de onbereikbare snookerkoning

, Hans van Wetering

Het Wereldkampioenschap snooker begint 16 april. Met één camerastandpunt: een groene tafel plus 22 ballen. In de hoofdrol Ronnie O’Sullivan. Een onvoorspelbaar, mysterieus snookertalent wiens naam vaak verbonden is aan relletjes. Hans van Wetering, zelf hartstochtelijk fan, volgde hem de afgelopen twee jaar.

Dear Melissa, is het mogelijk om Ronnie O’Sullivan te interviewen?

Dit verhaal begint ergens april 2014. Vrienden vertelden me dat ze niet konden afspreken: ‘het wereldkampioenschap snooker is op tv, sorry.’

Wáár kijken jullie naar?

‘Snooker, ehm, Ronnie.’

‘Ronnie’ was Ronnie The Rocket O’Sullivan, de vijfvoudig wereldkampioen. ‘Ronnie’ was een genie, zijn spel pure poëzie, zijn van god gegeven talent groter dan welke sportman in welke tak van sport ooit had bezeten, zeiden ze. Ronnie was tegelijk ook een mysterie, ongrijpbaar, een rockstar – dat soort woorden gebruikten ze. Zodra Ronnie aan de snookertafel verscheen ging een ging een siddering door het publiek. Bijna veertig was hij inmiddels, zijn eerste grote toernooi won hij 23 jaar geleden, en nog steeds was O’Sullivan de onbetwiste koning.
Snooker dus, een verwant van het biljartspel. Maar waar ons Hollandse biljart dezer dagen toch vooral de associatie oproept met het soort uitstervende bruine kroegen waar nog Perzische kleedjes op tafels liggen daar is snooker de exotische oom over wie op verjaardagen mooie verhalen rondgaan.

de spelregels

De spelregels zijn als volgt: met de witte cueball  (speelbal) moet je om beurten een rode bal (15 stuks – waarde 1 punt) en een anderskleurige bal (6 stuks: zwart, roze, blauw, bruin, groen en geel – respectievelijk 7,6,5,4,3 en 2 punten) in een van de zes pockets (gaten in de tafel) potten (stoten) tot alle gekleurde ballen van tafel zijn. Een ‘gepotte’ gekleurde bal wordt teruggeplaatst op tafel, tot alle rode ballen verdwenen zijn. Dan worden de overige kleuren in een vaste volgorde gepot, de zwarte als laatste. Mist een speler, en is de break (serie) ten einde, dan is het de beurt aan zijn tegenstander om de resterende ballen te potten.

De spelregels zijn eenvoudig, het spel zelf is onmogelijk moeilijk. Niet alleen is een snookertafel enorm, ook moeten de spelers bij elke bal ver vooruitdenken, geometrische patronen zien die er nog helemaal niet zijn. Het gaat niet alleen om het potten van een bal, maar ook is het de bedoeling om tegelijkertijd de speelbal naar een plek te dirigeren vanwaar een volgende gekleurde bal kan worden gepot, en de daaropvolgende bal, en zo verder.

 

Ik mailde Melissa dat ik het snookerspel zou introduceren bij de Nederlandse lezer, om de Nederlander naar de snookertafel te leiden. Sorry, schreef ze een paar dagen later, Ronnie bereidt zich voor op het WK, probeer het later nog eens.

hans van wetering

Dat ik Melissa had gevonden was op zich al een klein wonder. Op internet circuleerden talloze namen. O Sullivan bleek managers te verslijten zoals andere mensen sopdoekjes. Ik belde er een, hoorde dat hij helaas niets meer voor Ronnie deed, werd doorgestuurd, en opnieuw doorgestuurd en zo verder tot ik uiteindelijk iemand vond die zei: ‘heb je Mel geprobeerd?’

Ik las over O’Sullivans familieachtergrond, over zijn ouders ‘Big Ron’ en Maria die  in Ronnies jeugd een keten van seksshops uitbaatten, nadat het eerder met ijscowinkeltjes niet wilde vlotten. Er was geld in overvloed, feestjes met beroemdheden als voetballer Paul Gazza Gascoigne en zanger George Michael, drugs gingen rond. Kleine Ronnie ondertussen bleef alleen thuis, achter de snookertafel die hij van zijn vader kreeg. Hij bleef ook alleen thuis toen zijn vader voor moord tot 18 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld en toen zijn moeder werd opgesloten voor belastingontduiking. Ronnie bleef thuis en speelde snooker.

