‘Ik weet niet hoe het anderen is vergaan, in hun middelbare schooltijd – maar ik denk dat ik me als puber nooit eenzamer heb gevoeld dan als destijds op die klassenavonden…'

Met van die bravoure jongens die zich uitsloofden voor de meisjes, die net als zij een beetje broeierig bij elkaar aan de andere kant van het lokaal stonden: twee kampen die in de loop van de avond zouden oplossen, zich zouden vermengen tot paartjes… Dat was wanneer er A whiter shade of pale van Procol Harum was opgezet, het licht werd gedimd, en het tijd was om te ‘slijpen’.’

 

We skipped the light fandango
turned cartwheels ’cross the floor
I was feeling kinda seasick
but the crowd called out for more…

 

‘Als ze waren uitgedanst , gingen ze hand in hand op de grond zitten, trokken hun benen op, leunden met hun rug tegen de verwarming en gingen in het donker zitten zoenen en fluisteren. Zaken waar ik niets mee te maken had, geen deel van uitmaakte en voor wilde vluchten, en die er de reden van waren dat ik steeds maar weer naar het hok van de conciërge liep. Om Cola te halen, plastic bekers te halen al waren er plastic bekers en Cola in overvloed. Om legeflessen weg te brengen, het maakte niet uit, zolang ik maar iets te doen had en me eraan kon onttrekken. Nam voor ik weer terugging meestal een omweg en drentelde dan door dat immens schemerige gebouw van gang naar gang en lokaal naar lokaal. Naar de klas op de tweede etage, van meneer Van Schaik: een pafferige man met een eierhoofd die nog bij z’n moeder woonde en naast leraar Engels, predikant aan de hervormde kerk was.

Als hij weer eens een rouwdienst moest leiden en de teraardebestelling wat langer op zich had laten wachten, zagen we hem soms nog gekleed in z’n toga het schoolplein op komen rennen en moest hij, als hij eenmaal voor de klas stond en die zwarte jurk weer in een speciaal koffertje had gepropt, altijd eerst nog even een boterhammetje eten, alsof de aanblik van die kuil in de grond hem hongerig had gemaakt.

Vlak daarnaast had je het lokaal van mevrouw Woudstra, van Frans. Op de laatste dag voor de grote vakantie had ze een serie dia’s over de Dordogne vertoond, en was er na een opname van een vervallen bergdorp ineens een van een man met één arm te zien geweest. – “Míjn man,” had ze gezegd waarna het doodstil was geworden en het bij alle volgende dia’s leek alsof de eenarmige man levensgroot in de klas had gestaan.

Eén deur verder was het lokaal van mevrouw Schumacher, van Duits, met het glazen oog. Dat oog dat ik in gedachten altijd ‘het oorlogsoog’ noemde en waar ik bij iedere mondelinge beurt zo gefixeerd op raakte dat ik vergat om nerveus te zijn. Dat oog dat als ze kwaad was, in een donker gat veranderde, een mijnschacht waarvan je de bodem niet kon zien. Als het neonlicht erin terugkaatste, een andere kleur aannam en bij het Schicksallied van Hölderlin onaangedaan voor zich uitstaarde en daardoor droeviger leek dan het gewone.

Zo met het feest in volle gang, met op de achtergrond flarden muziek die af en aan galmden, drentelde ik doelloos trap op trap af, van de ene etage naar de andere, langs landkaarten en vitrinekasten, langs dat bronzen borstbeeld van Van Oldenbarneveldt met dat hoofd dat ze er destijds hadden afgehakt, trok hier eens een deur open en daar eens een deur open en gluurde die ruimtes binnen die overdag zo vol gevaren waren maar in het licht van de maan zo vredig leken.

De maan waarover m’n vader zei dat als hij het gevoel had dat het hele leven zich tegen hem keerde, hij er in gedachten op ging staan en vandaar naar beneden keek en dan een heel nietig mannetje zag met nog nietiger problemen. De maan die aan alles z’n ordening gaf, z’n plek en stilte. Daar helder in het oneindig zwart, zacht suizend om z’n eigen as draaide en als je er langer naar keek, in een ring ijzige damp leek te zijn gevat. Een gloed die ook het aquarium van het biologielokaal leek te omvatten – de vissen die fosforescerend heen en weer zwommen. Hun kleine, ronde ogen die ondanks dat ze wijdgeopend waren, net als het oorlogsoog van mevrouw Schumacher, niets leken te zien.’

 

… And so it was that later
as the miller told his tale
that het face, at first just ghostly
turned a whiter shade of pale…

 

 

Fragment uit Trapezejaren – E. Van Halteren