Utopia op Tristan da Cunha

Marnix Koolhaas

Hoe sluiten we dat verdomde winststreven nou eens en voor altijd uit onze samenleving? Op dit piepkleine vulkaaneiland slaagt de gemeenschap er al zo’n 200 jaar in om als een succesvol burgercollectief te leven.

Coöperaties, communes, burgercollectieven: ze lijken een vanzelfsprekende oplossing om het kapitalistische winstmonster dat de aarde te gronde richt een halt toe te roepen. Maar vaak mislukken alle goed bedoelde pogingen om het anders en collectiever aan te pakken en krijgt de “vrije markt” met al zijn ongewenste uitwassen het weer voor het zeggen.

Toch bestaat er op de wereld één gemeenschap die er al zo’n 200 jaar in slaagt om als een soort vanzelfsprekend collectief zonder overmatig winstbejag vredelievend én tamelijk welvarend en gelukkig samen te leven: de op dit moment uit 254 zielen bestaande bewoners van het Zuid-Atlantische vulkaaneiland Tristan da Cunha. Het zijn de meest afgelegen bewoners ter wereld: hun naaste buren wonen 2435 kilometer noordelijker op het klimatologisch heel wat prettiger St. Helena. Is hun isolement soms het geheim van hun succesvol “burgercollectief”?

Uitzicht op Tristan da Cunha vanaf het visserschip de Hekla (1996)

Met dank aan Napoleon raakte Tristan da Cunha permanent bevolkt. Toen de Franse generaal uiteindelijk zijn definitieve Waterloo had gevonden, besloten de geallieerde overwinnaars Napoleon te verbannen naar St. Helena. Dáár zou het hem in geen geval lukken wat hem in 1815 nog wel gelukt was: ontsnappen van een eiland. Anders dan Elba ligt St. Helena volkomen geïsoleerd in de Atlantische Oceaan. De enig mogelijke ontsnappings- of bevrijdingspoging die de Britten konden bedenken zou via het onbewoonde Tristan da Cunha moeten gaan, een in 1506 door een Portugese zeevaarder met die naam ontdekt eiland. Om ook die bevrijdingsmogelijkheid uit te sluiten, legerden de Britten in 1816 een garnizoen soldaten op het eiland. Ze kregen wat vee mee, wat hengels en wat pootaardappelen, en moesten het verder maar uitzoeken.

Binnen een jaar zagen de Britten het zinloze van het garnizoen op Tristan in en trokken het terug. Tot hun verbazing vroegen drie soldaten permissie om achter te mogen blijven op het eiland. Ondanks het barre klimaat -Tristan ligt midden in de “rouring fourties” en wordt permanent geteisterd door stormen-  vonden korporaal William Glass en twee van zijn maten alles beter dan terug te keren naar weer een nieuw Europees slagveld. Bovendien had Glass uit Kaapstad zijn vrouw Maria Leenders (dochter van een Hollandse koopman en een zwarte bediende) en twee kinderen naar Tristan gehaald. De drie mannen wilden op het eiland een ideële gemeenschap stichten naar het motto van de Franse Revolutie: “Vrijheid, gelijkheid en broederschap”. Alles wat het land en opbracht kwam in principe de hele gemeenschap ten goede. Elk gezin had recht op een huis waar iedereen aan meehielp om het te bouwen, en verder diende iedereen zich “naar vermogen” voor de gemeenschap in te zetten. Omdat de Britten formeel geen macht over Tristan bezaten, werd met de “grondwet” van de drie mannen in 1817 feitelijk een onafhankelijke coöperatieve samenleving gesticht.

Op papier zag het er allemaal mooi uit, maar zolang alleen korporaal Glass over een vrouw beschikte zat er niet veel schot in de coöperatie, ondanks het feit dat er regelmatig drenkelingen van walvisvaarders aanspoelden die zich bij de gemeenschap aangesloten. Maar ook dat waren mannen. Gelukkig kwam daar snel verandering in. Een zekere kapitein Ham, die regelmatig Tristan aandeed om goederen te ruilen (met name zaden, gereedschap en bouwmateriaal) tegen de uitstekende aardappelen die de kersverse “settlers” wisten te verbouwen, onderkende het probleem en bedacht een list.

