Natuur als wingewest

, Hans van Wetering

Er gaan steeds meer stemmen op voor marktwerking in de natuur. Niet wenselijk, vind Frans Vera, een van de bedenkers van de Oostvaardersplassen. 'Waarom kunnen we niet genieten van de natuur op basis van solidariteit?'

Aan de Wageningen Universiteit is een project gestart met als doel het in geld uitdrukken van de bijdrage van de natuur aan de Nederlandse economie. Ecosysteemdiensten is de term die hiervoor is gemunt; te verdelen in productiediensten (hout voor de bouw, water voor drinkwatervoorziening), regulerende diensten (bestuiving door bijen, bijvoorbeeld ten behoeve van fruitteelt, planten voor kustbescherming), en ten slotte zijn er nog de ‘culturele diensten van natuur’ (recreatie: banen).

Een eeuwigheid, al probeert de milieu­beweging beleidsmakers ervan te doordringen dat de manier waarop wij mensen met de natuur omgaan ingrijpend moet veranderen – zonder veel resultaat. De reden daarvoor, volgens een stroming binnen de wereld van de natuurbescherming die sinds een aantal jaren terrein wint (en inmiddels leidende strategie is van The Nature Conservancy, het Amerikaanse equivalent van onze Vereniging Natuurmonumenten en de grootste natuurbeschermingsorganisatie op het westelijk halfrond) is dat de ideologische argumenten waarmee de zaak van de natuur werd bepleit niet werken in een wereld waarin beleidsbeslissingen zijn gebaseerd op data-analyse en statistieken. De oplossing: bereken de monetaire waarde van natuur, stel zogeheten ‘natuurlijke kapitaalrekeningen’ op, geef de natuur – of ‘green infrastructure’, zoals het binnen het nieuwe paradigma heet – een eigen boekhouding. Alleen dan zullen beleidsmakers je verstaan.

The Nature Conservancy

Klinkt mooi, zeggen tegenstanders van dit nieuwe denken, maar het werkt niet. De hoeveelheid hout die een bos oplevert, kun je prima berekenen, maar veel andere waarden zijn nattevingerwerk – de cijfers zullen dus altijd worden betwist, en ten nadele van de natuur uitvallen. De natuur heeft bovendien ook nog zoiets als intrinsieke waarde – schoonheidsbeleving bijvoorbeeld, maar ook simpelweg het bestaan ervan, los van de mens – die zich niet in cijfers laat uitdrukken en daardoor plotseling ophoudt argument te zijn. Het overnemen van de taal en methoden van het neoliberale marktdenken zal juist machteloosheid tot gevolg hebben. En dat, zeggen sommigen, is misschien ook wel de geheime missie. Kijk maar: The Nature Conservancy wordt geleid door een voormalig bankier van Goldman Sachs, de bank JPMorgan Chase & Co. is een belangrijk financier – het gaat hier in werkelijkheid om de ontdekking van natuur als nieuw wingewest. Wat het denken in ecosysteem-diensten in werkelijkheid doet is de natuur nog dieper in het systeem integreren dat het kapot heeft gemaakt; een systeem waarin ecologie niets is dan een economische hulpbron. Om de natuur te redden moeten we ons daar juist van afkeren.

Fokhengst

De weg is verlaten, de landbouwpercelen als langs een liniaal getekend. Een enkele megastal, een perceel koolzaad. Een zwerm spreeuwen scheert over de weg, duikt dan omhoog over de rij bomen die de weg afzoomen. De weg begint te kronkelen. De Oostvaardersplassen.

‘Weet je wat mij altijd heeft verbaasd? We zouden nooit melkkoeien hebben gehad zonder oerrunderen, we zouden nooit varkens hebben gehad zonder wilde zwijnen, we zouden geen cultuurland hebben gehad als er niet eerst natuur was geweest. Maar dat wordt nooit gerekend tot de waarde van de natuur. Dat vind ik zo vreemd. En dan moeten we nu van het restantje dat we over hebben, gaan beargumenteren dat het waarde heeft, terwijl we net doen alsof we al die andere dingen ‘om niet’ hebben kunnen gebruiken.’

