Het gegeven van 'Een woord voor' is briljant in al zijn eenvoud: van het ene op het andere moment verdwijnen er woorden. Niemand kan ze zich herinneren en ook op papier en online bestaan ze niet langer. ‘In bibliotheken kun je het horen, als je heel stil bent, hoe de inkt zich terugtrekt uit de pagina’s.’
Als mensen vragen wat voor werk ik doe, zeg ik meestal dat ik boekenredacteur ben. Of, als ik in een Voskuilachtige stemming ben, chef boeken. Soms zeg ik ook gewoon journalist. Maar ik zeg nooit dat ik ‘content editor’ ben. Toch is dat mijn officiële functieomschrijving. Naast content editors werken er bij de VPRO ook channel managers, backend developers en productowners; jargon dat bij mij een zekere agressie oproept.
Daarom was ik direct verkocht toen ik begon aan Een woord voor, de nieuwe roman van Eva Meijer. Eva Meijer is zo’n multitalent dat zowel wantrouwen als jaloezie oproept, want hen (Meijer gebruikt onzijdige voornaamwoorden) is schrijver, filosoof, wetenschapper, singer-songwriter én beeldend kunstenaar. Een ware homo universalis.
Normaal probeer ik in deze nieuwsbrief boeken te tippen die enigszins onder de radar zijn gebleven, maar voor Meijers nieuwste roman, die her en der al uitbundig is geprezen, maak ik een uitzondering.
Het gegeven van Een woord voor is briljant in al zijn eenvoud: van het ene op het andere moment verdwijnen er woorden. Niemand kan ze zich herinneren en ook op papier en online bestaan ze niet langer. ‘In bibliotheken kun je het horen, als je heel stil bent, hoe de inkt zich terugtrekt uit de pagina’s.’
Het begint nog tamelijk onschuldig, met woorden als achteloos en archaïsch, maar al snel verdwijnen er ook woorden die vaker worden gebruikt. Geld bijvoorbeeld. Dat wordt noodgedwongen poen, centen, duiten of money. Beetje gek, maar niet onoverkomelijk. Dan verdwijnt geel. In de Randstad kiezen ze voor zon als alternatief, maar daarbuiten geven ze de voorkeur aan kaas en het duurt niet lang voordat kaas- en zonaanhangers lijnrecht tegenover elkaar staan. Er volgen demonstraties en opstootjes, en de FvD-fractievoorzitter gooit olie op het vuur door kaas een oer-Nederlands woord te noemen terwijl zon volgens hem ‘een importwoord’ is.
Uiteindelijk zien ze in Den Haag maar één oplossing: ‘vanaf aanstaande maandag 9.00 uur spreken we in heel het land Engels.’ In het bedrijfsleven vinden ze dat wel prima, en voor universiteiten is het een mooie aanleiding om de zieltogende studie Nederlands maar helemaal op te heffen. Alleen blijkt niet iedereen even goed Engels te spreken. In de zorg lopen ze algauw tegen de grenzen aan. Intussen blijven er in moordend tempo woorden verdwijnen, woorden die ook Meijer dus niet langer gebruikt. ‘Deze time maakt vreemde gevoelens in people wakker.’
Leest het niet stroef, een verhaal waarin basiswoorden als ‘ik’ of ‘dat’ wegvallen, en waarin Engels steeds meer de overhand krijgt? Dat valt gek genoeg reuze mee. Meijer bouwt het zo vernuftig op dat je er als vanzelf in meegaat. Bovendien wordt er ook veelvuldig gestrooid met kleine liefdesbetuigingen aan onze taal.
Daar gaat het woord fiets. Een mooi woord, met die f, en dan iets. Fier, ferm, symbool van de strijd tegen storm en wind, veroorzaker van blozende wangen en gespierde kuiten, van de Nederlandse zelfredzaamheid, bij uitstek uitgebeeld door blonde Nederlandse vrouwen met een kind achterop en eentje in het zitje voorop, en boodschappentassen aan het stuur.
Of deze:
Terwijl ze naar de universiteit lopen gaat dageraad verloren. Zo’n zacht woord, met de dag en de raad erin, heel anders dan het harde, gore ochtendgloren.
De manosphere, het stikstofprobleem, Extinction Rebellion, het abortusdebat, Russische spionage, AI-vertalingen in de literatuur, genderdiversiteit; er is geen heikele maatschappelijke kwestie te bedenken of zij passeert de revue. Zelfs het middenkabinet dat volgde op het PVV-kabinet is alweer gevallen.
Deze sprankelende ideeënroman wordt bijeengehouden door de liefdesgeschiedenis van dichter Uma en meubelmaker Mik, die zich samen met taalwetenschapper Agnes sterk maken voor het behoud van het Nederlands. Ook de Haagse politici die zich voor tal van problemen gesteld zien, spelen een belangrijke rol. Prima personages, daar niet van, maar voor mij zat de kracht van dit boek toch vooral in de grenzeloze verbeeldingskracht van Eva Meijer. Telkens als je denkt ‘wat kan hen nu nog verzinnen?’ volgt er weer zo’n speelse vondst.
‘Aukjes telefoon piept. ‘Hold on,’ zegt ze. ‘We lost the name of a town. Between Breda en Eindhoven.’ John heeft een duidelijk idee om welke stad het gaat, hij is er lang geleden geweest voor de opening van een culturele instelling. Maar verdomd als het niet waar is, hij kan er inderdaad niet opkomen.’
Hierop volgt een slapstickachtige dialoog tussen ministers en de burgemeester over Kruikenstad en Willem II. Een woord voor barst van de grapjes maar flauw of gemakzuchtig wordt het nooit, omdat er ook ruimte is voor momenten van berusting en melancholie.
Op die moment drinken twee vrouwen die elkaar al meer dan zestig jaar kennen koffie in de Wiener Konditorei, niet ver van het Binnenhof. Een van hen vertelt over een jonge moeder die na een jarenlang ziekbed stierf.
‘Wat een…’, zegt de ander. ‘Wat een. Wat een. Ze zijn te oud om Engels te spreken, als het al een andere language zou moeten worden dan zou Duits of Frans bovendien toepasselijker zijn. Maar ze vinden zichzelf er te oud voor. Het zal hun time wel duren.
‘Drama?’
‘Nee, iets gewoners.’
Maar verdriet is weg.
Zo valt langzaam het fundament onder de samenleving weg, tot zelfs minister-president John, die eerder nog zo voortvarend verordonneerde dat Engels voortaan onze nieuwe voertaal was, zich realiseert dat hij het Nederlands mist.
In de time in het buitenland gebruikte hij soms ook dagenlang geen Nederlandse words, maar toen waren ze er nog. Als zijn ouderlijk huis, of zijn geschiedenis, iets wat het bestaan op de achtergrond stut.
Het moge duidelijk zijn dat dit een boek is dat elke taalliefhebber in zijn/haar/hun hart zal sluiten.