Hoe ziet een leefbare wijk eruit volgens de overheid? Veel groen natuurlijk, ruim opgezet, ver van snelwegen. En oja: geen Nederlanders met een niet-Westerse achtergrond. Want ook dat is een van de indicatoren van de 'Leefbaarometer', die de leefbaarheid van onze wijken meet.


Wat is de afstand tot de dichtstbijzijnde pinautomaat bij jou in de buurt? En het dichtstbijzijnde theater of bos? Hoeveel twee-onder-een-kapwoningen zijn er in jouw wijk? Staat er een met zijn wieken zwaaiende luchtturbine of ligt er een spoor in de buurt? Hoeveel fysiotherapeuten zijn er in een straal van één kilometer vanaf je huis? Slechts een greep uit de vragen die nodig zijn om de leefbaarheid van jouw wijk of buurt te bepalen.

wat bepaalt leefbaarheid?

Leefbaarheid wordt op landelijk niveau gemeten met de Leefbaarometer, aan de hand van honderd indicatoren. Zoals: de afstand tot de snelweg of een hoogspanningskabel, het aandeel groen in een buurt of de toegang tot onderwijs en gezondheid. Logisch, zou je zeggen. Als je verhuist, wil je weten waar je terechtkomt, en voor een beleidsmaker is het handig om er beleid op te baseren. 

Niet zo gek dus dat het ministerie van Binnenlandse Zaken in 2002 de Leefbaarometer in het leven riep. Een instrument bedoeld om voor heel Nederland per buurt in kaart te brengen hoe prettig het wonen is.

Toch is er iets geks aan de hand met de Leefbaarometer. Eén van die indicatoren, zo valt te lezen in de methodiek, is de afkomst van de bewoners. Het aandeel Turken, Surinamers, Marokkanen en Midden- en Oost-Europeanen in een wijk, wordt - nog steeds - gebruikt om te voorspellen hoe leefbaar een bepaalde buurt is. 

Nogal gek natuurlijk. Hoe komt zoiets anno 2020 nog in een tool van de overheid terecht?

‘de makers van de Leef- baarometer lijken me geen racisten'

de kaart benadeelt bepaalde groepen

‘De makers van de Leefbaarometer lijken me geen racisten’, zegt stadsgeograaf Cody Hochstenbach, die eerder onderzoek deed naar het ontstaan van de Leefbaarometer. De makers van het instrument, zo zegt Hochstenbach, zijn op zoek naar een model met een zo groot mogelijke voorspellingskracht. Zij zullen zeggen dat er hooguit sprake is van een correlatie, en niet per se een causaal verband. 

‘Die correlatie is immers eerder een indicator voor de lage kansen die deze groepen krijgen, in plaats van dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor die lage leefbaarheid,' aldus de stadsgeograaf.

‘Maar de gebruiker ziet gewoon een aantrekkelijke kaart,’ vervolgt Hochstenbach. ‘Er is dus een discrepantie tussen de makers, die zich heel bewust zijn van de beperkingen van het model, en de gebruikers die geen idee hebben wat er in het model zit. 

'Want als je als beleidsmaker een buurt eenmaal als probleem bestempeld hebt, dan ontkom je er niet aan om met een oplossing te komen. Die oplossing is dan het doorbreken van die bevolkingssamenstelling. Door goedkope huurwoningen te slopen en vervangen door duurdere koopwoningen, die over het algemeen zijn voor een rijker en witter publiek. Daar zit niet per se een bewust racistische gedachte achter. Maar het benadeelt mensen met een migratie-achtergrond bovengemiddeld.'

Bron: Leefbaarometer, ‘Leefbaarheid in beeld 2012-2014’, p. 47

Ook datawetenschapper Gerwin van Schie, die al drie jaar promotieonderzoek doet naar raciale vooroordelen in Nederlandse datasystemen, vindt het gek dat de etnische indicator tot op de dag van vandaag een rol speelt. ‘Ook die correlaties doen er niet toe,' zegt hij. 'Waar het om gaat is de vraag waarom je leefbaarheid überhaupt zou ophangen aan dat soort kenmerken. Ik kan niet bedenken waarom dat niet racistisch is.’
 

'deze racistische ideeën zitten zo ingebakken in ons beleid, dat we ze nauwelijks kritisch bevragen’

leefbaar volgens wie?

Daarnaast is er volgens beide wetenschappers een groter probleem met het begrip leefbaarheid. In de methodiek is de gebruikte definitie: ‘Leefbaarheid is de mate waarin de omgeving aansluit bij de eisen en wensen die er door de mens aan worden gesteld’. 

