Er wonen tientallen Syriërs in Nederland die in het thuisland martelingen hebben uitgevoerd in de beruchte gevangenissen van president Assad. Maar het blijkt zeer lastig om hen te vervolgen.

Als René op een dag uit het raam kijkt van de trein waar hij inzit op Amsterdam Centraal, verstijft hij. De Syrische man die om veiligheidsredenen alleen met zijn voornaam in de krant wil, is dan vier jaar in Nederland. Op het perron ziet hij een gezicht dat hij kent. Het is een van de drie mannen die hem gemarteld en verkracht heeft toen hij vastzat in een gevangenis van het Assad-regime in Syrië. “Ik raakte in paniek. Ik ben naar huis gegaan en was niet in staat ook maar iets te doen.”

Een paar dagen later doet hij aangifte bij het Team Internationale Misdrijven, een gespecialiseerd team van de politie. Daar heeft hij over gelezen in een folder die Vluchtelingenwerk verspreidde . “Er stond in dat je het moest laten weten als je informatie had over oorlogsmisdadigers”, zegt hij. Er werd contact met hem opgenomen. Na een telefonisch gesprek was er een ontmoeting in een café. “Ik heb hen verteld wat ik wist, maar ook dat ik geen naam had. Ze zeiden dat ze de camerabeelden zouden natrekken”, zegt hij. Dat was in 2017. “Daarna heb ik nooit meer iets gehoord”.

Onderzoek van Trouw en Argos wijst uit dat er mogelijk nog tientallen andere daders van het Assad-regime rondlopen in Nederland. Ze worden herkend door hun slachtoffers of worden opgespoord door de Syrische gemeenschap. Zowel daders als slachtoffers worden behandeld voor trauma’s, aldus psychotherapeut Antoine van Sint Fiet van het in oorlogstrauma gespecialiseerde centrum Arq ‘45. Het gaat om tussen de 50 tot 100 mensen, denkt hoogleraar Uğur Üngör van het NIOD, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies.

Nederlandse zaak

Er wonen inmiddels 125.000 Syriërs in Nederland. Duizenden daarvan hebben vastgezeten in gevangenissen van het Assad-regime.

Het opsporen en veroordelen van de mensen die in de beruchte gevangenissen werkten, blijkt lastig. Het Openbaar Ministerie (OM) kan alleen een rechtszaak beginnen als het slachtoffer de Nederlandse nationaliteit heeft of de dader in Nederland is. Dat schrijft universele jurisdictie voor. 

In augustus vorig jaar begon de eerste zaak tegen een mogelijke dader van het Assad-regime. De inhoudelijke behandeling volgt later dit jaar. Volgens het OM was de man lid van de Liwa al-Quds militie en was hij aanwezig bij de arrestatie van twee burgers. Hij wordt ervan beschuldigd medeplichtig te zijn aan hun latere foltering en marteling door de Syrische inlichtingendienst van de luchtmacht.

Het OM vervolgt de verdachte voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, wat betekent dat de misdaden onderdeel zijn van een wijdverbreide of stelselmatige aanval tegen een burgerbevolking. In Duitsland werd vorig jaar een kolonel van de Syrische inlichtingendiensten schuldig bevonden aan misdaden tegen de menselijkheid voor de folteringen en moorden die er in de gevangenis onder zijn bewind hadden plaatsgevonden.

“Als je het hebt over oorlogsmisdrijven en zeker als je het hebt over misdaden tegen de menselijkheid vergt dat een ongelooflijk diep onderzoek, omdat je ook moet laten zien wat de structuur achter de ten laste gelegde feiten in deze zaak is”, aldus Fritz Streiff, mensenrechtenadvocaat aan het Syrische Centrum voor Media en Vrijheid van Meningsuiting (SCM). Hij helpt Syrische slachtoffers bij het starten van een rechtszaak. Deze NGO tipte het OM over de Liwa al-Quds zaak en heeft dossiers over minstens vijf andere verdachten aan het OM overhandigd. “Mijn hoop is dat er meer rechtszaken worden gevoerd de komende vijf jaar”, aldus Streiff.

Tips

Het OM en het Team Internationale Misdrijven van de politie (TIM) krijgen dagelijks tips binnen. Een groot deel gaat over Syrië. Maar die zijn lang niet allemaal bruikbaar. “Slechts een fractie van de tips bevat informatie die echt het verschil kan maken. Bijvoorbeeld van een ooggetuige van oorlogsmisdrijven, gepleegd door iemand die zich in Nederland bevindt”, zegt Mirjam Blom, senior officier van justitie van de afdeling internationale misdrijven bij het Landelijk Parket van het OM.