Ik las over O’Sullivans wondere werken: dat hij ooit een 147 - een maximumbreak van afwisselend vijftien rode en vijftien zwarte ballen, en dan de rest van de kleuren, vergelijkbaar met een hole in one in golf - maakte in net aan vijf minuten en zo volgens kenners het onmogelijke volbracht; dat hij deadpan dan weer met rechts en dan weer met links speelde; dat hij in 2014 het Britse kampioenschap won op een gebroken enkel.

 

Als je Ronnie ziet snookeren lijkt het spelletje opeens zo makkelijk. Hier een fragment van zijn snelste 147 ooit.

 

 

 

 

 

Lengte: 6 minuten.

Zo lang als de lijst wondere werken was, zo lang ook was die van de grillen en de relletjes. Hij was jarenlang geschorst vanwege belediging van een scheidsrechter, liep zomaar weg tijdens partijen, zat eens een hele partij met een handdoek over zijn hoofd omdat hij de speelstijl van zijn tegenstander ‘niet om aan te zien’ vond.

Maar dat waren natuurlijk bijzaken, verduidelijkte ik Melissa in een volgende mail: ‘Het interview ging over zaken als talent, techniek en schoonheid.’ Dertig minuten liefst, en ja, een training bijwonen, als het kon.

Geen reactie.

Dat WK van 2015 werd geen succes. O’Sullivan leek afwezig, verveeld, zorgde opnieuw voor ophef toen hij plotseling zijn knellende schoenen uittrok en op zijn sokken verder speelde. Ik stop ermee, zei hij na afloop tegen de BBC-commentator. Dat hij iets anders wilde gaan doen was een thema dat over de jaren telkens terugkeerde. Makelaar worden was het dit keer. ‘Gewoon werken, zoals andere mensen.’

Een autobiografie verscheen. Running getiteld.

Naast verhalen over chilling out met beroemde vrienden-fans als Rolling Stones-gitarist Ronnie Wood en kunstenaar Damien Hirst, die vaak naar Ronnie komen kijken - de laatste gaat zelfs bij alle wedstrijden mee, is Ronnie’s man in the corner - was Running toch vooral een kroniek van slapeloosheid en depressie, van paranoia en verslaving; aan alcohol, aan blowen, aan slaappillen, aan verslaving aan AA-bijeenkomsten – hij bezocht zelfs bijeenkomsten voor seksverslaving alhoewel daar bij hem helemaal geen sprake van was. De vijfvoudig wereldkampioen was een junk die een week voor elk toernooi cold turkey ging, vanwege de dopingcontroles, en ondertussen jaar in jaar uit in titels grossierde. Zoals hij zelf schreef: ’Niet slecht voor zo’n fuck-up!’ Om zijn demonen te bezweren probeerde hij het christendom, flirtte met islam, werkt een half jaar op een boerderij, wierp zich in de armen van een sportpsycholoog. Hij ging mediteren, ging boksen, ging hardlopen - dat bracht verlichting: ‘running away from it all’.

Hij haatte snooker, en snooker was zijn leven, daar kwam het op neer.

hans van wetering

Het enige moment dat hij kon verdwijnen was achter die tafel; geluk was afwezig zijn. Misschien ga ik wel een roman schrijven, misschien word ik schrijver, tekende de ghostwriter op uit Ronnie’s mond.
Na het WK van 2015 verscheen O’Sullivan nog maar zelden in de openbaarheid. Wedstrijden speelde hij niet. Iemand schreef dat O’Sullivan inmiddels kok wilde worden.

Ik volg hem op twitter. ‘I have a degree in snooker and I am a genius.. haha’ luidt het profiel van ‘Ronnie147’. Hij doet iets in koffie, staat er nog, of tenminste, iets met koffie op basis van Chinese paddenstoelen. ‘147coffee’ heet het handeltje. Er staat een link naar een website, maar die website is dood.