Maar om welke wensen en eisen gaat het hier? Eisen en wensen van wie? Door alles wat afwijkt van de norm een negatieve score op de leefbaarheid te geven, wordt geïmpliceerd dat het hier gaat om een witte Nederlander, met een baan en een ‘normale’ huur- of koopwoning, zegt Van Schie. ‘Wat zo’n kaart doet is alles wat anders is dan ‘de norm’ kwantificeerbaar maken.’ Zo wordt het beeld van wat de zelfverklaarde normale mens als leefbaar ziet, via de Leefbaarometer gelegitimeerd.

Ook Hochstenbach denkt dat het wereldbeeld en het perspectief van de opstellers van het meetinstrument onbewust een rol hebben gespeeld. Zo werden in een eerdere versie van de Leefbaarometer inbraken niet meegeteld, omdat die vooral in rijke wijken voorkomen. Dat paste niet bij het idee dat de onderzoekers bij leefbaarheid hadden.

Bovendien wordt de tool veel gebruikt door beleidsmakers, ook weer voor het overgrote deel hoogopgeleide en goed verdienende witte mannen. ‘Omdat de score uit de Leefbaarometer aansluit op het idee dat veel beleidsmakers al hebben, en daar vervolgens beleid op wordt gebaseerd, zit institutioneel racisme op die manier ook verwerkt in het Nederlandse woonbeleid. Het racistische idee dat de oververtegenwoordiging van mensen met migratieachtergrond problematisch is, zit zo ingebakken in ons systeem en daarmee in ons beleid, dat we ze nauwelijks kritisch bevragen.’

kritiek in de wind geslagen

Moet de conclusie dus zijn dat de opstellers van de Leefbaarometer onbewust hun eigen vooroordelen aan het bevestigen waren? Zeker niet, zegt Van Schie. De Leefbaarometer werd voorafgaand aan publicatie in een aantal gemeenten getest. Het meewegen van de bewoners-afkomst leidde in een aantal grote steden tot opgetrokken wenkbrauwen.

‘Dat vind ik misschien nog wel het allerkwalijkste,’ stelt Van Schie. ‘De makers zijn nog vóór de Leefbaarometer in werking ging, gewezen op de kritiek, en hebben deze in de wind geslagen. Het systeem zou prima werken als de afkomst van de bewoners niet was opgenomen.’ 

'het moet duidelijker zijn met welke doelen, met wie en voor wie de Leefbaarometer is gemaakt’

is verantwoording genoeg?

Hoe doorbreken we dit patroon dan wél? Wat de Leefbaarometer betreft, moet er volgens Van Schie meer verantwoording worden afgelegd. Zo zegt hij: ‘Het moet duidelijker zijn met welke doelen, door wie en voor wie zoiets als de Leefbaarometer is gemaakt.’ 

‘Voor politici is het vanzelfsprekend dat er verantwoording wordt afgelegd, maar bij cijfers wordt er altijd gedacht dat deze wetenschappelijk en neutraal zijn. Maar cijfers zijn verre van neutraal. Ook cijfers zijn gebaseerd op een heel politiek systeem, wat niet per definitie verkeerd is, maar je moet er wel eerlijk over zijn,’ aldus Van Schie. 

Die eerlijkheid zal uiteindelijk alleen maar ten goede komen: ten eerste zorgt het voor transparantie naar het publiek, en ten tweede zorgt verantwoording over de gekozen normen en waarden voor reflectie onder de makers van tools, zoals de Leefbaarometer. Van Schie: ‘Daarmee dwingen we de makers van bijvoorbeeld de Leefbaarometer om zo hun eigen dubieuze keuzes onder ogen te zien, waarna er misschien wel twee keer wordt nagedacht, voordat deze gepubliceerd worden.’ 

reactie van het ministerie

Na herhaaldelijk aandringen op een reactie kwam de woordvoerder van het ministerie van Binnenlandse Zaken met de volgende reactie:  

'De Leefbaarometer wordt eind 2020 / begin 2021 herijkt. Ook alle indicatoren worden dan tegen het licht gehouden. [...] Dat betekent dat ook het gebruik van gegevens over specifieke groepen met een migratieachtergrond in de nieuwe Leefbarometer 3.0 wordt heroverwogen.'

identiteit, cultuur en seksualiteit

6 items


In een geglobaliseerde wereld is het antwoord op de vraag ‘wie ben ik?’ complex. Concepten als global village en ‘multiculturele samenleving’ hebben afgedaan. We identificeren ons nu met groepen gebaseerd op seksuele oriëntatie, nationale trots of religie. Gaan we elkaar ooit weer vinden? Wordt iedereen gezien?

Dossier