Het team bestaat uit 43 mensen, waarvan 20 zich richt op het Midden-Oosten. Daarmee is het  één van de grootste teams dat zich bezighoudt met oorlogsmisdaden ter wereld. Zij voeren ongeveer 20 onderzoeken per jaar uit, aldus Blom, waarvan rond de helft betrekking heeft op Syrië en Irak. “Maar naast die 20 onderzoeken loopt er nog een groot aantal vooronderzoeken, in allerlei verschillende fasen. En niet elk vooronderzoek, leidt vervolgens tot een opsporingsonderzoek of tot een rechtszaak”, zegt Blom.

Bewijs vergaren voor een misdaad die in Syrië gepleegd is, is lastig. Aanwijzingen dat een Syriër in Nederland in een bepaalde gevangenis heeft gewerkt, is niet genoeg. Iemand kan pas als verdachte worden aangemerkt als deze persoon bijvoorbeeld betrokken was bij martelingen. En dan moeten slachtoffers daarover willen getuigen, of moeten er documenten of ander bewijs gevonden worden waaruit dit blijkt, aldus Blom. “Dus het is best een hoge lat juridisch om iemand als verdachte van internationale misdrijven aan te merken.”

De daders

Er zijn twee categorieën daders in Syrië: de geweldsprofessional en de gelegenheidsdader, aldus hoogleraar Üngör. “Je hebt de professionelen, die werken voor één van de vier inlichtingendiensten van het Assad-regime. Die hebben de taak om mensen op te pakken en te martelen. Dat is wat ze doen.” Degenen die tijdens de opleiding het martelen niet aan kunnen, worden op kantoor gestationeerd. Deze daders zullen Syrië niet vaak verlaten.

Daarnaast zijn er gelegenheidsdaders. “Je hebt mensen die er ingerold zijn. Dat zijn mensen van 12 ambachten, 13 ongelukken. Die hebben nooit gewoon werk kunnen vinden. Ze zijn ergens geëindigd als cipier, want iemand heeft ze een baantje gegeven.”

De laatste categorie slaat het vaakst op de vlucht. Dat blijkt ook uit onderzoek van Üngör. Hij interviewde 85 slachtoffers en 35 daders voor een getuigenissenbank. Trouw en Argos vertaalden een interview met zo’n gelegenheidsdader. Hij kon geen baan als ingenieur vinden en ging toen voor de nationale veiligheidsdienst werken. Hij luisterde onder andere mensen af. 

De omstandigheden in de gevangenis verslechterden drastisch na 2011, zegt hij. “De dood is de eerste keuze, en in leven blijven is een tweede optie”, aldus de man. “Een gevangenisdirecteur vertelde zijn gevangenen dat hij 60 procent van hen moest doden. Hij zei dat rechtstreeks tegen hen.” Hij noemt de gevangenissen “een enorme vogelverschrikker voor Syriërs”, omdat iedereen in Syrië weet wat er gebeurt als je daar terecht komt. “De gevangenis is als een wezen dat onder ons leeft, ik bedoel het groeit en wordt kleiner en wordt wilder, of rustiger. Het verandert voortdurend, maar het leeft altijd onder de Syriërs.”

Getuigen

Getuigen zijn cruciaal in zaken tegen daders uit het gevangenissysteem. De bewakers zijn niet te vinden op sociale media en telefoons zijn in de gevangenissen “helemaal verboden”, aldus de dader.

Maar meestal zijn getuigen te bang om te praten. “Hier in Nederland zijn heel veel Syrische slachtoffers van Assad”, zegt Khaled Haj Saleh, die zelf de gevangenis overleefde en nu probeert Syrische daders in Nederland op te sporen. “De mensen zijn bang, ze hebben familie daar. Het regime vergeet nooit, ze houden alles in de gaten”, zegt hij.

Familieleden van getuigen of slachtoffers die zich uitspreken zijn in Syrië bedreigd, aldus Hope Rikkelman, projectleider Syrië en Irak van de Nuhanavic Foundation, die slachtoffers van oorlogsmisdrijven bijstaat. Een mogelijke oplossing hiervoor is het anoniem laten verklaren van getuigen. 

Bewijslast IS

Slachtoffers van het Syrische gevangenissysteem zit nog iets anders dwars. Het is voor hen moeilijk te verkroppen dat de nadruk lijkt te liggen op het berechten van leden van de Islamitische Staat (IS). Terwijl het Assad-regime verantwoordelijk is voor bijna 90 procent van alle burgerdoden, en meer dan 98 procent van alle dood door foltering.

