang geen contact met hem heb gehad. Op zijn gevorderde leeftijd, met alles wat hij had meegemaakt, vond ik dat hij de rest van zijn leven maar beter in alle rust kon uitzitten. Maar plots begon hij het ene na het andere interview te geven en stond de verzamelde pers voor zijn huis. Ze zoomden vooral in op de lugubere details van het verhaal: dat hij die lijken in stukken had gesneden, dat hij dat had gedaan. Hij werd voorgesteld als de slechterik.

Ook voor mijn deur heeft een tv-ploeg gestaan. Ze vonden dat ik, als oudste dochter, uitleg moest geven. 'Wat moet ik u vertellen?' heb ik hen gezegd. 'Ik was 10 jaar.'

HUMO: U moet toch herinneringen aan die tijd hebben?

Soete: Ik wist dat mijn vader een man van belang was. Maar verder? Ik was een kind, ik speelde nog met mijn poppen. Net als andere kinderen zag ik mijn vader ’s ochtends naar het werk vertrekken en ’s avonds terugkeren. Soms vertrok hij weleens op missie, maar natuurlijk ging ik hem niet vragen waar die missies over gingen. Pas toen de hele affaire weer in de media kwam, ben ik me vragen beginnen te stellen. En het is pas toen de Nederlandse tv-ploeg van Speeches me het volledige interview liet zien, dat ik begreep dat ik niet boos op hem kon zijn, dat die man erg moet hebben geleden. Ik zag het in zijn ogen. 'Mon Dieu,' dacht ik, 'had ik hem maar kunnen helpen.'

HUMO: Dat lijden had u vroeger nooit gezien?

Soete: Nee. Maar nu dacht ik: 'Arme papa.' Hij heeft die affaire z’n leven lang helemaal alleen moeten dragen. Zelfs mama was niet op de hoogte. Het is te zeggen: ze wist dat hij gedwongen was om dingen te doen, maar het fijne ervan heeft ze nooit geweten. Ze is ook jong gestorven – 66 was ze.

HUMO: Was de affaire-Lumumba een taboe ten huize Soete?

Soete: Dat denk ik niet. Al sprak mijn vader er niet graag over. ‘Ooit leg ik jullie de waarheid uit,’ heeft hij eens gezegd. Maar dat heeft hij nooit gedaan.

Pas na de opnames van Speeches begreep ik waarom mijn vader zich na die avond zo gedroeg, waarom hij nog meer de behoefte had om zich af te sluiten en zich op zijn schrijfsels te storten – een tiental romans die in bedekte termen vaak over hetzelfde gingen, de affaire-Lumumba. Hij heeft er z’n hele leven onder geleden.

HUMO: Het heeft hem kapotgemaakt?

Soete: Het is zoals hij zelf ook aangeeft in het interview: als je vandaag iets ernstigs overkomt, dan staat een team van psychologen voor je klaar. In die tijd niet: mijn vader is er alleen mee blijven zitten. Hij heeft nooit een woord van dank gekregen, nooit erkenning voor het werk dat hij had geleverd.

HUMO: Van wie had hij dan erkenning moeten krijgen?

Soete: Louis Michel heeft, na de bekendmaking van de resultaten van de parlementaire commissie, in naam van België zijn excuses aangeboden aan de familie Lumumba. Ik heb de minister toen twee brieven gestuurd: ‘Waarom krijgen mijn zussen en ik ook geen verontschuldigingen?’ Nooit heb ik een antwoord gekregen. Ik kom hem weleens tegen, maar ik durf hem er nooit over aan te spreken. Waarom de familie van Lumumba wel en wij niet? Zij hebben hun broer, vader en man verloren, maar wij hebben ook iemand verloren: mijn vader. Waarom biedt België zijn excuses niet aan voor het onmenselijke bevel dat ze hem hebben gegeven? Stel het je maar eens voor dat ze jou opdragen met een mes en een zaag iemands lijk in stukken te snijden. Laat staan dat je drie mannen moet versnijden. Da’s niet normaal, hè. In de kranten hebben ze ons zelfs vergeleken met de familie Pandy. Maar mijn vader deed gewoon z’n job. Ik heb die excuses echt nodig om verder te kunnen.