Op 12 april 1827 verscheen plotseling de Duke of Gloucester van kapitein Ham voor de rede van Tristan. De lading was uiterst verrassend. Op St. Helena, destijds een belangrijke slavenmarkt, had hij vijf slavinnen vrijgekocht (of “gepikt”, de bronnen zijn onduidelijk) en hen een nieuw leven op Tristan aangeboden. Eén van de vrouwen nam zelfs nog vier dochters mee! Op basis van anciënniteit kozen de mannen een echtgenoot. De vrouwen schikten zich moeiteloos in hun nieuwe rol. De huwelijken, zo zou de geschiedenis leren, zouden gelukkig én vruchtbaar blijken te zijn. Scheidingen kwamen niet voor, en jaarlijks groeide de gemeenschap met nieuw bloed.

Ook de uit Katwijk afkomstige matroos Pieter Groen, die met de walvisvaarder Emily in 1836 op Tristan strandde, besloot er te blijven. Hij trouwde Mary Jacobs, die negen jaar eerder met haar moeder en drie zusters door kapitein Ham naar Tristan was gebracht. Ook dit huwelijk zou gelukkig én vruchtbaar blijken te zijn, ondanks de dood van hun vier zoons bij een mislukte reddingspoging van een schip in nood. In een brief uit 1889 aan zijn zus Pietje in Katwijk omschrijft Groen, die zich in Tristan Peter Green was gaan noemen, zijn dan 73-jarige vrouw als “sterk en gezond” en “met nog weinig grijze haren”. Als opvolger van William Glass als “aanvoerder” van de gemeenschap (Groen weigerde zich “gouverneur” te laten noemen) speelde Groen/Green een belangrijke rol in de vreedzame ontwikkeling van de gemeenschap die in zijn tijd tot zo’n 80 bewoners zou uitgroeien.

Het dorp op Tristan gezien vanaf de vulkaan (1996)

Als ik op 18 september 1996 na een hectische boottocht van acht dagen vanuit Kaapstad voet op Tristanse bodem zet, kijk ik m’n ogen toch wel even uit. Boven me rijst een enorme vulkaan zo’n 2000 meter uit de zee op. Het enige vlakke stuk land waarop de bewoners kunnen leven, beslaat niet meer dan een stuk grasland van zo’n zes kilometer lang en een paar honderd meter breed. De rest van het eiland bestaat uit onbegaanbare steile kliffen waar de metershoge golven vrijwel permanent tegenaan beuken en de albatrossen omheen cirkelen. Ongeveer een kwart van het vlakke stuk land herbergt de woonhuisjes voor de dan 280 inwoners, een schooltje, een winkel, een werkplaats, een café, een visfabriek, een ziekenhuisje, een gouvernementshuis (de Engelsen hebben Tristan in 1918 uiteindelijk toch officieel ingepikt) en twee (!) kerken: een Anglicaanse en een Rooms Katholieke.

En natuurlijk is er de levensader van het eiland, een piepklein haventje van waaruit gemiddeld eens in de drie dagen, als de wind en de golven een zogeheten “fishingday” toelaten, zo’n dertig piepkleine bootjes uitvaren om kreeft te gaan vangen. Want dat is, mét de postzegels die worden uitgegeven, het enige exportproduct van Tristan. Want geheel zelfvoorzienend is Tristan niet. Elk gezin –de natuurlijke eenheid van de gemeenschap- heeft recht op een beperkt aantal koeien en schapen. Dat aantal wordt bepaald door de beschikbare hoeveelheid weidegrond. Verder mag iedereen bij de “potato patches”, zo’n vijf kilometer lopen vanaf het dorp, naar eigen believen een stuk grond in gebruik nemen om er aardappelen of groenten te verbouwen. Verwaarloost men zijn grond, dan mag een ander het in gebruik nemen. Ruilhandel zorgt ervoor dat iedereen in zijn basisbehoefte kan voorzien. En hoewel formeel een Britse “Administrator” de baas is over het eiland, bepaalt in feite de uit acht gekozen leden van de “Island Council” het beleid op het eiland.

