De wereld als donut

, Jurgen Tiekstra

Op het Brainwash Festival werd de Britse econoom Kate Raworth onlangs als een ware cultheld toegejuicht. Haar revolutionaire donutmodel zou de wereld weleens kunnen redden, maar er zijn ook relativerende geluiden.

Het is zaterdagavond, eind oktober. Economisch activist Kate Raworth zit op de hoek van een lege tafel, omringd door mensen die haar discipelen zouden willen zijn. Net heeft ze in de grote zaal van het Compagnietheater in Amsterdam een lezing gehouden over haar ‘doughnut economics’, als onderdeel van het Brainwash Festival. Het toegestroomde publiek bestond merendeels uit jonge mensen, van wie zowat niemand Raworth nog bleek te kennen. Ze waren gelokt door de aankondiging in het programmaboekje dat haar beschreef als ‘dé rising star binnen de economische wetenschap’ die een ‘frontale aanval’ opent op de status quo. Met smartphones werden haar slides gefotografeerd. Na afloop van haar verhaal klonk het applaus, lang en gretig. Een deel van het publiek kwam klappend overeind uit de stoelen.

‘Ik denk dat heel veel mensen nu haar boek gaan kopen,’ zegt een jonge vrouw tijdens het afdalen van de tribune. ‘Zag je hoe de mensen reageerden?’ Ook zelf is ze onder de indruk van de revolutionaire bravoure waarmee de Britse econoom afrekent met onze ‘verslaving’ aan economische groei, aan vrijhandel, aan wegwerpconsumptie.

In de foyer aangekomen blijkt de volledige boekenstand te zijn uitgeruimd. De tafels zijn leeg. Geen spoor van haar in april gepubliceerde boek Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st-Century Economist, waarvan half december de Nederlandse vertaling verschijnt. Maar Kate Raworth is onverstoorbaar. In sober antraciet gekleed, met als enige blikvanger een geknoopt zilveren sieraad om haar hals, neemt ze plaats op een tafelrand en beantwoordt ze als een goeroe de vragen van de mensen om haar heen.

Het gesprek komt onder meer op energiebedrijf Eneco, dat eigendom is van Nederlandse gemeenten. Het gros van die gemeenten wil het bedrijf verkopen, waardoor het in buitenlandse handen komt. Raworth is juist criticaster van de kortetermijnvisie van aandeelhouders en pleit voor gemeenschappelijk bezit. Lees het boek Owning Our Future van de Amerikaanse publicist Marjorie Kelly, houdt ze haar gevolg voor. Het wordt driftig genoteerd op uit de broekzak getoverde smartphones. Een ander wil meer weten van de financiële sector. Ze adviseert het boek Can We Avoid Another Financial Crisis? van de Britse econoom Steve Keen.

Circels

Kate Raworth groeide als tiener op in de jaren tachtig en raakte onder de indruk van de televisiebeelden van de honger in Ethiopië, de milieuramp met de olietanker Exxon Valdez en de berichtgeving over het gat in de ozonlaag. Als student en wereldverbeteraar wilde ze, zoals ze in haar lezing formuleerde, ‘the mother tongue of public policy’ leren beheersen en besloot ze economie te gaan studeren. Een desillusie volgde, want op de faculteit economie vond ze slechts modellen en grafieken die mijlenver afstonden van haar grote zorgen om de milieuproblematiek en sociale onrechtvaardigheid.

Later kwam ze als senior researcher terecht bij ontwikkelingsorganisatie Oxfam. In die tijd zocht ze naar een merkteken voor haar idealisme, een beeld dat in één oogopslag duidelijk zou maken hoe zij de wereldeconomie wil inrichten. Het resultaat was haar donutmodel: twee concentrische cirkels die de sociale en ecologische grenzen tonen van ons economisch model. De binnenste rand vertegenwoordigt het welzijnsminimum van de wereldbevolking, zoals democratische inspraak, een basaal inkomen en toegang tot schoon drinkwater, onderwijs en sanitatie. De buitenste rand is het maximum aan onder meer ontbossing, co2-uitstoot en verlies aan biodiversiteit. Binnen die twee cirkels moeten we blijven, zegt ze.

