In Amerika lossen ze er moorden mee op en ook Zweden is al overstag: genealogische DNA-databanken. Nederlandse speurders zijn enthousiast over deze mogelijke doorbraak in de aanpak van cold cases. Maar wat betekent het voor onze privacy?

Een oude man wordt in zijn rolstoel de rechtbank binnengeduwd. Hij draagt een oranje gevangenispak en een gezichtsscherm. Nauwelijks hoorbaar mompelt hij het woord waar zijn slachtoffers en hun naasten al meer dan veertig jaar op wachten: ‘guilty’. 

De man heet Joseph James DeAngelo, weten we nu. Maar lange tijd was hij alleen bekend onder namen als ‘East Area Rapist’, ‘Original Night Stalker’, en degene die uiteindelijk is blijven hangen: ‘Golden State Killer’.

DeAngelo geeft toe zeker vijftig vrouwen te hebben verkracht, en bracht nog eens dertien mensen om het leven. Zijn manier van aanpak was sadistisch en uitgekiend. Na vakkundige bestudering van de huizen brak DeAngelo in en bracht hij zijn helse fantasieën tot leven. Slachtoffers die het er levend vanaf brachten belde hij soms jaren later, om vervolgens in de hoorn te hijgen en ze uit te maken voor bitch.

Meer dan veertig jaar na de eerste verkrachting liep de Golden State Killer nog steeds vrij rond. En toen kwam er begin 2018 een doorbraak uit onverwachte hoek. Een agent vatte het idee op een DNA-spoor van een plaats delict in een commerciële genealogische DNA-databank te uploaden. Maar hoe leidt een private DNA-databank voor stamboomonderzoek tot veroordeling van een seriemoordenaar?

Wat zijn genealogische databanken?

Genealogische DNA-databanken zijn private databanken waar mensen zelf hun DNA naartoe kunnen sturen. 23andMe begon in 2007 te adverteren met manier om verwanten te vinden op basis van DNA-onderzoek. In de jaren daarna volgden andere bedrijven: FamilyTreeDNA (2010), AncestryDNA (2012) en MyHeritage (2016). Deze vier bedrijven bieden ook in Nederland tests aan.

De vervaardigde DNA-profielen komen terecht in hun databanken en worden vergeleken met de andere profielen die al in de databanken staan. De laatste jaren is het snel gegroeid: van vijf miljoen in 2016 naar meer dan dertig miljoen in 2019. Hoe meer mensen erin zitten, des te meer verwanten kunnen worden gevonden.

GED-match is een apart bedrijf waar mensen hun opgevraagde profiel kunnen uploaden en laten vergelijken met andere profielen. Via GED-match zou ruim 60% van Amerikanen met een Europese herkomst kunnen worden gevonden. De verwachting is dat de databank over drie jaar bijna elke Amerikaan met Europese herkomst kan identificeren.

Alleen GED-match en FamilyTreeDNA geven politie toestemming om een DNA-profiel te uploaden. Daar moeten gebruikers dan wel toestemming voor geven.

Hoewel er in vergelijking met Amerikanen maar weinig Nederlanders gebruik maken van deze databanken (precieze cijfers worden niet gepubliceerd) kunnen ze ook informatie over Nederland bieden. Veel Amerikanen hebben immers verre bloedverwanten in Europa die stamboomonderzoek kan identificeren.

Van databank naar dader

Het Nederlands Forensisch Instituut, het NFI, huist in een zwart vierkant gebouw op een industrieterrein aan de rand van Den Haag. Als je door de ramen naar binnen gluurt zie je mensen in witte jassen met grote microscopen in de weer. Lex Meulenbroek is een van de experts die sporen van de plaats van het misdrijf onderzoeken. Zijn vakgebied: DNA.

“Mensen die meer willen weten over hun geografische herkomst, of op zoek zijn naar verwanten kunnen hun DNA naar genealogische DNA-databanken sturen. Inmiddels zitten zo veel mensen in deze databanken, dat met een grote kans op succes in ieder geval verre verwanten kunnen worden gevonden”, vertelt Meulenbroek. “Het verschil met de DNA-databank die justitie beheert is dat deze profielen veel diepgaander zijn. Hierdoor is het mogelijk om heel ver in familiebanden te zoeken.”

In de Golden State Killer-zaak stuurde de politie onder een vals profiel DNA naar de de genealogische databank GED-match. Daar kwam een treffer met een ver familielid uit. Hierna zochten stamboomexperts de familiebanden uit tot ze een mogelijke dader op het spoor kwamen. Politie verzamelde DNA van zijn autoportier. Het was een 100% match met de sporen van de plaatsen delict.   

