De 20e eeuw

, Melchior Huurdeman

De 20e eeuw

Melchior Huurdeman ,

de eeuw waarin het strijkkwartet loskomt van zijn wortels

Vrije Geluiden werd getriggerd door de eerste Internationale Strijkkwartet Biënnale, in Amsterdam van 27 januari tot en met 3 februari 2018. Strijkkwartetten moeilijk? Ondoorgrondelijk? Welnee! Zeker in de afgelopen eeuw wordt het strijkkwartet een subtiel maar meeslepend avontuur. Van de lichtvoetigheid van Claude Debussy (foto hiernaast) tot de exorbitante avonturen van Karlheinz Stockhausen die een strijkkwartet schreef voor vier musici in evenzoveel helikopters. In zijn recente boek Het Strijkkwartet stelt Leo Samama dat de kwartetkunst in de 20e eeuw tot de canon van de westerse cultuur was gaan behoren, en dat had tot gevolg dat menige componist met enige schroom het grondgebied van het strijkkwartet betrad.

Melchior Huurdeman reflecteert hieronder op het strijkkwartet in de afgelopen eeuw.

Volgens mij zit het strijkkwartet in de lift: boeken, artikelen en een heuse Biënnale. Op het Internet staan tot mijn verbazing ook steeds meer ‘strijkkwartetten te huur’. Zoals deze, voor doordeweekse dagen of voor de kerstavond: ‘Een strijkkwartet is chique, uniek en stijlvol! Ons repertoire varieert van barokmuziek tot aan heden, van de Canon van Pachelbel tot aan nummers van Bruno Mars en Coldplay. Plechtige stemmige muziek voor tijdens een ceremonie. Sfeervolle, vrolijke muziek voor als de champagne vloeit. Door een strijkkwartet in te huren krijgt u het volste en meest complete geluid zoals de componist dat in gedachten had.’

Met die laatste zin kunnen we wel heel veel kanten op.

Persoonlijk heb ik met de klank van het strijkkwartet een haat-liefde verhouding. Waarom?

Gek genoeg zit de haat meer bij de klassieken, natuurlijk met alle respect, dan bij de kwartetten vanaf de voor mij ineens veel heilzamere klank van Debussy’s compositie voor vier strijkers. Open en transparant en niet die beknellende klank van zijn Duits-Oostenrijkse vakgenoten van weleer. Nu lag de Duitse muziek Debussy in het geheel niet en misschien was het wel een poging het kwartet een beetje uit zijn onwrikbare harnas te peuteren. Dat lukte hem in het jaar 1893. De Fransman boog zich dus al in het begin van zijn carrière over het fenomeen strijkkwartet. Hij wilde blijkbaar al vroeg afrekenen met de lakmoesproef voor iedere zichzelf respecterende componist.

 

Componist Paul Dukas hoorde het werk (opus 10) een jaar later en schreef: ‘De vorm is buitengewoon vrij, maar alles is duidelijk en precies gestructureerd. De melodische essentie van het werk is bondig maar rijk genuanceerd… De harmonie is uitermate gedurfd, maar geen moment aangenaam om te horen of onsamenhangend.’ Goed verhaal man! Debussy was in zijn tijd een vent van afwijkingen, hij die een prachtig verkeerde route kon nemen op weg naar de zon en een verkeerd lopende schaakpartij zeker en vast tot een goed einde bracht.

Reizen we verder door de 20e eeuw dan komen we langs de belangwekkende kwartetten van Arnold Schönberg, Alban Berg en Anton Webern. Van laatstgenoemde is zijn Kwartet uit 1905 een mooi voorbeeld van hoe een opening te breien van laatromantiek via leermeester Arnold Schönberg naar zijn eigen puntige 12-toonsmuziek. In de bovenstaande video is dat het tweede stuk (de latere strijkkwartetten van Webern zijn zó compact dat ze met gemak op 1 cd passen!).
Net als Webern verliet ook Bartók, rond diezelfde tijd, de laatromantiek in zijn eerste kwartet, om daarna een geheel eigen taal te ontwikkelen. Met het integreren van de Hongaarse en Bulgaarse volksmuziek en het uitbreiden van het tonale palet van de strijkinstrumenten.