Aan het woord is Frans Vera, bioloog, een van de bedenkers van de Oostvaardersplassen, een natuurgebied van zo’n 5600 hectare tussen Almere en Lelystad in de Nederlandse provincie Flevoland, bestaand uit moeras, rietvlaktes en graslanden.

We rijden over een pad in dat deel van de Oostvaardersplassen dat niet voor publiek toegankelijk is. Een schitterend steppelandschap, ruig, hier en daar dode bomen die als wrakhout uit de bodem steken. In de verte staan wat runderen op een kluitje. Het zijn wilde heckrunderen.

‘De dieren kennen elkaar,’ zegt Vera, ‘door de sociale structuur leven ze geclusterd, dit is zoals het in de natuur gaat; dat zie je in de landbouw niet. De Oostvaardersplassen laten zien wat het oplevert als je het beetje natuur dat we nog hebben opnieuw tot ontwikkeling laat komen en we ons onthouden van het ingrijpen in datgene wat de problemen heeft veroorzaakt. Er broeden hier nu zeearenden, dat was ongedacht, zilverreigers keerden terug, massa’s andere broedvogels. Het laat ons zien hoe edelherten leven, hoe paarden en runderen leven als ze naar hun eigen natuur mogen leven. En naar de eigen natuur betekent: dat een merrie niet wordt gedwongen door een bepaalde fokhengst gedekt te worden omdat we zo nodig zijn erfelijke eigenschappen willen hebben, dat een koe niet na vijfeneenhalf jaar naar het abattoir gaat, dat niet bij elke koe het kalf wordt weggenomen, dat er ook nog zoiets bestaat als stieren, die nu dus alleen maar in de kunstmatige inseminatie zitten, en dat de bevruchting van een koe een heel ceremonieel is tussen die stier en die koe, en niet een dierenarts die tot zijn elleboog in de vagina van de koe gaat om te voelen hoe of wat en daar dan een rietje inbrengt met sperma van een andere stier.’

Abattoir

Maar niet iedereen is zo verguld met die natuurlijke manier van leven. Het gebied zorgt om de zoveel tijd voor heftige discussies, en drong zelfs meermalen tot in de Tweede Kamer door, omdat de wijze van beheren onder de grote hoefdieren – de konikpaarden, de heckrunderen, de edelherten – grootschalig dierenleed tot gevolg zou hebben.

‘Ja,’ zegt Vera, ‘dan wordt er geroepen dat de dieren in de winter massaal creperen. De sterfte is echter niet anders dan in andere natuurgebieden. Het probleem is dat we allemaal zijn opgegroeid met het idee dat dieren niet mogen doodgaan, behalve in het abattoir. Sommige mensen willen ervan af omdat ze vinden dat dieren moeten leven zoals thuis een kat, die ze de hele dag met worstjes voeren tot z’n buik over de grond sleept. En als we dan hier de dieren laten leven zoals hun eigen natuur is, dan schreeuwen de mensen moord en brand. Dan is het zielig, dierenwreedheid. Ze worden hier geconfronteerd met een normen- en-waardenstelsel dat tegen ze zegt: ja, maar het normen-en-waardenstelsel dat jullie erop nahouden is abnormaal. Als we het dan over waarde van de natuur hebben: de waarde van dit gebied is dat het ons een spiegel voorhoudt.’

Hoog in de lucht een enorme vogel. ‘Kijk, de zeearend! Wat een beest, hè! Je boft.’ We rijden verder: een zilverreiger, een paar buizerds, een slechtvalk, een torenvalk (‘roofvogels eten spreeuwen en vinken, en kleine vogeltjes zit het hier vol mee’). We komen bij een kudde witte wilde paarden. Ze staan bij elkaar in de vlakte, een betoverend plaatje.