Deze doorbraak zorgde voor opschudding in de forensische wereld. Meulenbroek: “Het is geweldig dat je er hele heftige cold cases mee kan oplossen. Zaken waarbij elk ander middel in al die jaren niets opleverde en waarvan niemand eigenlijk nog verwachtte dat de dader zou worden gevonden.”

Ethische dilemma’s

Maar met het enthousiasme komt ook twijfel. Kan dit zomaar? Moet we dit ook in Nederland willen doen?

Rob Zwijnenberg, hoogleraar interactie tussen kunst en wetenschap aan Universiteit Leiden, bespreekt de Golden State Killer-zaak vaak met zijn studenten. Is deze opsporingsmethode ethisch of niet? “Het is een gruwelijke zaak en het is goed dat de dader gepakt is, daar is iedereen het er wel over eens.” Maar, zegt Zwijnenberg, er is een onderliggend probleem. “DNA is niet meer van jou. Omdat DNA niet beschermd is kan je ook zomaar je eigen monster uploaden en hoef je dat niet aan je familie door te geven of toestemming te vragen.”

Daarmee raakt Zwijnenberg aan een van de meest besproken problematische kanten. Als één persoon DNA opstuurt komt diens hele familielijn in beeld. “Dat is precies het ethische dilemma,” vertelt expert Meulenbroek. “De kracht is dat je maar één iemand uit een familielijn nodig hebt om iets over die lijn en mensen daarbinnen te weten. Aan de andere kant wil een persoon misschien graag DNA opsturen, maar kunnen anderen in zijn familie daar heel anders over denken. Er is wel eens uitgerekend dat als 2% van een bevolking mee zou doen, je uiteindelijk iedereen in die bevolking zou kunnen vinden. Maar dat betekent dus ook dat je heel veel mensen betrekt en in beeld kunt krijgen die daar helemaal geen toestemming voor hebben gegeven.”  

Het gebruik ervan door politie gaat bovendien het eigenlijke doel van de DNA-databanken ver voorbij. “Het zijn geen databanken van justitie, mensen hebben daar vrijwillig hun DNA heen gestuurd, op zoek naar familieleden of informatie over hun herkomst. Die hebben dat niet gedaan omdat ze politie wilden helpen in een moordonderzoek,” legt Meulenbroek uit.  

Bovendien zijn het commerciële bedrijven, die ook nog eens Amerikaans zijn. “Bedrijven maken gebruik van het feit dat je DNA niet beschermd is en dat je er van alles mee kan doen. Ze kunnen het opslaan, doorverkopen. Wij weten niet wat die bedrijven allemaal met dat DNA doen. Er is nauwelijks regulering,” aldus Zwijnenberg.

GEDmatch, met zo’n 1,3 miljoen profielen, en FamilyTreeDNA, met 2 miljoen, verlenen politie toestemming om ze te gebruiken. Beide stelden na de Golden State Killer-zaak een disclaimer op. Mensen kunnen nu zelf kiezen of ze wel of niet vergeleken willen worden met een spoor van de politie. Helemaal waterdicht lijken de maatregelen niet: in juli van dit jaar was er nog een lek bij GED-match. Opeens waren alle profielen toegankelijk voor opsporingsautoriteiten. 

Victor Toom is wetenschappelijk onderzoeker op het gebied van forensisch DNA. Ook hij waarschuwt voor de rol van private actoren. “Je hebt ook te maken met bedrijven, waarbij de kleine lettertjes constant veranderen. GED-match is nu in handen van een forensisch bedrijf.” De databank is eind 2019 overgenomen door Verogen. De nieuwe CEO Brett Williams geeft aan GEDmatch als een middel om misdaad te bestrijden te zien. “Zou je überhaupt geld mogen verdienen aan een opsporingsfaciliteit?” vraagt Toom zich af.

Toom benadrukt dat er heel wat aan vooraf gaat eer een dader in beeld komt. “Je maakt een nieuwe hooiberg waar je doorheen gaat spitten. En die zoektocht tast de levenssfeer van ontzettend veel mensen aan. De politie kan allerlei persoonlijke gegevens opvragen van in beeld gekomen families die in principe allemaal onschuldig zijn.” Toom noemt bankgegevens, informatie van telefoonproviders, camerabeelden. “Vinden we het proportioneel om dergelijke persoonsgegevens van 1000 onschuldige burgers op te vragen om een verdachte op te sporen?”

Niemand wil dat moordenaars vrij rondlopen. Maar hoe ver willen we daarin gaan? Willen we elk risico uitbannen? Toom: “Kijk, we hebben nu 1700 cold cases. Daar zullen jonge vrouwen en mannen tussen zitten, kinderen. Mensen die niets hebben misdaan. Die wil je oplossen. Maar als je al die 1700 zaken op deze manier zou gaan oplossen, dan is half Nederland op een gegeven moment voorbijgekomen. De halve samenleving verdacht en hen aan een opsporingsonderzoek onderwerpen misstaat niet in een politiestaat, maar wel in een democratie.”