De echte liefde voor de strijkkwartetklank is mij ingegoten door het kwartet dat garant stond voor de muziek van Béla Bartók, het Végh Quartet. Opgericht in 1940 toen Béla Bartók net was vertrokken naar New York om daar nog een aantal bittere jaren te verblijven en in eenzaamheid weg te kwijnen. Het zesde, en tevens laatste kwartet schreef Bartók vlak voor zijn vertrek uit Hongarije. Een duister en triest stuk, overschaduwd door de aanstaande ellende in Europa. Bartók legde met zijn kwartetten ook een persoonlijk dagboek vast, verdeeld over drie periodes van zijn leven. Primarus Sandor Végh, huisvriend van Bartok, heeft zijn kwartet 40 jaar bij elkaar gehouden in dezelfde bezetting. Helaas voor Bartók begon het Vegh Quartet pas in de jaren 50 met het maken van grammofoonopnamen. Dus daar heeft Végh zijn vriend nooit meer mee kunnen verblijden. Wel met het feit dat hij en zijn kwartet de muziek van Bartok overal ter wereld heeft gespeeld en verkondigd. Er weerklinkt in deze opnamen een vriendschappelijke ambitie die de muziek ten goede komt. De vaak weerbarstige muziek van Bartók verdient in vele gevallen een fluwelen handschoen. 

Strijkkwartetten die van verzamelen houden zijn verreweg te prefereren. Zo’n cd-box op je schoot, zittend in een makkelijke stoel en dan in een paar avonden door het leven van een componist wandelen is onbetaalbaar. Neem de 15 strijkkwartetten van Dmitri Sjostakovitsj, de in vele opzichten geplaagde en gekwelde Rus, die voor zijn 15e strijkkwartet, daterend uit 1974, de spelers als instructie meegaf het stuk zo te spelen dat de vliegen dood uit de lucht zouden vallen en het publiek uit verveling de zaal zou verlaten. De ‘Funeral March’ verried natuurlijk al veel, want met dit pijnlijk knagende deel bestelde hij in wezen al de plakjes cake voor bij de koffie van zijn eigen aanstaande begrafenis in 1975. Het lijden van een mens in vijftien kwartetten met hier en daar een lichtpuntje, folkloristische deuntjes, ironisch gekakel, humor waar niet echt om te lachen valt en toch ook weer wel. Die verrukkelijke cd-box op je schoot wordt gaandeweg toch wel heel erg zwaar, door alle kapotgeschoten gebouwen, gerommel van onrust, door een DSCH-motief uit zwart marmer gehouwen, door dood en verderf. En Sjostakovitsj begon zo opgewekt aan zijn eerste kwartet als vroege dertiger. Toch nog interesse? En wil je dit Sjostakovitsj-avontuur hoe dan ook aangaan? Dan zijn het Brodsky Quartet en Quatuor Danel aan te bevelen.

Een componist die ik niet veel draai maar wel een opmerkelijk kwartet de lucht in slingerde was Karlheinz Stockhausen, namelijk zijn Helikopter-Streichquartett. In 1995 beleefde dit stuk tijdens het Holland Festival zijn wereldpremière. De vier musici van het vermaarde Arditti String Quartet stegen elk op in een Alouette helikopter met piloot en stonden in verbinding met elkaar. Stockhausen droomde van het idee dat de propellors in geluid en ritme buitengewoon goed zouden mengen met de tremolo’s van de strijkers. Karlheinz zat zelf rustig in de zaal en draaide aan de knoppen om het geluid van helicopters en strijkers te mixen.  Het is vermakelijk om terug te zien, maar luisteren gaat me moeilijker af. Opmerkelijk was het bepaald wel, in de geschiedenis van het strijkkwartet. ​

De tekening 'Strijkkwartet' hieronder is gemaakt door Christine Brandenburg, altvioliste, dirigente van diverse (amateur)orkesten en tegelijk steeds meer tekenaar. Ze maakt (muziek)illustraties, ansichtkaarten en portretten in opdracht. Een indruk van haar werk vind je op haar website.

Melchior Huurdeman

Eindredacteur en oud-presentator van VPRO Vrije Geluiden, maar eigenlijk concertpianist... en ook weer niet.

advertentie