100 jaar VPRO: de televisievrees in de jaren vijftig

Menigte kijkt
  • Maarten van Bracht

De VPRO was in 1951 niet voorbereid op de komst van televisie en toonde zich gereserveerd en zelfs sceptisch over het nieuwe medium. ‘De smaak der onderste lagen zal bepalend worden voor wat de televisie brengt.’

Nederland maakte pas na de Tweede Wereldoorlog kennis met televisie. Vanaf 1948 experimenteerde Philips met televisie-uitzendingen voor een paar honderd Philipsemployés met thuis een ontvangsttoestel. Een jaar later werd het nieuwe medium officieel geïntroduceerd, en nog eens twee jaar later richtten Avro, KRO, NCRV en Vara de Nederlandse Televisie Stichting op (NTS), voorgezeten door pater Kors, tevens KRO-voorzitter. De VPRO dreigde de boot te missen. Aan het slot van het zes pagina’s tellende VPRO-jaarverslag van 1950 werd één zin aan het nieuwe medium gewijd: ‘Aan de einder van het gezichtsveld van de V.P.R.O. doemt thans ook het televisie-vraagstuk op, waarover echter het laatste woord nog niet gezegd is.’

De vier grote zuilen, die na de oorlog hun oude posities weer hadden ingenomen nadat VPRO-voorzitter Spelberg vergeefs had geprobeerd een nationale omroep van de grond te tillen, waren die kleine vrijzinnige zendgemachtigde liever kwijt dan rijk. Tijdens een op 13 augustus 1951 gevoerd NTS-overleg klaagde VPRO-penningmeester Ligthart dat hij de oprichting uit de pers had moeten vernemen. Ach, wilde de VPRO soms toetreden? Dat ging zomaar niet. Ligthart: ‘De vraag is voor mij vooralsnog moeilijk te beantwoorden omdat ik te weinig van de zaak afweet. (…) Er is bij de V.P.R.O. sprake van een zekere schroom.’ De grote vier hadden de televisiezendtijd toen al onderling verdeeld; ze kregen elk om de veertien dagen anderhalf uur, maar de vrijzinnigen kregen slechts anderhalf uur per drie maanden. Aan uitzenden viel nog niet te denken; de VPRO was er niet klaar voor. Uit het jaarverslag van 1951: ‘De V.P.R.O. heeft op zich genomen om per jaar vier uitzendingen te verzorgen, waarvoor een bedrag van f 24.000.- in de kas van de Nederlandse Televisie-Stichting moet worden gestort.’

Vrijzinnigen hielden het liever bij het Woord c.q. het gesproken woord, de radio. Men koesterde aanzienlijke reserves tegen het massamedium in wording

‘Goede smaak’

De eerste tv-uitzending van de NTS had toen al plaatsgevonden, op 2 oktober 1951 vanuit studio Irene in Bussum. Ze werd in Vrije Geluiden, de voorloper van de VPRO Gids, summier aangekondigd: ‘Gez. Pr. Ned. Televisie Stichting. 1. Opening door minister Cals [in feite staatssecretaris, red.] en pater Kors, voorzitter. 2. Film 3. “De leek en televisie” door Prof. Dr. Ing. N.A. Halbertsma (20.50-21.00 Pauze). 4. De toverspiegel, een televisiespel door Willy van Hemert, met Louis Bouwmeester, Albert van Dalsum, Ank van der Moer en Hetty Blok.’ Als eerste omroepster fungeerde de Amsterdamse journalist Jeanne Roos.

Het werd tijd dat de VPRO ging nadenken over de invulling van de eigen zendtijd. Dat najaar vroeg men een aantal deskundigen hun bevindingen op papier te zetten. Een van hen was futuroloog prof. dr. F.L. Polak, de latere PvdA-senator, toen voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wetenschappelijk Onderzoekers en persoonlijk adviseur van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. ‘Erg verheffend zal het niet worden. De smaak der onderste lagen zal bepalend zijn voor wat de televisie brengt,’ meende Polak. Hij bevestigde daarmee de behoudende en elitaire opvatting van veel vrijzinnig protestanten, die immers tot de maatschappelijke bovenlaag behoorden, derhalve over een ‘goede smaak’ beschikten en in hun vrije tijd nog voornamelijk boeken lazen. Vrijzinnigen hielden het liever bij het Woord c.q. het gesproken woord, de radio. Niet dat bewegend beeld meteen als een instrument van de duivel werd beschouwd, maar men koesterde aanzienlijke reserves tegen het massamedium in wording.

