De regen maakt een zacht ruisend geluid op de vijver. Het water staat zo hoog dat de lelies het gras op lijken te drijven.

Mijn voeten lijken groot en bleek onder het water. Ik laat mijn tenen wiebelen. De temperatuur valt eigenlijk best mee. Ik zet me af van de kant en loop voorzichtig over de bodem, langs afgebroken flessenhalzen.

Dit is niet de vijver waar mijn overgrootmoeder over verteld had. Zij had gezwommen in een kogelrond meer, metersdiep, het water van gesmolten ijs uit de laatste ijstijd.

Ik ben nog niet ver van de kant, maar kan hier al nauwelijks meer staan. Ik voel de plotselinge kou langs mijn benen. Traag zet ik een schoolslag in.

Het is vroeg, slierten nevel hangen nog boven het water. Vonne slaapt nog, maar haar loepzuivere moederinstinct zal haar elk moment wekken.

Wanneer ze uit bed komt zal ze eerst naar de keuken gaan, koffie zetten, de kachel aandoen. Ze zal proberen het zacht te doen, maar dat zal onmogelijk zijn; het metalen palletje waar ze de vlam mee moet ontsteken moet hard aangetrokken worden. Ze zal een sigaret roken, misschien nog een. Pas wanneer ze het koffiefilter weggooit zal ze ze zien; de snippers in de prullenbak.

Het zal even duren voor ze de tanden, ogen en vingers van papier thuis zal kunnen brengen. De satijnen pakken aan flarden. De kinderachtige poster.

Ik versnel mijn slag. Mijn jurk kruipt op, wolkt richting mijn hoofd. Ik moet me inhouden om hem niet uit te zwemmen.

Het is dezelfde jurk die ik bij het diplomazwemmen droeg. Tijdens het onder water zwemmen was hij om mijn hoofd geraakt. Vonne was zo bang geweest dat ze van het balkon van de tribune af had willen duiken om me uit het water te halen.

Ik vraag me af of ze straks zal huilen, bij het zien van de snippers. Ze huilt te vaak.

Ik haat het wanneer ze huilt, maar nu hoop ik dat ze huilt, dat ze lang huilt. Dat ze niet meer op kan houden met huilen.

 

In de verte, in de volière onder de platanen, gillen de pauwen. Ik trek mijn jurk uit. Hij blijft naast me dobberen, plakt tegen me aan, alsof hij bij me wil blijven. Alsof hij niet kan bestaan zonder een lichaam.

Drie keer diep ademhalen, en dan onderduiken. Rustige slagen nu naar de bodem.

Mijn overgrootmoeder had het nog geloofd; na het broedseizoen waren de zwaluwen plots verdwenen. Omdat niemand wist waar ze gebleven waren, was de verleidelijke

gedachte opgekomen dat ze een winterslaap hielden, ingegraven op vijverbodems.

Ik weet allang dat ze naar het Zuiden trekken. Te vroeg. Ik heb dan nog lang geen genoeg van hun schrille kreten, hun lange glijvluchten. Die eerste gil; de bode van dagen zonder school, van weken zonder druk. Deze zomer laten ze zich amper horen. Ze verschuilen zich voor de regen.

Ik woel met mijn hand door de bodem en een wolk zand drijft traag op, een paar visjes schieten snel weg. Mijn hartslag begint in mijn oren te bonzen. Ik vertraag mijn bewegingen om langer onder water te kunnen blijven, stel me mijn longen als twee enorme zuurstoftanks voor.

Mijn overgrootmoeder had als meisje haar longen getraind. Elke avond voor het slapen gaan ademde ze tien keer diep in en helemaal uit. Vooral het uitademen was belangrijk. Dan ademde ze weer diep in en hield haar adem vast en telde haar hartslagen. Toen ze samen met kinderen uit haar straat onder water naar de zwaluwen had gezocht, had ze zich verbaasd over het gemak waarmee ze zich voort kon bewegen. Gewichtloos was ze geweest, haar longen vrij en ruim. Hoe helder ze alles had gezien; de glinstering in elke vissenschub, de haren op haar armen, zacht wiegend. Ze was geschrokken hoe plotseling haar longen zich weer met zuurstof wilden vullen. Voor ze het bewustzijn verloor had ze kristalheldere belletjes horen rinkelen.

Ik wil ademen. Ik wil nog niet omhoog, Vonne kan elk moment komen. Ze zal de jurk zien drijven, in paniek raken. Terecht.

Elke nacht word ik wakker van hun stemmen. Niet het volume, maar het ritme van hun woorden, hoe dwingend ze elkaars zinnen afsnijden, maakt me bang. Tot zijn vuisten haar gezicht raken.

Kristalheldere belletjes.

Nog heel even blijf ik onder. Vonne is onderweg. Ze staat zo aan de kant, en ze wacht me op met zachte badlakens. Ik zal de kou toelaten en ze zal me warmwrijven tot ik stop met rillen. Ik hoef niets uit te leggen.