Ik beken, ik heb gehamsterd. Tien kilo broodmeel en drie gerookte makrelen, ongeveer de dingen die Onze-Lieve-Heer zo wonderbaarlijk vermenigvuldigde op de oever van het meer van Galilea. Ik gehoorzaam aan een opdracht die sinds het begin der tijden in ons werkzaam is: leg voorraad aan voor tijd van schaarste. Als soort komen we uit millennia van schaarste voort, de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van levensmiddelen in de supermarkt is op de tijdlijn van de menselijke evolutie nog maar vanmorgen begonnen.

Vandaag keren we naar onze oorsprong terug, in de supermarkt die het toneel is van een ingehouden soort paniek. Handen worden ternauwernood in bedwang gehouden door zelfbeheersing, en grijpen langzamer naar de laatste blikken tomatensaus dan ze eigenlijk zouden willen.

Tussen de schappen wordt volop gerocheld en gehoest. Ik hou mijn adem in en heradem pas weer bij de glutenvrije producten.

Ginds sakkert een dame tegen een vakkenvuller dat niemand de vereiste afstand bewaart. ‘Ze staan je goddorie overal op de lip!’

De supermarkt is het bange hart van de coronacrisis.

Over lege wegen rij ik terug naar huis. Verlaten ligt het land erbij. Met gevoeliger zintuigen dan de onze had je de verbazing van de dieren over de onwerkelijke rust kunnen opmerken. Is er onder de mensen niet ook hier en daar opluchting te bespeuren? Kleine, clandestiene haarden van vreugde over de vastgelopen raderen van de sociaal-economische machinerie? Niet over de eenzamen vanzelfsprekend, over de zieken en de doden, maar over het meedogenloze regime van tijd en arbeid dat als bij toverslag zijn macht verloren had. Er was geen doel meer, geen schema waaraan moest worden voldaan. Gezond blijven, niet sterven, dat was alles.

Sommigen zouden de verveling van hun quarantaine productief maken door het schrijven van dagboeken of het lezen van romans, die goede oude analoge genoegens, die geduldig hadden gewacht tot ze weer nodig waren op een dag.

Anderen begonnen een moestuin, het was er het seizoen voor. Ze herinnerden zich misschien hoe na de financiële crisis veel Griekse jongeren naar het platteland waren getrokken. De stad had ze uitgespuugd, nu ze haar genoegens niet langer konden betalen. De band met het land was in Griekenland nooit zo rigoureus verbroken als bij ons. Ze waren de aarde trouw gebleven, in de woorden van Nietzsche. Ze bewerkten het land, snoeiden de olijfbomen, hielden bijen en stookten alcohol. Een klein leven. Hard werken voor weinig opbrengst, maar het was beter dan niets. Velen zouden naar de stad terugkeren als ze de kans kregen, anderen vonden vervulling in het leven van hun voorvaderen.

Een paar jaar geleden werd in Nederland een staatssecretaris weggehoond toen ze ouderen aanspoorde om een moestuin te beginnen als aanvulling op hun pensioen. Ten onrechte, want het was een goed idee. De smaak van zelfgekweekte tomaten is onverslaanbaar. En wie Marlon Brando aan het eind van The Godfather zag omvallen tussen zijn tomatenplanten, weet: doodgaan in je moestuin is een goede dood.

Meer Mondo? 
Volgs ons voor dagelijkse cultuurtips op Facebook en Instagram