Censuur van bovenaf

HUMO: Wie had volgens u de opdracht voor de moord gegeven? Volgens uw vader was het Godefroid Munongo, de Katangese minister van Binnenlandse Zaken.

Soete: Munongo? Het kan. Ik vond hem sympathiek. Hij was de baas van mijn vader, en mijn vader had veel respect voor hem. Maar het zou me niet verbazen als koning Boudewijn er voor iets tussen zat. In die tijd was hij een stijve hark en leek hij een marionet in de handen van anderen.

Plots klinkt er gepiep. Godelieve gaat kijken of het fotograaf Jelle Vermeersch is die voor het hek staat, maar er is niemand te zien. Lachend zegt ze: ‘Misschien is het mijn papa, die de boel van hierboven uit wil censureren. Piep!’

Soete: Volgens mij heeft hij onder bedreiging gehandeld, alsof ze de loop van een geweer tegen zijn slaap hielden: ‘Doe wat we je opdragen!'

HUMO: Hij haatte Lumumba.  

Soete: Ik zou u kunnen haten, maar dat is nog iets anders dan u vermoorden.

HUMO: Maar waarom haatte hij Lumumba?

Soete: In zijn ogen was Lumumba een vijand. Maar in die hele politieke kant heb ik me nooit verdiept. Mijn vader was wel erg fideel in zijn werk. Hij weigerde te profiteren. Wij woonden in een bescheiden appartement, terwijl de officieren onder hem in een grote villa woonden. Ze reden ook met een mooiere wagen dan hun chef. Pas op: hij was niet perfect in zijn privéleven, maar in zijn job stond hij recht in z’n schoenen. Nooit liet hij een ander zijn vuile werk opknappen.

HUMO: Misschien beschouwde hij zo’n rotklus als zijn morele plicht?

Soete: Zijn oversten konden op hem rekenen. Ik herinner me dat hij op een dag zei: 'Ze hebben me 2 miljoen Belgische frank geboden om Tshombe te vermoorden.' Hij heeft het niet gedaan. Bovendien mocht hij Tshombe wel. Maar hadden ze hem geld gegeven om Lumumba om te brengen, dan had hij het evenmin gedaan. Hij was te eerlijk. Daarom hebben ze hem misbruikt.

‘Minstens twee à drie dagen is hij weggebleven; toen hij terugkeerde, was hij verloren’ 

Godelieve Soete

de stank van whisky en zwavelzuur

HUMO: Laten we nog eens terugkeren naar die bewuste avond in januari 1961. ‘De avond van de moed,’ zoals uw vader zei.

Soete: Ik herinner me er niet veel van, maar wel dat ze met z’n vieren waren: mijn vader, zijn broer Michel, die verantwoordelijk was voor het wagenpark van de Katangese politie en in wie hij een blind vertrouwen had, en twee zwarte helpers. Ik zag ook dat ze vertrokken met een groot pakket, met whisky en maandverband – in die tijd nog grote doeken. En toen hij terugkwam, was hij doodmoe. Ik heb ’m nooit langer weten slapen.

HUMO: Lumumba en zijn twee medestanders, Maurice Mpolo en Joseph Okito, werden voor hun executie ook gefolterd. Weet u of ze nog leefden na die foltering?

Soete: Ze leefden nog, dat heeft mijn vader me wel verteld. Maar verder voelde hij een grote terughoudendheid om het er met ons over te hebben. Omdat wij zijn dochters waren, denk ik. Hij was bang voor onze blikken. Hij praatte er liever met zijn vrienden over. Wij waren zijn kleine meisjes.

HUMO: In één van zijn boeken had hij het over een nacht op de bodem van de hel.

Soete: Het waren verscheidene nachten in de hel – minstens twee à drie dagen is hij weggebleven (van 21 tot 23 januari, red.). Toen hij terugkeerde, stonk hij uren in de wind.