We zouden nooit melkkoeien hebben gehad zonder oerrunderen en geen cultuurland als er niet eerst natuur was geweest

Frans Vera

Vliegveld

Of de Oostvaardersplassen die – nooit te kwantificeren – spiegelfunctie tot in de verre toekomst zullen kunnen uitoefenen is ongewis. Tegenstand genoeg. In sommige landbouwkringen worden de Oostvaardersplassen gezien als een volstrekte verspilling van prima landbouwgrond. Jagers kunnen niet wachten tot het moment dat ze het gebied in mogen. En dan is er nog iets anders: vliegveld Lelystad. In de Provinciale Staten van Flevoland werd begin dit jaar een plan gepresenteerd om de Oostvaardersplassen om te vormen tot ‘een toeristisch aantrekkelijk gebied met veel wandel- en fietsroutes’, en daarvoor zou het aantal dieren sterk moeten worden teruggebracht. Maar de echte beweegreden achter het plan is volgens Vera dat de Oostvaardersplassen een belemmering vormen voor de uitbreiding van het vliegveld.

‘Ze willen dat het beheer van het natuur­gebied wordt afgesteld op het vliegveld in plaats van omgekeerd. Maar dat kan helemaal niet, dit is een beschermd natuur­gebied! Het gaat ze om de ganzen. Bij Schiphol worden die in een ring van twintig kilometer allemaal afgeschoten, maar vliegveld Lelystad ligt maar zes kilometer van de Oostvaardersplassen af. Nou, ik kan wel een scenario bedenken: het vliegveld wordt in gebruik genomen met vakantievluchten, er vliegen ganzen in de motoren, een vliegtuig stort neer of moet een noodlanding maken. En dan wordt er gezegd: ja, dat vliegveld is een zwaar maatschappelijk belang, dat weegt zwaarder, dus we gaan nu toch even die Oostvaardersplassen aanpakken. Dan gaan ze die ganzen schieten, of halen ze alle grote grazers weg, want dan verdwijnen die ganzen vanzelf ook, omdat er dan geen grasland meer is; dan wordt het een moeras dat niet te beheren is, want als de runderen het niet meer begrazen moet je riet gaan maaien, en dat kost een vermogen. Zie je wel, zeggen ze dan, we kunnen ons dit niet permitteren; dat hebben we altijd al gezegd. En ja, je kunt er natuurlijk zo weer landbouwgrond van maken, dat is geen enkele moeite.’

Kerkuil

We zien nog een vos die doodgemoedereerd op een paar meter afstand verbaasd naar ons blijft kijken (er wordt hier niet gejaagd, legt Vera uit, hij heeft van ons niets te vrezen) en zien een edelhert zich majestueus verheffen. Dan zijn we terug bij het beheergebouw, dat tijdelijk in een noodkantoortje is gevestigd, want het oude gebouw wordt gesloopt, al moet dat nog even wachten; een kerkuil heeft zich in de nok gevestigd, en dus moet een vergunning aangevraagd, nestkasten opgehangen om de uil weg te lokken. Vera lacht: ‘Het gevaar van het rigide toepassen van dit soort wetten is dat het een soort zwaard van Damocles wordt, je valt in je eigen zwaard.’

‘Kijk,’ zegt Vera, ‘ze hebben eens uitgerekend wat de waarde is van de Oostvaardersplassen voor de woningmarkt. Dat bleek iets van 200 miljoen te zijn. Mensen blijken plotseling veel meer geld over te hebben voor hun huis. Maar wat zegt die waarde? De makelaars, de verkopers van die huizen steken het in hun zak. Een camping naast zo’n gebied bestaat bij de gratie van dat gebied, maar van de toeristenbelasting die wordt geheven vloeit niets terug naar de Oostvaardersplassen. Overal ter wereld wordt in natuurgebieden toegang geheven. Maar dat wil men niet. Terwijl, als de natuur geld op moet brengen zonder dat we er vakantiehuisjes en dat soort zaken in gaan bouwen, dan zeg ik: ja, doe dat maar. Maar we kunnen natuurlijk ook zeggen met z’n allen: we profiteren van wegen, we profiteren van een leger dat ons beschermt, en dat slaan we hoofdelijk om, via de belasting. Ons zorgstelsel is gebaseerd op solidariteit; waarom kunnen we het genieten van de natuur niet ook op basis van solidariteit doen?’