Tijdens mijn bezoek, dat uiteindelijk acht weken zou duren (ik moest weer mee terug met de vissersboot waarmee ik ook gekomen was), wilde ik vooral onderzoeken was of de ooit zo utopisch gestichte samenleving nog werkelijk zo functioneerde. Feitelijk wilde ik antwoord op de vraag: is de mens in staat om het collectieve belang boven het eigenbelang te stellen? Na al die weken waarin ik gastvrij onderdak kreeg bij het pas getrouwde stel Karl en Julia Hagan, en ik, voor zover weer en wind dat toeliet, het dorp rond liep en hier en daar een praatje maakte, kon ik niet anders dan erkennen dat in deze uithoek van de wereld zich een samenleving had ontwikkeld waarin het eigenbelang en het winstbejag op geen enkele manier maatgevend was. Natuurlijk, niet iedereen was gelijk, en wie zich niet, zoals in 1817 door de “founding fathers” al was vastgelegd, “naar vermogen” inzette voor de samenleving, verloor ook het recht om mee te delen in de collectieve welvaart. Maar ook deze “drop outs” vonden zo nu en dan een mutje aardappelen, een moot vis of een schapenlever voor de deur. En voor de echte oudjes werd vanzelfsprekend zo goed mogelijk gezorgd. Vrijwel nergens ter wereld worden mensen zo oud als op Tristan. Velen halen de honderd. Pieter Groen stierf in 1902, bijna 94 jaar oud. En dat in een barbaars klimaat zonder medische voorzieningen.

Winnie en Nelson Green (1996)

Niet iedereen op Tristan is dus volkomen gelijk, maar het tentoonspreiden van rijkdom of bezit wordt zeker niet gewaardeerd. Tijdens mijn verblijf verbaasde ik me al snel over een groot leegstaand huis aan de rand van het dorp. Als ik er naar vroeg kreeg ik slechts ontwijkende antwoorden. Pas op de laatste dag van mijn verblijf vertrouwde mijn gastvrouw Julia me de reden toe van dit monsterlijke karkas. Het bleek het geplande huis van een Tristanniet die zo’n dertig jaar in Engeland had gewoond en gewerkt en nu z’n oude dag op Tristan wilde komen slijten. Dat recht heeft elke op Tristan geborene. Maar toen de bewoners zagen dat een uit Kaapstad overgekomen bouwbedrijf een kapitale villa voor hem uit de grond wilde stampen, was de verbijstering groot. Wat er precies is gebeurd wilde Julia me niet vertellen, maar duidelijk was wel dat de remigrant niet meer op het eiland verbleef en er ook niet meer zou terugkeren. Als symbool van de gelijkheid wordt het betonnen karkas nu langzaam door de “flax”, het helmgras waar vroeger de daken mee werden bedekt, overwoekerd. Op deze plek zal nooit meer iemand gaan wonen.

Kleuterklas op Tristan (1996)

Ook de schoolkinderen worden in het kleine dorpsschooltje vanzelfsprekend in “gemeenschapszin” opgevoed. Bang voor de buitenwereld zijn ze geenszins. Wie goed kan leren krijgt alle mogelijkheden om in Zuid Afrika of het Verenigd Koninkrijk verdere opleidingen te volgen. Tristan profiteert daarbij van zijn unieke geografische ligging. Met het toenemen van de illegale visserij en de globale opwarming is Tristan steeds belangrijker als oog en oor om de milieuontwikkelingen in deze uitwijk van de wereld in de gaten te houden. Met snelle boten en moderne radarapparatuur controleren de bewoners de omliggende wateren op illegale visserij of dumping van afval. Ook onderzoeken ze de unieke flora en fauna op hun eiland en de drie bijbehorende onbewoonde eilanden. Daarbij maken ze zich vooral zorgen over de mogelijke invloed van vervuiling en opwarming van het zeewater op de kreeftenstand. Want dat is en blijft de economische kurk van deze unieke gemeenschap op aarde. Vooral rijke Chinezen betalen een vermogen voor de “Tristan Lobster,” die als één van de beste en lekkerste ter wereld wordt beschouwd. Het zal de bewoners worst wezen. Zij zweren al meer dan twee eeuwen bij hun traditionele “Potato-cake”, symbool van eenvoud en collectiviteit. “Aunt” Ellen Rogers, die in september honderd hoopt te worden, kijkt er nu al naar uit.

Beluister hier het radio-tweeluik dat Marnix Koolhaas in 1996 maakte over zijn bezoek aan Tristan da Cunha.