HUMO: Rook hij naar de dood?

Soete: Het was niet de geur van de dood. Die heb ik later geroken, ten tijde van de moordpartijen bij Radio Katanga. Nee, il puait la bête. Hij rook naar een man die gedronken had en zwavelzuur had gebruikt. Die whisky dronken ze omdat de penetrante geur van het zwavelzuur niet te harden was – ondanks het maandverband dat ze voor hun gezicht hadden gebonden. Een deel van de lijken is in zwavelzuur opgelost, de rest is over termietenhopen verspreid. Alle sporen moesten gewist worden.Toen hij terugkeerde, was hij verloren. Maar hij zei niks.'

HUMO: Hebben zijn zwarte helpers het vuile werk niet opgeknapt?

Soete: Hij liet anderen geen orders uitvoeren, hij deed zelf mee. Zo was hij nu eenmaal. Ik heb trouwens nog een foto van hem van de plek waar ze hebben gewerkt, op een goede 200 kilometer van de plaats waar ze zijn lijk zijn gaan opgraven.

HUMO: Hij moet het historische belang van die plek hebben ingezien.

Soete: Mijn vader hield alles in een privéarchief bij, helaas meestal in vijfvoud (lacht). Na zijn dood hebben we veel weggegooid, maar ik heb interessante dingen kunnen redden.

HUMO: Hij had niet alleen foto’s genomen. Hij had ook kogels uit het lichaam van Lumumba bewaard, tanden en vingerkootjes.

Soete: De vingerkootjes heb ik niet gevonden. De tanden, daarentegen... (Op fluistertoon) Ik vraag me af of ik er niet nog één heb.

HUMO: Op het einde van zijn leven beweerde hij dat hij ze in zee had geworpen.

Soete: Daar ben ik niet zo zeker van: toen we na zijn dood zijn bureau leegmaakten, hebben we tanden gevonden. (Haalt een houten doosje uit de kast) Maar misschien moet u dit eens openen. Heb ik ze hierin gestoken? Je suis une miss qui garde tout.

Terwijl ze wegbeent om koffie te zetten, krijgt fotograaf Jelle met veel moeite het doosje open: er blijken geen tanden, maar kogels in te zitten – wellicht zijn ze ooit door het lichaam van Lumumba gegaan.

Soete: (met een dienblad vol koffie) Ik ben van plan alles wat ik nog aan documenten en bewijsstukken bezit, aan het museum van Tervuren te schenken. Ik wil dat niet zelf bewaren, het is me te riskant. 

slechte reclame

HUMO: Schaadde Lumumba de grote Belgische economische belangen in Katanga?

Soete: (knikt) Hij was ook hatelijk op het moment van de machtsoverdracht in juni 1960. Die toespraak van hem, dat kon hij echt niet maken tegenover Boudewijn. Boudewijn was, als koning van België, de hoeder van de kolonie geweest. En me dunkt heeft België het in Congo niet zo slecht gedaan, toch?

HUMO: Was het een mooi leven in de kolonie?

Soete: Een heel mooi leven. Ook de zwarten waren gelukkig. Hoe vaak heeft mijn boy niet gehuild toen hij vernam dat we zouden vertrekken. Hij hielp in het huishouden, maar hij kreeg evenveel eten als wij, hoor. Voor ons was hij een grote broer. Intussen loopt er een Gerardsoete in Congo rond, wist u dat? De zoon van de boy. Hij wilde zijn zoon per se naar mijn vader noemen. Alleen: hij dacht dat ‘Gerard Soete’ één voornaam was (lacht).

HUMO: Was de onafhankelijkheid van Congo een vergissing?

Soete: Ze is er te snel gekomen. Kijk eens hoe slecht ze het tegenwoordig hebben, maar Louis Michel vult er nog altijd mooi zijn zakken. Enfin, dat zeg ik, ook al ben ik meer blauw dan rood. Dat rode haar van mij is een gekkigheid, dat heb ik gedaan na een zware ziekte. Ik zei: ‘Et maintenant, je vais péter ma vie!