Het wordt augustus, het wordt september. Ronnie speelt niet. Ik mail Melissa, ik bel. Geen reactie. Dan, ergens in november, twittert hij dat hij een demonstratiewedstrijd speelt in Douglas, op Isle of Man, een eilandje in de Ierse zee. Het is misschien de enige mogelijkheid om hem te zien spelen, om hem te spreken te krijgen. Een eilandje, dan kan hij nergens ontsnappen.

‘Ja, een kookboek zou leuk zijn. Ronnie houdt van koken,’ mailt Melissa zowaar op mijn vraag wat ik hem zou kunnen geven. Een interview kan ze niet beloven: ‘Ik stuur je mail door naar Ronnie,’ klinkt de mantra.

Eind november, een paar dagen voor vertrek. Iets geks schrijven dan maar, aandacht trekken: de koe en de haasstrategie. Het interview kan ook over koken gaan, mail ik Melissa, als Ronnie het praten over snooker zat is.

Geen reactie.

'je moet niet alleen die bal potten'

Cabaretier Hans Teeuwen is ook idolaat van de snookerkoning. Als hij in 2013 te gast is bij het programma Zomergasten legt hij presentator Wilfried de Jong uit waarom. En hij geeft tussen de regels door een lesje snookeren. 'Je moet niet alleen die bal potten.'

 

 

 

Lengte: 2'15 minuten
 

Ik koop The Family Meal: Home Cooking with Ferran Adrià, van de gelijknamige chef van het befaamde El Buli, print een lijstje met interviewvragen en plak dat in het boek, voor het geval ik Ronnie wel het boek kan geven maar hem niet te spreken krijg; misschien dat hij die vragen later dan vindt en vervolgens in een moment van verveling…

Het is de week van storm Desmond.

Het propellervliegtuigje breekt op het allerlaatste moment de landing af. Bij een tweede poging valt hij keihard neer, en dan komt de rechterkant plotseling omhoog. Naast me zit een vrouwelijke dominee van een jaar of zestig, ze heeft daags ervoor op het vasteland een hartoperatie ondergaan. Ze grijpt mijn hand. Het vliegtuig trekt weer recht. Ben je bijgelovig, vraagt ze als we even later naar de aankomsthal taxiën, dit is het eiland van de elfjes en de heksen. Ze vraagt wat mij naar Isle of Man brengt. Ik noem Ronnie O’Sullivan. ‘Mijn man houdt van snooker, zegt ze, hij is theoloog, een briljante man, doceert in Cambridge, een jaar geleden zijn we gescheiden. Even later geeft ze me een lift naar het hotel. Ze scheurt door de bochten, over onverlichte kronkelwegen. ‘Normaal rij ik veel harder,’ excuseert ze zich, ‘ik hou wel van een beetje doorrijden.’ Ze is blij dat ik met haar mee rijd, zegt ze, ‘eigenlijk mag ik niet rijden, zeiden ze in het ziekenhuis, vanwege de pillen, en ik heb geen kracht in mijn benen.’ Als ze me bij het hotel afzet, vraag ik me af of mijn overleven van de bijna crash en deze dodemansrit iets zeggen over de kans dat mijn missie slaagt. Een andere vraag dringt zich op: zal O’Sullivan zelf wel kunnen landen?

De wind raast over het eiland, mensen duiken weg in hun jassen. Slagregens zwiepen over de verlaten boulevard waar overal aanplakposters hangen waarop een lachende snookerkoning de wereldkampioensbeker omhoog houdt. Mijn hotel blijkt zich nog geen vijftig meter te bevinden van het Gaiety-theater waar het Legends of Snookergala zal plaatsvinden.

Ik bel Melissa met een Engelse simkaart in mijn telefoon. Ze neemt meteen op. ‘Ik heb al een tijdje niets van Ronnie gehoord,’ klinkt het kortaf. ‘Ik kan je niet helpen.’

hans van wetering

In de theaterzaal hangt die avond een uitgelaten sfeer. Mannen in T-shirts met jolige opdrukken klokken glazen bier naar binnen. Het licht wordt gedempt. Dan komen de spelers binnen. Eerst tegenstander Jimmy White, en dan Ronnie, keu in de lucht bij wijze van groet aan het publiek. The Rocket is in het zwart. Hij lijkt kleiner dan op tv, heeft iets gracieus, de manier van lopen, hoe hij het publiek toeknikt, met een doek over zijn keu wrijft. Ik noteer ‘stijlvol’, ‘zijdeachtig’.