Ook Zwijnenberg ziet hoe moeilijk dit vraagstuk is, “Het lastige is dat dit veel emotie oproept. Je kan als samenleving zeggen dat inzetten van dit soort technologieën te ver gaat, maar als het om je kind gaat sta je daar per definitie anders in. Met mijn studenten kom ik nooit tot een eenduidig antwoord.”

Bevolkingsboekhouding

Nederland leent zich uitermate goed voor stamboomonderzoek. Onze bevolkingsboekhouding is sinds het begin van de 19e eeuw kwalitatief erg hoog en bovendien digitaal beschikbaar, met index. In genealogische kringen spreken ze van ‘the best indexed country in the world’.

Binnenkort in Nederland?

Ondanks deze ethische bezwaren bereikt de inzet van genealogische DNA-databanken door politie nu ook Europa. In juni van dit jaar arresteerde de Zweedse politie een verdachte in een van de meest beruchte moordzaken die het land ooit heeft gekend. De achtjarige Mohammed Ammouri liep op 19 oktober 2004 naar school toen een man hem uit het niets doodstak. Anna-Lena Svensson, 56, probeerde in te grijpen. Dat moest ook zij met de dood bekopen.

Zestien jaar lang hebben nabestaanden moeten leven zonder te weten wie achter de moorden zat en wat het motief was. Tot in 2019 bij wijze van proef ook de Zweedse politie een DNA-profiel in particuliere databanken uploadde. Op basis van de resultaten volgden maanden van stamboomonderzoek. Verdachte Daniel N. heeft inmiddels zijn schuld bekend.

Meulenbroek, die als medewerker van het NFI veel met cold cases te maken heeft, volgt de ontwikkelingen op de voet. “We kijken er met grote interesse naar, het is enorm fascinerend wat dit in Amerika oplevert”, vertelt hij enthousiast. “Het zijn stuk voor stuk dramatische zaken waar ongelooflijk veel leed is en levens vernietigd zijn. Dus als er zich een nieuw opsporingsmiddel voordoet waarmee je dit soort mysteries kunt oplossen dan moet je daar goed naar kijken. Dat ben je ook verplicht aan de slachtoffers en nabestaanden.”

Minister Grapperhaus lijkt die overtuiging te delen. In februari schrijft hij dat inzet van genealogische DNA-databanken ‘een interessante methode’ kan zijn. Maar, benadrukt hij in dezelfde brief, het is belangrijk dat eventueel gebruik van de databanken op zorgvuldige wijze gebeurt.

Meulenbroek maakt deel uit van de verkenning waarbij het ministerie van Justitie en Veiligheid, het openbaar ministerie, NFI en de politie kijken naar de technische, juridische en ethische aspecten die de methode met zich meebrengt. “Als het zo makkelijk was om het zomaar even te doen, had men dit overal in Europa al lang ingezet. Het hangt ook heel erg af van hoe de samenleving hier in staat. Ik denk dat het belangrijk is dat we over elke stap goed vooruit moeten denken, helder hierover communiceren en onderzoeken of er draagvlak is in de samenleving. En als het mag worden toegepast, ervoor zorgen dat er duidelijke afspraken zijn, eenduidige kaders en toetsingscommissies. Eigenlijk zoals we dat in Nederland hebben geregeld bij het grootschalige DNA-verwantschapsonderzoek onder bevolking. Zoals dat is ingezet bij de zaken van Marianne Vaatstra, Milica van Doorn en Nicky Verstappen.  Dergelijke onderzoeken vragen de samenleving ook veel, maar we hebben wel gemerkt dat er in die gevallen veel draagvlak voor was, en het heeft uiteindelijk ook veel opgeleverd.”

Alleen als uiterste redmiddel, in zeer zware delicten die al jaren onopgelost zijn en die een grote maatschappelijke impact hebben gehad. Bij dit soort zaken ziet Meulenbroek eventuele mogelijkheden voor het inzetten van de databanken. Een andere mogelijkheid is de inzet bij het identificeren van onbekende doden.

Victor Toom juicht dat laatste toe, maar ziet ook de risico’s. “Bij succes kan het een breekijzer worden om ook er in andere soorten zaken mee te gaan werken. Ik hoop dat we het dan eerst goed wettelijk gaan regelen.” GEDmatch biedt inmiddels inderdaad de mogelijkheid om Amerikaanse zaken die gewelddadige overvallen of zware mishandeling betreffen te behandelen, waar dit eerst alleen bij moorden en verkrachtingen kon.