HUMO: Vóór de onafhankelijkheid had uw vader zich opgewerkt tot inspecteur-generaal van de politie in Congo. Zijn macht grensde aan de almacht, zei hij zelf in Humo, hij beschikte als het ware over leven en dood.

Soete: Hij had veel macht, ja. Maar ik betwijfel of hij mensen uit de weg liet ruimen. Daarvoor was hij te menselijk.

HUMO: Misschien had hij vóór Lumumba al andere lijken opgeruimd. Tegenover Humo zei hij zeventien jaar geleden desgevraagd: ‘Ik weet het niet meer.’

Soete (Zwijgt)

HUMO: Hij had ook ‘nee’ kunnen antwoorden.

Soete: Waarschijnlijk wilde hij er niet over praten, maar nogmaals: zo was hij niet. Wat mij wel heeft geschokt, waren die foto’s van hem waarop hij met de chicote in de hand Congolezen bestrafte. Dat zou ik dus niet kunnen, al heb ik ook een sterk karakter. Nee, die zweepslagen, dat is slechte reclame voor het kolonialisme.

HUMO: Wat zei hij als u hem daarop aansprak?

Soete: Dat het mij niet aanging, dat die mensen hun straf verdienden. En dat ik, als ik erover bleef zeuren, ook zelf wat zweepslagen kon krijgen. En ik heb mijn deel van de klappen gekregen: mijn vader sloeg zijn dochters met de riem. Hij was een echte chef. Als tiener had ik weleens vriendjes. Hoorden we zijn auto de oprit oprijden, dan gingen de vriendjes ervandoor, omdat ze bang waren. Niemand mocht van mijn vader aan zijn meisjes komen. Hij hielp ons ook bij ons huiswerk. Als ik hem brieven stuurde van op internaat, dan kreeg ik ze terug met alle spelfouten in het rood aangeduid.

'ik zit niet met hoeren aan tafel'

HUMO: Daarnet zei u dat hij na die nachten in de hel meer gesloten was. Was hij ook als vader veranderd?

Soete: Hij was altijd streng geweest, maar na die nacht had zijn gedrag tegenover ons iets... Ik wil niet zeggen onrechtvaardig, maar toch. Zijn gedrag was bijna irrationeel. Bij leven mochten we zijn bureau pas betreden als we hadden aangeklopt en hij ‘Binnen!’ had geroepen. Zelfs na zijn dood durfden mijn zus en ik zijn bureau niet binnen te gaan. Hij lag dood in de kamer ernaast en nog altijd waren we bang voor hem! Als hij praatte, dan was het soms alsof hij schuimbekte. Hij kon je echt toesnauwen. Kwam mijn zus thuis met een slecht rapport, dan blafte hij haar toe: 'Stinkerd!' (Zwijgt) Mijn ene zus heeft zich op haar 17de het leven benomen. Op een dag verscheen ze lichtjes opgemaakt, met korte haren, aan de ontbijttafel. Mijn vader vond dat zijn meisjes zich niet hoorden te maquilleren. 'Je ne mange pas avec des putes,' zei hij. 'Ik zit niet met hoeren aan tafel.' Mama probeerde hem nog tot rede te brengen, maar mijn zus is opgestaan, heeft haar ogen schoongeschrobd en is met mijn vader naar school gereden. ’s Avonds, toen ze van school terugkeerde, heeft ze een overdosis Nivaquine, een soort kinine, genomen. Mijn vader is nog met haar naar de spoeddienst van het dichtstbijzijnde ziekenhuis gereden, maar daar was niemand aanwezig. Mijn zus is in zijn armen gestorven. Later heeft hij me daar een brief over geschreven: 'We hebben Maggie (Margareth) verloren, maar jij zit daar voor iets tussen.' Hij wees mij met de vinger, omdat ik één jaar daarvoor ook had geprobeerd mezelf te doden.

HUMO: Waarom dan wel?