Het economisch onderwijs moet op de schop, vindt Raworth. Ons denken wordt gedomineerd door economische modellen die de werkelijkheid vertekenen, ‘eenvoudige, onschuldige grafieken die stilletjes in ons achterhoofd glippen’. Neem het circular flow-model dat toont hoe geld door een economie vloeit, maar geen aandacht geeft aan het belang van niet-betaald werk en de natuur als bron van onze grondstoffen. Of de eenvoudige grafiek van vraag en aanbod, die suggereert dat er in een economie een natuurlijk evenwicht ontstaat. Ook belangrijk is de Kuznetscurve, die zou tonen dat de ongelijkheid in een samenleving vanzelf kleiner wordt als de economische groei voldoende toeneemt. Zelfs als je nog nooit van deze modellen hebt gehoord, beweert Raworth, hebben ze je toch beïnvloed. Zo vormend zijn ze de laatste veertig jaar geweest voor het publieke denken.

(de tekst gaat verder onder de afbeelding)

Brede welvaart

Andrea Bakker (31) is een van de mensen die bijna stuiterend van geestdrift het gesprek met de Britse econoom aangaat. ‘Ik kreeg kippenvel toen iedereen bleef klappen,’ vertelt ze later. Als een van de weinigen had zij Raworths boek al gelezen. Ze kreeg het cadeau toen ze afscheid nam bij een kleine bank in Den Haag en had verkondigd ‘meer idealistisch en zingevend werk’ te willen gaan doen. Daarvoor had ze al bij de Rabobank gewerkt. Sinds kort is ze beleidsmedewerker van de Tweede Kamerfractie van de Partij voor de Dieren. Deze partij wil Kate Raworth in januari naar het Binnenhof halen, zodat ook politici die haar boek nooit zelf zouden openslaan van haar ideeën hoogte krijgen.

Bakker herkent Raworths ontgoocheling ten aanzien van de economische wetenschap. ‘Ik heb technische bedrijfskunde gestudeerd en had toen ook een aantal economievakken,’ vertelt ze. ‘Je komt er niet doorheen als je vraagt waarom de economie continu moet blijven groeien. Dan word je zo blanco aangekeken, door zowel medestudenten als docenten, dat je denkt: laat maar, ik hou mijn mond al.’

De groei van de economie wordt doorgaans teruggebracht tot de toename van het bruto binnenlands product (bbp). De eenzijdigheid daarvan wordt al jaren benadrukt, ook door Nederlandse economen. Bakker komt met een paar illustraties: ‘De opbouw van Sint Maarten na de orkaan draagt bij aan de groei van het bbp, maar dat betekent niet dat we meer orkanen willen. Als je zelf met je kinderen naar een speeltuin gaat, draagt dat niet bij aan het bbp. Maar als je dit laat doen door een betaalde oppas, draagt het daar wel aan bij. Dus in die economische groei moet alles geformaliseerd worden in geldstromen. Terwijl je toch het liefst zelf met je kinderen naar een speeltuin gaat.’

Alternatieven voor de bbp-meting zijn wel degelijk al voorhanden. In 2016 kwam de Universiteit Utrecht, samen met de Rabobank, met de Brede Welvaartsindicator (BWI), die ook factoren meeneemt als gezondheid, milieu, veiligheid en geluk. Rond diezelfde tijd was er zelfs een parlementair onderzoek naar het begrip ‘brede welvaart’, waarbij expliciet benadrukt werd dat het bbp geen maatstaf kan zijn.