Scherm NTS en VPRO
Testbeeld van de NTS, 1961 & VPRO-beeldlogo, 1952
© Nationaal Archief

Ondermijning

Illustratief voor deze beduchtheid is de vierdelige reeks lezingen ‘Televisie en vrije tijd’ die dezelfde Polak in november en december 1951 afstak voor de VPRO-radio, en waarvan de tekst bewaard is gebleven. Uit huidig perspectief een vermakelijk tijdsdocument: de toon is breedsprakig, hoogdravend, zelfingenomen, neerbuigend en oubollig. De hooggeleerde is als representant van de culturele elite bevreesd dat televisie vooral de smaak van de massa, de gewone burgerman en arbeider zal bedienen, al onderkent hij ook dat het nieuwe medium dienstig kan zijn aan zijn eigen cultuuropvatting, die van verheffing en vorming. Wie optreedt voor televisie geeft volgens Polak blijk van ‘een bepaald soort exhibitionisme, zoals wanneer we de wilde beesten en hun voedering in Artis gaan bezichtigen, of ons in het circus de artiesten en clowns hun kunsten doen vertonen. Men staat dus in zekere zin gewoon te kijk en te koop als een aangeklede en geschminkte aap.’ Bedenk wel dat ‘een groot deel van de televisie-ontvangsttoestellen is geplaatst in allerlei openbare uitgaansgelegenheden, café’s, bars, poffertjeskramen en andere pleisterplaatsen.’ Polaks grootste bezwaar is dat het gros van de kijkers zal neigen tot een passieve consumptie van beelden: ‘Het geestesoog blijft werkeloos. Uw verbeelding en Uw verwerking van het waargenomene worden overbodig.’ Dat leidt uiteindelijk tot ‘onloochenbare verdere ondermijning der menselijke waardigheid’.

Televisie is ‘het boek der amen, de levende en bewegende beeldroman’, een ‘ziekelijke stoornis’ en ‘opium des volks

Prof. Dr. G.L. Polak

Polak, die zich beroept op een ‘vrij ruime Amerikaanse ervaring’, waarschuwt in zijn radiopraatjes voor vervlakking en ziet het somber in. Televisie is ‘het boek der amen, de levende en bewegende beeldroman’, een ‘ziekelijke stoornis’, ‘opium des volks’ en ‘schept ten slotte een nieuwe mens: de geestelijke lilliputter’. Maar televisie valt niet tegen te houden, aldus Polak, dus moesten we ‘dit klavier der volkscultuur, weldra het machtigste massa-medium op aarde’ maar zo goed mogelijk benutten. Hij hoopt dan maar op ‘goede’ televisie, zonder ‘zuilen-ziekte’, televisie ‘als cultuurdrager par excellence’.

De VPRO-luisteraar kon zich gaan instellen op de naderende beeldenstorm.

Zuinigjes

Op 22 april 1952 mocht de VPRO voor het eerst via de NTS uitzenden. Voorzitter Spelberg, ook hoofdredacteur van Vrije Geluiden, beloofde ‘een programma over vrijetijdsbesteding, een cultureel probleem van de eerste orde’, maar ‘wij verklappen niet wat de kijkers Dinsdag te zien en te horen zullen krijgen’. Het bleek te gaan om het verzamelen van luciferdoosetiketten, studenten die oude dansen als de menuet weer onder de aandacht brachten, het bouwen van miniatuurschepen in flessen. De twee resterende VPRO-uitzendingen in 1952 bestonden volgens het jaarverslag uit het Utrechts Studentencabaret met U lacht meneer (19 augustus) en Het zout der aarde (10 oktober), met daarin de films Le sel de terre en Images gothiques, en na de pauze een programma over Albert Schweitzer.

Alle begin is moeilijk. Het jaar daarop – het aantal bezitters van een tv-toestel werd toen geschat op 6000 – zond de VPRO vier keer uit, waaronder programma’s van het Delftse Studentenlustrum met het spel Tizzeniggie en het kindercircus Elleboog van mevrouw Last. ‘Over het algemeen,’ aldus het jaarverslag 1953, ‘kregen wij in de pers zeer goede recensies, terwijl wij zelf ook wel met enige voldoening terugzien op de wijze waarop door onze programma-afdeling met het nieuwe medium is gewerkt.’ Dit klinkt zuinigjes. Maar: ‘Wij zijn allen overtuigd van het feit dat de televisie, hoe men er ook over denken mag, toekomst heeft en dat op de lange duur de geluidsomroep op de tweede plaats zal komen naast de televisie.’

Dat laatste heeft inderdaad nog even geduurd. In 1961, toen de televisie tien jaar bestond, zond de VPRO een kleine zestig uur televisie uit. Op de algemene ledenvergadering van dat jaar benadrukte VPRO-bestuurder De Koning: ‘De V.P.R.O. tracht niet tegemoet te komen aan wat een brede schare van kijkers zegt te willen.’ Aan die instelling is tot op heden weinig veranderd.