Soete: Een ingewikkelde kwestie. Mijn ouders hadden mijn jongste zusje Kathy voor een dringende operatie naar Leuven overgevlogen. Ik was, als oudste, in Afrika achtergebleven om bij mijn twee andere zussen een oogje in het zeil te houden. Meestal klopte ’s morgens vroeg de boy aan de deur, maar op een dag was het niet de boy die zich meldde, maar een vriendje dat een andere vriend had meegebracht om me samen aan te randen. Mijn zussen hebben dat zien gebeuren. Gelukkig is de boy na verloop van tijd tussenbeide gekomen om die jongens te verjagen. Maar mijn vader geloofde het niet. Ik had toegestemd, zei hij. Hij heeft me twee dagen in de gevangenis opgesloten: ik werd gestraft, omdat ik was aangerand. Daarna heeft hij me op het vliegtuig naar België gezet: 'Jij gaat het internaat in!' Hier heb ik een overdosis medicijnen genomen. Het was Margareth die me buiten bewustzijn vond. Zij heeft de ambulance gebeld, die me naar het ziekenhuis van Assebroek heeft overgebracht, en daar hebben ze me met een maagspoeling gered. Mama kwam over van Leuven, waar ze bij Kathy waakte, en zei: 'Hoe kan dat nu: je zusje doet alles om te blijven leven, en jij wil dood?' Uiteindelijk is Kathy gestorven toen ze 18 maanden was. We zijn naar Afrika teruggekeerd, en daar begon de opvoeding à la militaire van voren af aan. Toen mijn mama jaren later stierf, wist ze nog altijd niet wat me toen is overkomen. Ik heb het haar nooit verteld. Over gevoelens werd bij ons niet gesproken.

HUMO: Sprak u ook niet over Maggie?

Soete: Mijn vader kon er niet over spreken. Hij heeft ook nooit erkend dat zijn opvoeding behoorlijk hard was. Maar nu vraag ik me af: waren dat niet de momenten waarop hij met zichzelf worstelde? Hij was zich bewust van de gruwel die hij had aangericht, en op de één of andere manier kwam dat toch naar buiten – in zijn kwaadheid. Mijn vader was geen slechte man, maar na die ene nacht is alles veranderd. Weet u, ik droom nog geregeld van hem. Dat hij me na zijn terugkeer ondervraagt: 'Wat heb je in hemelsnaam gedaan met mijn bezittingen, mijn huis, mijn appartement?' In mijn dromen is hij altijd kwaad (stokt). Terwijl wij toch liefde voor elkaar hebben gevoeld? Verborgen liefde, weliswaar. Ik hield ontzettend veel van hem. Ik herinner me ook niet dat mama ooit heeft gezegd dat ze van me hield. Mijn mama was voor alles 'de vrouw van de commissaris': een prachtige vrouw, die was opgehouden met studeren omdat mijn vader per se met haar wilde trouwen. Mama was een Waalse, papa een Vlaming.

HUMO: Zeg maar: een flamingant.

Soete: Hij durfde weleens ‘De Vlaamse Leeuw’ te spelen, ja. Maar bovenal speelde hij zijn rol: mijn vader was een geboren acteur. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep hij in Bachten de Kupe met een Jodenster op zijn jas – om op te vallen. Dat was mijn vader ten voeten uit. Een speelvogel, een risicozoeker, een avonturier. Hij nam me als klein meisje mee achter op zijn motor, en dan scheurde hij weg. Il n’ avait aucune limite. Maar na januari 1961 was hij niet meer de man van vroeger.

HUMO: Heeft uw vader er echt niet met uw moeder over gesproken?

Soete: Misschien in bed, sur l’oreiller, maar daar weet ikzelf niks van. Mijn vader hield mijn moeder erbuiten, om haar te beschermen. Toen mijn moeder op sterven lag, durfde hij ook niet de beslissing te nemen haar te laten euthanaseren. Dat hebben wij, de kinderen, moeten doen. Zo was hij wel: bij grote beslissingen verdween hij uit beeld. Hij keerde zich af van problemen. Dat is volgens mij ook het gevolg van de affaire-Lumumba.