Gedragseconomie

Een andere spreker op het Brainwash Festival was Dirk Bezemer, hoogleraar economie in Groningen. De avond voorafgaand dineerde hij met Kate Raworth. Hij heeft haar boek nog niet gelezen, maar kreeg al veel van haar ideeën mee. Terwijl hij beleefdheidshalve benadrukt dat hij zich alsnog graag door haar boek laat verrassen, slaat hij liever een relativerende toon aan. ‘In The Guardian werd zij aangeprezen als de Keynes van de 21ste eeuw. Dat geloof ik niet. Zij is nuttiger bezig dan menig econoom, maar niet zozeer intellectueel vernieuwend.’

Dat betekent allerminst dat hij haar ongelijk geeft. Ook Bezemer vindt hervorming van het economieonderwijs noodzakelijk. ‘Economie is een sociale wetenschap en daarin heb je verschillende scholen. Al sinds ik zelf student was, meer dan twintig jaar geleden, vind ik dat de neoklassieke school niet zo dominant moet zijn en een flink aantal blinde vlekken heeft. Het neoklassieke denken heeft bijvoorbeeld een blinde vlek voor macht. We leven in een samenleving waarin bepaalde groepen de macht hebben. Hoe die machtsstructuren ontstaan, is historisch gezien onderdeel van de economie. Iemand als Marx had daar veel aandacht voor. Een andere blinde vlek is het menselijk gedrag: het feit dat we als mensen geen optimaliserende rekenmachines zijn, maar dat emotie voor ons net zo belangrijk is als ratio, en dat we kuddedieren zijn en geen individuen.’ Om die reden vindt hij het hoopgevend dat juist een gedragseconoom dit jaar de Nobelprijs won.

‘Er is een aantal initiatieven dat wat aan het economisch onderwijs probeert te doen,’ zegt Bezemer, ‘maar dat is echt gefröbel in de marge. Er zijn tienduizenden economiestudenten in de wereld en die gebruiken allemaal lesboeken waar dit niet of vrijwel niet in voorkomt. Maar als je het hoopvol wilt bekijken: na de financiële crisis is er wel veel in gang gekomen. Je hebt een studentenbeweging als Rethinking Economics, maar ook bijvoorbeeld het Institute for New Economic Thinking in New York. Dat instituut ondersteunt een nieuw economisch curriculum met de naam Core, dat is ontwikkeld door hoogleraar Wendy Carlin uit Londen. In Nederland heb je iemand als professor Lans Bovenberg, die al een tijd bezig is met het ontwikkelen van nieuw economisch onderwijs voor middelbare scholen waarin niet alleen het beeld van de rationale, zelfzuchtige mens een centrale rol speelt, maar ook het idee dat we als mensen willen samenwerken, maatschappelijke doelen hebben en niet alleen rijk willen worden.’

Van het ovationeel applaus na afloop van Raworths lezing is Bezemer niet meteen onder de indruk. ‘Het publiek dat jij daar zag, was er zelf op afgekomen. Dat je goed preekt voor eigen parochie is heel mooi, maar de mensen die overtuigd moeten worden, zaten daar niet. Die mensen zitten in centrale banken en op ministeries van Financiën.’

Hij verwijst naar de grote invloed die de Britse macro-econoom John Maynard Keynes wereldwijd heeft gehad, tot aan de jaren tachtig. ‘Keynes zat in het hart van het establishment, hij werkte op het ministerie van Financiën, hij zat in Cambridge aan de top van de wetenschap. Door een boek te schrijven hoop je invloed te hebben, maar je moet in die kringen persoonlijke connecties hebben en ook de statuur om echt wat te kunnen veranderen. Wat dat betreft denk ik dat iemand als Thomas Piketty, die het thema ongelijkheid op de kaart heeft gezet, op langere termijn meer invloed zal hebben. Hij kan niet zo goed spreken en hij heeft niet de presence van Kate Raworth, maar was intellectueel al een zwaargewicht voordat zijn boek uitkwam.’