De wedstrijd begint. Terwijl de wind rond de glazen koepel bovenin het theater blaast, maakt commentator Dennis Taylor, een kleine Ier met een enorme bril, ooit zelf eenmalig wereldkampioen wat flauwe grapjes. O’Sullivan wint het eerste frame. Taylor: ‘Maar Jimmy is goed van achterop, daar weet ik alles van.’ Het publiek giert het uit. Het is de opmaat naar een avond waarin het achterste van White - ‘Is er genoeg ruimte om achterlangs de zwarte bal bij bruin te komen?’ - en wat je daar zoal mee kunt doen een running gag vormt. Het is het soort grapjes waar je hier aan het eind van de wereld wel mee wegkomt. De mensen halen nog maar eens een pint, er wordt gelachen om die malle Taylor.

Maar niet door O Sullivan, die lijkt vooral heel erg ongelukkig. Als hij af en toe al een beetje lacht om Taylors grollen is het zuinigjes: een lach waar een zweem van afgrijzen doorheen schijnt.

Ronnie O'Sullivan op sokken

Ronnie O'Sullivan begint het World Snooker Championship 2015 op splinternieuwe, glimmende schoenen. maar ze zitten helemaal niet lekker. Dus trekt Ronnie ze uit, gaat verder op sokken. maar ook dat bevalt niet. Dus last hij een 'break' in en komt terug op zijn versleten paar.

 

 

Tijd: 3 minuten en 45 seconden.

kom op Ronnie!

En Jimmy White is geen partij. De speler die ooit The Whirlwind heette, en zes keer in een WK-finale stond (en ze allemaal verloor), is nu een vroegoude, vadsige man; het drankgebruik als watermerk in zijn gezicht. White mist de eenvoudigste pots. Het wordt gênant. Hij lacht een beetje schaapachtig. 4-1 voor Ronnie, in een vloek en een zucht. Schijnbaar achteloos produceert hij de meest raadselachtige effectballen, onmogelijke pots. Ronnie stoot, de witte bal duwt de roze bal tergend traag in de richting van de middelste pocket – een slak in slow motion  - om vervolgens via de band weg te schieten, als een dolleman om zijn as tollend, en via een tweede band tussen alle gekleurde ballen een doorgang te vinden en even plotseling als hij accelereerde stil te houden, als ware hij uitgeput, vlak achter een rode bal, kaarsrecht in lijn met de pocket. ‘Inch perfect,’ mompelt Taylor.

C’mon Ronnieeeh!’ (kom op Ronnie!) wordt vanuit het publiek geroepen, de kreet die tijdens serieuze wedstrijden steevast klinkt als hun held aanmoediging behoeft. Er wordt hartelijk om gelachen. Dit hier gaat helemaal nergens over. Wie het eerst vijf frames - elke partij bestaat uit meerdere frames (potjes) - heeft gewonnen is de winnaar.

Ronnie kan het afmaken. Maar ja, dan is de avond gelijk voorbij. Dus mist Ronnie.

hans van wetering

opgesloten in een circusarena

En mist hij in ook in de volgende frames nog een paar keer opvallend. 4-4. Vanzelfsprekend wint Ronnie het beslissende frame. Iedereen blij - American wrestling op een biljartlaken.

Een lokale sponsor reikt een beker uit. Een onooglijk klein ding, van plastic lijkt het wel, betrokken bij de Chinese winkel om de hoek. Ronnie houdt het bekertje omhoog; alsof Messi op het veld van Spakenburg een oorkonde van de lokale slager krijgt uitgereikt. Het publiek klapt en joelt. De koning glimlacht ongemakkelijk. De zijdeachtige kunstenaar O’Sullivan, opgesloten in een circusarena, als een dier dat een kunstje doet. Het zou niet zo ontluisterend zijn, ware hij niet nog steeds de beste speler van de wereld. Dit is het circuit waarin je terechtkomt na afloop van je carrière, wanneer het je niet meer lukt om te winnen. Dit is de sigarenwinkel van de snookerspeler.