‘Ik ben bang dat één van de Lumumba’s op een dag voor de deur zal staan om wraak te nemen of aan mijn kinderen te raken’ 

Godelieve Soete

'Ik stamp 'm terug in het graf'

HUMO: Wanneer bent u uit Congo vertrokken?

Soete: Ikzelf in 1971, mijn vader een beetje later.

HUMO: Had Mobutu, die oorspronkelijk een vriend was, zich tegen hem gekeerd?

Soete: Mobutu heeft na verloop van tijd de politie door het leger vervangen, of liever: door de gendarmerie. In het begin was Mobutu een charmante kerel. In Kinshasa werkte ik in een boekenwinkel, La Librairie de Paris, waar hij klant was. Een charmante, vriendelijke, beleefde man.

HUMO: Hij was geobsedeerd door koning Boudewijn, die hij tot in de kleinste details imiteerde.

Soete: Een zwarte heeft altijd de neiging een blanke te imiteren. Maar dat mag ik niet zeggen van mijn kinderen of ze noemen me een racist. Wat ik níét ben. Ik heb nog koloniale vezels, dat is iets anders. Ik ga er onbewust van uit dat een blanke superieur aan een zwarte is.

HUMO: U noemde daarnet de speech van Lumumba naar aanleiding van de onafhankelijkheid hatelijk. Maar Boudewijn had zelf wel eerst ‘het genie van Leopold II’ geloofd. Terwijl Leopold II een massamoordenaar was.

Soete: Ben ik met u eens. En mijn vader dacht er net zo over, jazeker. Hij verfoeide machtsmisbruik, maar tegelijk kon hij zichzelf misdragen – met de chicote, bijvoorbeeld. Hij was ook snoeihard voor zijn dochters, terwijl hij wel een liefhebbende vader was.

HUMO: Die dubbelheid blijkt ook uit de beelden van ‘Histories’: hij was een vriendelijke man, maar hij kon zonder aanwijsbare reden opeens van stemming veranderen.

Soete: C’était une rage. Ik heb de ware aard van mijn vader pas ontdekt toen ik die oude beelden zag. Dat is onwaarschijnlijk, hè. Het heeft me omvergeblazen.

HUMO: Hoe gaat u om met de postume ontdekking van uw vader?

Soete: Ik heb me met hem verzoend. We waren zo ver uit elkaar gegroeid, dat ik op een bepaald moment dacht: 'Als hij nu uit het graf opstaat, dan stamp ik ’m terug in de grond.' Maar als hij nu opstaat, ik zou hem onmiddellijk in mijn armen nemen. Hij heeft in zijn eentje zoveel afgezien. En België zou zich bij zijn dochters mogen verontschuldigen voor wat hem is overkomen. Anders zullen wij ook geen rust kennen.

HUMO: Zou een ontmoeting met de familie Lumumba geen rust brengen?

Soete: Hoe zouden die mensen ons kunnen begrijpen? Het zou de zaken alleen maar erger maken. Ik ben bang dat één van hen hier op een dag voor de deur zal staan om wraak te nemen of aan mijn kinderen te raken. Ik wil die mensen niet ontmoeten.

HUMO: Zij zijn toch wel de eerste slachtoffers?

Soete: Jazeker. Maar mijn vader heeft ook niemand vermoord, hij was geen beul. Ik had er graag met hem over gepraat. Maar wij waren geen praters. Vroeger mochten we niet aan tafel spreken, tenzij we toestemming kregen. Op een keer – ik was al moeder van twee kinderen – gaf ik toch ongevraagd mijn mening. Mijn vader was in alle staten. Met een dreigende hand zei hij: 'Het is niet omdat je volwassen bent, dat ik geen tik meer kan uitdelen.' Mijn toenmalige man heeft zijn hand vastgegrepen: 'Dat, meneer, gaat u nooit meer doen.' En hij heeft het niet meer gedaan.

