Vonne van der Meer is zo’n schrijver die nooit een slecht boek aflevert
Boek: Waar wil je liggen van Vonne van der Meer

Waar wil je liggen van Vonne van der Meer gaat over Vera Schutter, een zeventiger die wordt opgeslokt door een reeks familieperikelen: de dood van haar zus, de mantelzorg voor haar stokoude schoonmoeder, haar echtgenoot die het aan zijn hart krijgt, haar volwassen zoon die na een scheiding op de stoep staat met zijn rugzak.
Boeken-redacteur Katja de Bruin gidst de abonnees van haar nieuwsbrief in geheel eigen stijl door de wondere wereld van letters, proza en papier. Onderstaande tekst verscheen in de editie van 13 september 2026.
Er stond een heerlijk interview in de Volkskrant met een bij vlagen narrige Connie Palmen. Op sommige vragen weigerde ze te antwoorden, maar op de vraag of ze ooit twijfelde, antwoordde ze op z’n Connies: ‘Over karaktertrekken wel, maar niet over mijn werk. Daarin ben ik te goed.’
Toch kreeg ik niet direct zin in Johnnie Walker, en ik dacht aan het bijna lachwekkende contrast met Vonne van der Meer, van wie ook net een nieuwe roman is verschenen. Twee schrijvers die zo’n beetje even oud zijn (Connie is 70, Vonne 73) maar die niet meer van elkaar konden verschillen in toon en stijl.
Marja Pruis schreef vorig jaar in De Groene over Van der Meer naar aanleiding van Aan haar lippen, de bundel verzamelde verhalen waarmee haar veertigjarig schrijverschap werd gevierd. Pruis vroeg zich af of Vonne van der Meer tot ‘de stille brigade’ behoorde, of toch een eenling was. Die stille brigade bestond uit Margriet de Moor, Mensje van Keulen en Vonne van der Meer, ‘de gestaag doorschrijvende schrijfsters van kwalitatief uitzonderlijke verhalen en romans, zonder dat het ooit van een boekenweekgeschenk is gekomen. Om maar iets te noemen. Niet zielig, maar gewoon. Onterecht.’
Die constatering was me uit mijn hart gegrepen. Of Van der Meer nu een eenling is of tot Pruis’ stille brigade behoort, ze is zo’n schrijver die nooit een slecht boek aflevert. Haar nieuwe roman, Waar wil je liggen?, gaat over Vera Schutter, een zeventiger die wordt opgeslokt door een reeks familieperikelen: de dood van haar zus, de mantelzorg voor haar stokoude schoonmoeder, haar echtgenoot die het aan zijn hart krijgt, haar volwassen zoon die na een scheiding op de stoep staat met zijn rugzak. Dat klinkt bij elkaar opgeteld als wel erg veel leed, maar Van der Meer weet het allemaal geloofwaardig en invoelbaar te maken zonder dat het loodzwaar wordt. Er is heus sprake van verdriet, gemis, angst en ergernis, maar door zich te concentreren op de alledaagse consequenties blijft het licht verteerbaar en geregeld ook droogkomisch.
Neem de begrafenis van Vera’s zusje, die al jaren in Spanje woonde met haar partner Maxime. Vera merkt op dat Maxime weliswaar redelijk Spaans sprak, ‘maar geen crematiespaans. Wat heeft u voor kisten en wat is het verschil in prijs, waren zinnen die ze nooit had hoeven opzoeken.’
Crematiespaans. Zo’n goeie vondst.
Misschien komt het omdat ik nog niet zo lang geleden zelf op de eerste rij zat bij de uitvaart van mijn vader, maar de manier waarop ze het ongemakkelijke geschuifel langs de kist beschrijft, moet haast voor iedereen herkenbaar zijn.
Paarsgewijs of alleen trok de een na de ander langs de kist. Sommigen leken zich al te bewust van de nabestaanden op de eerste rij, dan was het loopje langs de kist een lastig corvee: hoe kijk ik, wat doe ik?
Een enkeling streek over het hout, voorzichtig alsof het huid was; anderen knikten naar de foto of ze bogen zich over Brigittes klaprozenschilderij op een tafelezel, schuin voor de kist. Alleen de Spaanse tuinman, de enige in donker pak, sloeg een kruis.
Zoveel mensen – ze onderdrukte de neiging ze te tellen en over haar schouder achterom te kijken, nieuwsgierig hoeveel er nog in aantocht waren.
Zo zit deze roman vol trefzekere observaties, ergernissen en gedachten die je als beschaafd mens meestal voor jezelf houdt. ‘Lief zijn was geen eigenschap die hoog in aanzien stond, met vriendelijkheid kwam je in deze wereld niet ver, maar misschien moest ver ook geen doel in zichzelf zijn,’ denkt Vera als ze ziet hoe haar zachtaardige, kwetsbare zoon Fabian zich door het leven slaat.
Deze Fabian was na zijn eindexamen als muzikant met een band gaan rondreizen, wat niet de beste keus zou blijken die hij in zijn leven had gemaakt.
‘Misschien had ik het je moeten verbieden, maar je liet je niet tegenhouden,’ zei ze.
‘Wat wil je, ik ben een ram.’
Als hij weer met die ram kwam, humde ze maar zo’n beetje vaag voor zich uit.
Weer die herkenning. Hoe te reageren op mensen die serieus over sterrenbeelden beginnen? Dan is vaag voor je uithummen inderdaad het beste.
Op een dag hielp Philip haar met een computerprobleem, maar toen hij merkte dat ze steeds hetzelfde wachtwoord gebruikte, werd hij almaar chagrijniger. Terecht, dacht ze, voor alles en nog wat hetzelfde wachtwoord aanmaken is onveilig en behoorlijk onnozel. Het duurde even voor ze besefte dat haar favoriete wachtwoord de naam van zijn jongste broer was. Fabian plus uitroepteken. Ter plekke had ze alle wachtwoorden veranderd.
Dat ene kwetsbare kind onbewust voortrekken, ‘niet in wikken en wegen, optellen, aftrekken, maar eerder in blikken en gebaren’, ook iets waar je je meestal niet eens echt bewust van bent. Maar toch. ‘Net wat harder lachen om het kind dat zo grappig kon vertellen dan om de zoon die de draad van een verhaal nooit vast wist te houden.’
Waar wil je liggen? is geen plotgedreven boek. Vera denkt na over de boeken die ze leest, gaat naar haar schildercursus en naar de mis in de Nicolaasbasiliek. Want zoals zoveel van Van der Meers personages is ook zij belijdend katholiek. Lezen en bidden kan ze overal, maar in de kerk bidden voelt toch anders dan daarbuiten. Ze bidt ‘voor iedereen die wel een gebed kan gebruiken. Haar vrienden worden er ook niet jonger op, er staat altijd wel iemand op het punt van omvallen. Ze bidt ook voor zichzelf, dat ze dieper slaapt, lichter leeft.’