Naast me zit een Pakistaanse jongen. Hij is alleen gekomen, schuift de hele tijd nerveus heen en weer op zijn stoel. Na de pauze raakt hij plotseling in paniek. Hij heeft iets in zijn hand. ‘Ik heb mijn lootje niet ingeleverd! Ik heb mijn lootje niet ingeleverd.’ Er klinkt wanhoop in zijn stem: ‘Wat moet ik doen? Hey Jimmy, hey Jimmy’ – hij stoot mij aan, heeft het blijkbaar tegen mij. ‘Wat moet ik doen?’
Ik weet niet wat hij moet doen. Heb geen idee waar hij het over heeft. Het blijkt dat bezoekers bij binnenkomst hun entreekaart konden inleveren, waarna die kaart als lot zou dienen bij een loterij met als prijs een tweetal frames aan de zijde van Ronnie of Jimmy spelen: twee tegen twee. Maar goed dat ik niet mee loot, ik zou geen pot maken. De eerste gelukkige wordt inmiddels naar voren geroepen, gevolgd door een jongen van een jaar of twintig. Zijn vrienden joelen. Hij heeft die dag al flink gedronken, zo te zien. Mijn buurjongen ondertussen zit er verslagen bij. Af en toe mompelt hij wat in zichzelf.

vip-ruimte

Met de aangeschoten jonge snookeraar aan de zijde van de koning is het nu echt unverfroren variété geworden. Het gaat nu echt helemaal nergens meer over maar plotseling begint mijn buurjongen om de haverklap ‘c’mon Ronnieeeh’ te roepen, en, na verloop van tijd, ook ‘c’mon Jimmyeeh’, Hij roept het heel hard, al naar gelang wie er aan de tafel staat. ‘C’mon Ronnieeeh’, ‘c’mon Jimmyeeh’. Ronnie en Jimmy spelen tegen elkaar, maar dat detail mag de pret niet drukken. Een echte O’Sullivanfan wil allicht tenminste een keer in zijn leven dat ‘c’mon Ronnieeeh’ roepen, en, wie weet, wanneer je je lootje niet hebt ingeleverd liefst zo vaak mogelijk, bij wijze van troost. Maar dat ‘c’mon Jimmyeeh’ blijft vreemd. De jongen herhaalt nu ook steeds de woorden van de commentator: Taylor zegt: where’s the cueball gooooiiiing, where’s the cueball gooooiiiing?’ (‘Waar gaat de speelbal naar toeeee?’). De jongen schreeuwt: ‘where’s the cueball gooooiiiing?’

Na afloop is er gelegenheid om in de VIP-ruimte wat ‘fantastische’ Legends of snooker-parafernalia te kopen, zegt Taylor, en ja, de spelers zullen ook signeren. Even later sluit aan in een rij van misschien honderd man. Een paar bezoekers hebben hun keu meegebracht, een meisje omklemt haar teddybeer, ik tors mijn vuistdikke kookboek.

We schuifelen achter elkaar aan, komen langs een tafel met wat spulletjes. Dit moet de fantastische merchandise zijn. Een Legends of Snookerposter, een Legends of Snookersjaal, een Legends of Snookerkalender, en dat is het dan wel zo’n beetje. Ik koop een Legends of Snookerpetje, valt er tenminste iets te signeren.

Vragen naar zijn visie op concentratie of schoonheid, ligt hier in deze setting niet echt voor de hand. Of hij aan het WK meedoet dan maar. En een foto met Ronnie, als bewijs, dat is wel het minste.

Het is ondraaglijk warm, de zuidwesterstorm blaast tegen de ruiten. Voetje voor voetje naderen we de spelerstafel en schuift de rij steeds dichter in elkaar – als een accordeon waar de laatste lucht uit wordt geperst.

Nu moet hij het boek uitpakken,
moet ik een foto maken van hem met het boek,
met mij,
en moet ik hem die ene vraag nog stellen.