HUMO: Met welke woorden sprak uw vader over Lumumba?

Soete: 'Une crapule,' noemde hij hem.

HUMO: Lumumba is 55 jaar dood, maar nog elk jaar wordt zijn sterfdag herdacht. Dat betekent toch iets?

Soete: De Congolese regering beschouwt hem als een martelaar – enfin, de ene minister doet dat, de andere niet. Het is een beetje racistisch wat ik nu zeg, maar zo zijn de zwarten: de ene zegt zus, de andere zo. Je kunt hen niet au sérieux nemen.

HUMO: ‘Ik heb het gevoel redelijk te hebben gehandeld in een onredelijke wereld,’ zei uw vader in Humo. Wat denkt u zelf?

Soete: Na die nachten in de hel moest hij redelijk blijven om niet in het oog te lopen. Hij was voortdurend op zijn hoede voor wat er mis kon gaan, hij heeft zijn leven lang angst gehad. Op het eind is mijn vader ziek geworden in Barcelona. Toen ik in zijn appartementje aankwam, zag ik hem in zijn eigen uitwerpselen liggen, met een oud dametje dat naast hem zat te bidden. Ze gaf hem geen water of voedsel: mijn vader draaide helemaal door. Hij riep om mijn moeder, maar ook om koning Boudewijn en om allerlei ministers. Na een verblijf van drie weken in een Spaans ziekenhuis heb ik hem in een ambulance naar België laten brengen. Bij elke stop die we maakten, wilde hij ervandoor gaan. Hij was woest toen hij zag dat ik hem naar het ziekenhuis bracht in plaats van naar zijn huis in Sint-Kruis-Brugge. Na een paar weken kon hij toch naar huis. En twee dagen later vond mijn zus Patricia hem dood naast zijn bed. ‘Een hart- aanval,’ zeiden ze. Maar hoe kan iemand die net uit het ziekenhuis komt, waar hij net een operatie heeft ondergaan en een cardiologisch onderzoek heeft gekregen, plots sterven aan een hartstilstand? Ik denk dat hij is geëlimineerd.

HUMO: Denkt u dat echt?

Soete: Hij is geëxecuteerd omwille van wat hij destijds in Congo heeft gedaan. Een lid van commissie-Lumumba heeft me dat ook met zoveel woorden gezegd.

HUMO: Waarom zouden mensen, zoveel jaren later, uw oude vader nog uit de weg ruimen?

Soete: Omdat hij rond zijn 80ste is beginnen te praten, toen Ludo De Witte met zijn boek kwam. Plots vond hij het nodig te zeggen: 'Ik was erbij! Ik heb z’n tanden!' Daar was ik dus kwaad om: 'Waarom nu in die rotzooi gaan roeren?' Misschien had hij beter gezwegen.

Dan staat ze op uit de zetel en haalt ze alle boeken van Gerard Soete – of Geert Van Puthen, zijn pseudoniem – uit de boekenkast: ‘Eigenlijk had ik ze er- gens ver weg zitten. Pas sinds ik de waarheid weet, heb ik ze een plaatsje in de kast gegeven. Maar gelezen heb ik ze nog altijd niet: mijn Nederlands is niet goed genoeg.’ De medailles van haar vader haalt ze ook fier tevoorschijn – ze liggen uitgestald op een houten kist onder de salontafel. Nu is ze op dreef: uit een verhuisdoos diept ze een agenda en correspondentie van haar vader op. Terwijl we over de paperassen gebogen staan, heeft ze plots een ingeving: misschien zit de tand van Lumumba in nog een ander Afrikaans ogend kistje, dat al die tijd bijna recht onder onze neus heeft gestaan. Ze haalt er een klein blauw doosje uit, met daarin de vergulde kies van Patrice Lumumba. Terwijl fotograaf Jelle het doosje omzichtig op tafel zet om foto’s te nemen, willen we weten of de aanblik van die tand haar iets doet. ‘Mais non,’ antwoordt ze. ‘Ce n’était quand-même pas un homme sérieux.’