Paul Bremer

Laura Stribos ,

L. Paul “Jerry” Bremer (Hartford,1941) begint zijn carrière bij de Amerikaanse overheid in 1966. In de jaren zeventig bekleedt hij verschillende functies bij het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, onder andere als assistent van Henry Kissinger, de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken.

Van 1983 en 1986 is Bremer nog ambassadeur in Nederland geweest voor hij terugkeerde naar de Verenigde Staten om als speciaal ambassadeur te werken aan de ontwikkeling en invoering van Amerikaans beleid voor terrorismebestrijding. In 1989 verlaat Bremer de politiek.

Tien jaar later duikt Bremer weer op als voorzitter van de commissie terrorismebestrijding van het Huis van Afgevaardigden. Na de aanslagen van 9/11 benoemt president George W. Bush in 2002 Bremer als adviseur van de Commissie voor Binnenlandse Veiligheid.

Na de invasie in Irak in 2003 wordt Bremer door Bush aangesteld als tijdelijk bestuurder van Irak namens de Coalition Provisional Authority (CPA). Bremer fungeert van mei 2003 tot juni 2004 als een voorlopige autoriteit. De Amerikaanse regering maakt Bremer verantwoordelijk voor het tot stand brengen van ‘het nieuwe Irak’. Bremer is geen Midden-Oostendeskundige, maar wordt toch door Donald Rumsfeld, de minister van Defensie, tot bestuurder van Irak benoemd. Bremer is aangenomen op basis van zijn ervaring op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding, ook al sprak hij geen Arabisch en was hij nog nooit eerder in Irak geweest. Voor Rumsfeld was het belangrijk dat Bremer geen vooropgezette ideeën had over de ontwikkelingsmogelijkheden van deze regio. De meeste Midden-Oosten experts in het Witte Huis destijds waren namelijk vrij sceptisch over de democratisering van Irak.

Met de aanstelling van Bremer werd ook duidelijk dat Amerika het voornemen had om de bezetting van Irak voor een langere periode voort te zetten. Bremer kreeg de bevoegdheid over alle deposito’s van Irak om hiermee een nieuw politiek systeem te ontwikkelen, de veiligheid te waarborgen en de economie op gang te brengen.
Bremer ging van start en had het plan om alle restanten van het regime van Saddam Hoessein uit Irak elimineren. Alle ambtenaren die lid waren van Saddam’s Ba’ath Partij werden uit hun functie gezet. En hij ontbond het Iraakse leger, dat voorheen loyaal aan Saddam was geweest. Dit leidde ertoe dat honderdduizend Irakezen hun banen verloren en de bestaande infrastructuur grotendeels om zeep werd geholpen.

Critici van Bremer geven aan dat hij hier een verkeerde inschatting maakte, omdat de meeste ambtenaren tijdens het Saddam regime vermoedelijk niet uit vrije wil lid van de Ba’ath Partij waren geworden. De gecreëerde werkeloosheid zou er voor gezorgd hebben dat veel Irakezen zich aansloten bij de opstandelingen. Ondanks de vele kritiek die hij ontving, zal de toekomst moeten uitwijzen wat de volledige impact is van zijn ambtstermijn in Irak. In 2006 geeft Bremer zijn perspectief van deze roerige tijd in: ‘My year in Iraq: The struggle to build a future for hope’.