Ronnie, Taylor en Jimmy White zitten naast elkaar, pen in de aanslag. Nog twee meter. Het is een heel gejongleer om alles vast te houden: de camera, het kookboek, de memorecorder die ik toch maar tevoorschijn heb gehaald, de pet.

Dan sta ik voor hem, ik geef hem het petje. ‘How you doing?’ Vriendelijke, ontwapenende ogen, zachte stem. ‘Ik kom uit Nederland,’ zeg ik. Ik laat de naam Melissa vallen. ‘Oh yeah, yeah.’ Ik heb geen idee of hij weet wie ik ben. ‘Whats its about?’ ‘Een portret voor een Nederlands tijdschrift, een interview, niet heel lang...’ ‘Ooh yeah, yeah, well, speak to Jason… speak to Jason.’ Hij knikt richting het einde van de tafel, buigt zich achter de rug van Taylor naar opzij: ‘he wants to do something… don’t know.’ Ik overhandig het boek. Het gaat over koken, zeg ik. Hij glimlacht, ‘Ah, about cooking ain’t it?’ Nu moet hij het boek uitpakken, moet ik een foto maken van hem met het boek, en met mij, en moet ik hem die ene vraag nog stellen. Maar achter me in de rij klinkt gemor, er wordt geduwd. Jason blijkt tourmanager Jason. Hij staat aan het eind van de tafel, kijkt not amused. Ik houd de zaak op. Ronnie legt het boek naast zich neer. Uitgepakt wordt er niets. Hij groet de man achter mij in de rij. Mijn tijd zit erop. Geen foto, geen vraag.

Send me an e-mail,’ zegt Jason, de granieten blik gefixeerd op de rij achter mij. ‘Maar ik ben morgen alweer weg!’ Send me an e-mail,’ klinkt het afgemeten.

Voor de vorm, ze zitten er toch, laat ik het petje ook maar door Taylor en White signeren. Taylor, duidelijk pissig over de vertraging, krast zijn handtekening op de pet, een verbeten trek op het door couperose geblakerde gelaat. The Whirlwind lijkt het allemaal niet te deren, die zit zo te zien met zijn gedachten al in de hotelbar.

Op mijn hotelkamer schrijf ik het interview uit. Het nettoresultaat van de reis naar Isle of Man: 34 woorden. Nee, een diepte-interview is het niet geworden.

De volgende dag, het vliegveld. Het zou kunnen natuurlijk, hetzelfde vliegtuig, zoveel landen er hier niet. De regen hangt als mist over de startbaan waar de kleumende passagiers achter een hek wachten op het teken dat ze de vliegtuigtrap op mogen. In de verte, op de uiterste punt van het eiland doemt als een fata morgana een wit landhuis met vuurtoren op – het buitenverblijf van die andere ‘lovable rough’: voormalig Top Gearpresentator Jeremy Clarkson.

Een grote fan van Ronnie, naast Hans van Wetering, is Ronnie Wood van de Rolling Stones. Een interview over zijn naamgenootje.

 

 

 

Tijd: 5 en een halve minuut

Damien Hirst

Van Ronnie en zijn gezelschap geen spoor.

Een paar dagen na Isle of Man is O’Sullivan te gast in een radioprogramma. Hoe was het in Douglas, vraagt de presentator. ‘Was dat de naam van het stadje waar ik was?,’ reageert O’Sullivan, ‘nou ja, zoals dat gaat, we worden opgehaald van het vliegveld, naar het hotel, wat eten, even liggen, beetje tv kijken, dan handje schudden met de VIP’s, naar de kleedkamer, spelen, de handel afwerken…’ (dat moet mijn petje zijn) ‘…terug in het hotel om half elf, beetje tv kijken, een cheese and pickle-sandwich, een kop thee - dat is zo’n beetje alles wat ik je over Isle of Man kan vertellen.’

Had hij dan niet ergens in al die verloren uren een klein interview kunnen geven? Een geweldig publiek, haast hij zich nog te zeggen. Niets over die vreemde Hollander met dat kookboek.

Het kookboek waarvan ik me inmiddels afvraag waar het zich nu eigenlijk bevindt: bij de King of Snooker thuis of in de keuken van een koffiejuffrouw van het Gaiety Theater in Douglas die nu haar man elke avond een recept uit The Family Meal: Home Cooking with Ferran Adrià voorzet en daarbij mijn vragenlijstje als leeswijzer gebruikt.