Nederland heeft inmiddels 4 rechtszaken voor internationale misdrijven gevoerd rondom Islamitische Staat. Dit voorjaar stonden 12 Nederlandse uitreizigers terecht voor onder andere hun lidmaatschap van Islamitische Staat - een terroristische organisatie.

“Op het moment dat ik een stukje informatie heb over lidmaatschap van IS, dan zie ik het hele OM achter dat stukje informatie aanrennen. Maar als wij 100 stukjes informatie aanleveren over één van de daders van Assad, gebeurt er niks”, zegt HajSaleh bitter.

Blom begrijpt die frustratie. Maar er zijn ook misverstanden. “Wij kunnen alleen iemand aanklagen die de wet heeft overtreden. Wij zijn niet een gedachtepolitie. Je mag in Nederland zeggen, hoe pijnlijk dat ook zal zijn voor slachtoffers, dat je een aanhanger bent van Assad. Je mag alleen geen terrorisme steunen en je mag ook geen oorlogsmisdrijven begaan”, zegt ze. “Dus we kijken heel goed. Heeft iemand zich nou daadwerkelijk schuldig gemaakt aan strafbare feiten?”

Die nuance moet hij keer op keer uitleggen, zegt Diab Serrih, voorzitter van de Association of Detainees and the Missing of Sednaya Prison. Hij geeft workshops om Syriërs uit te leggen wat het verschil is tussen crimineel gedrag en niet strafbare feiten. “Dat iemand gewapend was, wil nog niet zeggen dat ze oorlogsmisdaden hebben gepleegd”, zegt hij. “En vaak denken mensen dat ze iemand te pakken hebben maar was het gewoon een soldaat. Iedereen in Syrië moet in dienst.”

Bovendien hebben niet alle tipgevers zuivere motieven. “Je moet niet vergeten, Syrië is een land in burgeroorlog. Allerlei mensen hebben een persoonlijke rekening te vereffenen met andere mensen. Dus als er iemand is die ik persoonlijk niet aardig vind, kan het ook zijn dat ik hem aangeef bij de politie en zeg dat die man misdaden heeft gepleegd”, zegt hoogleraar Üngör.

Dat zegt ook Mohammed. Hij wordt door een landgenoot verdacht van oorlogsmisdaden. Hij zou in Syrië mensen hebben vermoord. Tenminste, dat beweert de tipgever. Als bewijs verwijst hij naar een Facebookaccount met foto’s van de man in verschillende militaire uniformen, waaronder een van Quwat al-Ridha, een Sjiitische militie. Mohammed woont inmiddels in Rotterdam. Hij is vorige zomer getrouwd. Aan de telefoon geeft hij toe dat het account dat de tipgever heeft gevonden van hem is, maar zegt hij de kleren te hebben geleend. De foto’s werden genomen ‘voor de leuk’. Hij heeft problemen met een andere Syriër en verdenkt hem ervan de melding te hebben gedaan. De politie heeft hem nooit benaderd.

Dit soort lastige zaken vergen heel veel onderzoek. Het OM zegt pas informatie over een zaak naar buiten te kunnen brengen op het moment dat een verdachte is gearresteerd. Daarom horen getuigen vaak lang niks, hoewel het OM nu wel probeert te laten weten dat ze met een zaak bezig zijn. 

René is nog altijd boos dat zijn dader vrij rondloopt. “Als ik hem nog een keer zou zien, zou ik hem proberen te vangen. Ik wil niet dat de daders hier gewoon kunnen leven”, vertelt hij geëmotioneerd in zijn flat. Overal hangen Nederlandse souvenirs: Delfts blauwe windmolens, een foto van koningin Maxima. Hij is trots op zijn nieuwe thuis. De verschrikkingen van zijn tijd in Syrië probeert hij achter zich te laten. Het zou hem wel helpen als zijn daders zich zouden moeten verantwoorden voor zijn wandaden. “Ik ben een getuige, ik wil graag bewijs leveren. Ik weet geen namen, maar wel nog hun gezicht, hoe ze eruitzien. En hoe ze ruiken”, zegt hij. “Ik wil graag gerechtigheid.”

De hele naam van René is bekend bij de redactie, net als die van Mohammed. De anonieme dader uit dit verhaal staat in de getuigenissenbank van Uğur Üngör van het Niod. 

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).