Een paar weken later. Ronnie kondigt aan dat hij aan het prestigieuze Masters-toernooi zal deelnemen. Nog eens drie weken later heeft hij datzelfde Masters-toernooi gewonnen. Na acht maanden vrijwel geen keu te hebben aangeraakt, verslaat hij de volledige wereldtop. In de finale vernedert hij Barry Hawkins, de nummer twee van het laatste WK.

Tijdens een korte pauze geeft een olijke Damien Hirst voor de BBC een interview. ‘Je maakt deel uit van zijn team, je komt net uit zijn kleedkamer, hoe is de stemming,’ vraagt presentator Steve Davis, zelf een van de groten van de sport. ‘Dat weet je nooit,’ antwoordt Hirst.'

'Hij is een enigma, het gaat op een neer. Vaak zegt hij dat hij verschrikkelijk slecht speelt terwijl iedereen het omgekeerde beweert. Ik moet er altijd maar een beetje om lachen.’

Ik zou graag een keer door Ronnie’s ogen kijken,’ zegt meervoudig wereldkampioen Davis, ‘zien of hij iets anders ziet dan wij, andere beelden.’ ‘Denk je dat hij iets bijzonders heeft,’ vraagt hij Hirst, ‘een soort extra verbeeldingsniveau, krijgt hij andere ehm… signalen door?’ ‘Het is instinct denk ik,’ zegt Hirst, ‘wat er in zijn hoofd gebeurt heeft niets te maken met wat daar aan die tafel gebeurt. Hij heeft geen idee, heeft echt geen idee wat er daar aan de hand is.’ Hirst schatert het uit.

Nadat Hawkins het eerste frame naar zich toetrekt, wint O’Sullivan er tien op een rij. De arme Hawkins zit in de stoel terwijl O’Sullivan de ene na de andere bal pot en kan niet anders dan lijdzaam toekijken. 10-1, einde wedstrijd. ‘Ik hoop maar dat hij ooit op een dag stopt,’ zegt Hawkins tijdens de prijsuitreiking, zijn glimlach doordrenkt van melancholie.

Ronnie O'Sullivan op twitter

een rel

Met Melissa wordt het niks meer. Jason mailt zowaar terug: ‘Ik heb je mail doorgestuurd naar Ross: Ronnies manager.’ Ross?! Hoezo Ross? Melissa was toch Ronnie’s agent? Met wie heb ik dan nu al bijna een jaar, weliswaar vruchteloos, contact? Ik denk aan wat Melissa zei die eerste dag op Isle of Man: ‘Ik heb al een tijdje niets van Ronnie gehoord.’ Zou het kunnen dat Ronnie voor de zoveelste keer van agent is veranderd? Dat Melissa dat simpelweg nog niet weet?

Ronnie zelf ondertussen begint via Twitter een kruistocht tegen een bokspromotor die hem voor 125.000 pond zou hebben opgelicht en er zo voor zorgt dat hij zich niet op zijn snooker kan concentreren. De snookerkoning blijkt sowieso iemand die zich steeds door de verkeerde mensen tot de verkeerde zaakjes laat verlokken. Die mallotige Chinese koffie, de bokspromotor, en nu maakt hij ook reclame voor zijn fitnesstrainer, post zelfs filmpjes waarop hij, het brein dat natuurkundige wetten omtrent kracht, energie en snelheid en warmte op een raadselachtige manier naar zijn hand zet, een beetje heen en weer springt tussen de sporten van een op de grond gekwakte touwladder: twee sprongetjes vooruit, eentje terug, twee vooruit, eentje terug. De filmpjes zijn zo te zien met een mobieltje gemaakt. Het ziet er  niet uit, de snookerkoning als de eerste de beste sukkel, in bermuda en sportschoenen. ‘He Ronnie, kun je niet even op die band gaan lopen, maak ik een filmpje, is leuk joh’ – je hoort het de trainer zeggen. Het is om te huilen.

Een dag later, hij twittert: ‘drie kilometer hardgelopen, leek nergens op, minder bifters (slang voor sigaret). Ok, terugtweeten dan maar: @ronnieo147 ‘Bifters out, El Bulli in - eat your way out of the smoke Ronnie.’ Een paar uur later is Ronnie’s bifters-tweet verdwenen. Ronnie begint foto’s van gezonde maaltijden te retweeten die zijn fitnesscoach post – eieren gekookt in kokosolie, met avocado, spinazie en pijnboompitten. Een laatste kans allicht. @ronnie147 stuur ik een link naar een kokospudding uit The Family Meal: Home Cooking with Ferran Adrià. Geen reactie.

Eind februari. Ronnie speelt een tweede toernooi, de Welsh Open, en natuurlijk is er een rel. In de eerste ronde is O’Sullivan op weg naar een 147 als hij plotseling op de scheidsrechter afloopt en vraagt wat de premie is mocht hij die maximumbreak maken. 10.000 pond, zegt de man. O’Sullivan lacht een beetje. Hij kan de zwarte bal potten, en zo mogelijk een 147 maken, maar kiest in plaats daarvan pesterig voor de roze bal, tot ontzetting van publiek en commentatoren – ‘Wat doet hij nu? wat… nee, hij zal toch niet, hij zal toch niet…neeee.’ Vervolgens speelt hij in razend tempo de hele tafel leeg, zodat hij op 146 punten uitkomt, en loopt lachend weg.

‘Het is alsof je naar een Mercedesdealer gaat,’ verklaart O’Sullivan direct na de partij voor de BBC, ‘en je te horen krijgt dat je de auto voor drieduizend pond kunt meenemen. Dat je dan zoiets hebt van: nee sorry, dat is echt te goedkoop, voor zo’n bedrag koop ik hem niet. Een 147-break is speciaal. Dingen hebben hun waarde.’

Onnavolgbare logica die niet door iedereen op prijs wordt gesteld. O’Sullivan is een verwend kind, heet het, een kind nota bene dat in zijn carrière al meer dan 10 miljoen euro aan prijzengeld bij elkaar snookerde, een schande voor de sport, en hij had dat geld toch aan een goed doel kunnen geven?

tegenstrijdige verklaringen

‘Daar denk je niet aan,’ reageert O’Sullivan als hij daags erna ook de volgende partij heeft gewonnen. ‘Het gaat me niet om het geld,’ zegt hij in de tv-studio, ‘Ik wilde gewoon een beetje lol maken, having a laugh. Als mensen dat niet ok vinden, nou goed, dat zal ik volgende keer proberen wat minder lol te hebben.’ En wat zeurde iedereen nou; als mensen vooraf van die 146 hadden geweten dan was er om toegangskaarten gevochten. ‘Is dat respectloos? Als iemand anders dit denkt te kunnen... hier heb je mijn keu, hier mijn krijt, hier mijn vest – ga je gang.’ Bovendien, zegt hij, nu is er voor de toeschouwers tenminste nog iets om naar uit te kijken. ‘There is no point in giving them the best ending they’ve ever had.’

De interviewer is flabbergasted door O’Sullivans tegenstrijdige verklaringen. Hij vraagt naar Ronnie’s plannen. Wat demonstraties geven, zegt O’Sullivan, ‘it gets you out of the thouse,’ beetje chillen met de jongens, ergens een hapje eten. En ja, daarna in april het WK, erop verheugen doet hij niet echt nee, maar ja, het zal wel moeten, om de fans niet teleur te stellen.

Een stilte valt. O’Sullivan hangt onderuit, friemelt wat aan zijn keu. ‘Om de hoek zit een Chinees,’ zegt hij, The Happy Gathering. Geweldig eten, iedereen moet daarheen.’ Er zijn ook andere restaurants, zegt de presentator snel - geen reclame alsjeblieft. Opnieuw een stilte. ‘The Happy Gathering heet het,’ herhaalt Ronnie. Hij grijnst.

HANS VAN WETERING

WK Snooker

Het jaarlijkse wereldkampioenschap snooker vindt plaats van 16 april tot en met 2 mei in het Crucible Theater in Sheffield. Live te volgen op BBC en Eurosport.