De vrolijke wetenschap

22ste Nationale Wetenschapsquiz

, Hans van Wetering

De Nationale Wetenschapsquiz (VPRO/NWO) wordt, dit jaar met gewijzigd format, weer gepresenteerd door Ionica Smeets en Pieter Hulst. Eindredacteur van het eerste uur Rob van Hattum is afgehaakt. Een terugblik op 22 jaar vragen, proefjes, discussie en controverse.

De opzet van de Nationale Wetenschapsquiz is gewijzigd. Speelden voorheen steeds vertegenwoordigers van één beroepsgroep tegen een team van wetenschappers, dit jaar binden drie tweekoppige teams, elk bestaand uit een wetenschapper en een kunstenaar, met elkaar de strijd aan. Fysicus Reinoud Lavrijsen vormt een koppel met zangeres Frédérique Spigt, hoogleraar psychiatrie Iris Sommer gaat samen met stand-up comedian Tex de Wit, en schrijfster Simone van Saarloos verenigt zich met hoogleraar Cybersecurity Michel van Eeten. Nieuw is ook dat de drie wetenschappers elk een mini-college geven en de andere teams daar vervolgens open vragen over krijgen. Gebleven zijn de veelal met proefjes geïllustreerde meerkeuzevragen waarover het publiek zich jaar in jaar uit tijdens de feestdagen de hersens pijnigt.

Dat die vragen worden verzonnen door een mannetje dat zich ergens in de spelonken van een omroepgebouw in Hilversum zit te verkneukelen tot het moment dat hij los mag, is een mythe; de vragen komen overal vandaan. De redactie, bestaande uit een eindredactrice, twee natuurkundigen en een historicus, verzint ze zelf, maar ze worden ook aangeleverd door medewerkers aan universiteiten, en dan zijn er natuurlijk nog de kijkers.

Sommige vragen krijgen we telkens weer toegestuurd, zegt Rob van Hattum, die onlangs het stokje definitief overgaf aan de nieuwe eindredacteur Hansje Quartel. Waarom gaat een kopje koffie anders klinken zodra je er melkpoeder in doet (1999, vraag 19), hoe komt het dat aan het eind van het wasprogramma het kleine wasgoed in de dekbedhoes is gedraaid (2006, vraag 14), waarom blijft plastic in een afwasmachine altijd nat (2004, vraag 12) – niet zelden zijn het alledaagse ergernissen die mensen aan het denken zetten.

Alfa/gamma

‘Een goede vraag verzinnen is niet heel moeilijk,’ zegt Van Hattum, ‘veel lastiger is het een goed fout antwoord te bedenken: antwoorden die geloofwaardig zijn, maar tegelijk ook onzin. Geloofwaardige onzin verzinnen, dat is nog een hele kunst.’

Lange tijd bestond de quiz vrijwel uitsluitend uit bètavragen, want die lieten zich leuk demonstreren met proefjes. En bij die keuze speelde ook mee dat bètawetenschap op tv een ondergeschoven kindje was. Van Hattum: ‘Beleidsbepalers binnen de omroep hadden zoiets van: ik snap er niets van, en als ik het niet snap dan vinden mensen het niet interessant.’

Maar dat laatste is veranderd. Het archetype van de nerdy, de wereldvreemde geleerde is verleden tijd. Voorgoed voorbij zijn de dagen van de professoren Lupardi en Zonnebloem. Bètawetenschappers zijn sexy geworden, kijkcijferkannonen die telkens weer mogen aanschuiven bij veelbekeken praatprogramma’s. Het komt wellicht doordat technologie een veel grotere rol is gaan spelen in ons dagelijks leven, zegt Van Hattum, en die technologie heeft nu eenmaal zijn oorsprong in de wetenschap.

Maar dat de quiz de laatste jaren meer alfa/gammavragen telt is toch vooral omdat de groep kijkers groot is en lang niet elke kijker bètabegaafd. Probleem met die alfa- en gammavragen is wel dat meningen en opvattingen een grotere rol spelen, zegt Van Hattum. ‘Het is nogal eens gebeurd dat wij leuk onderzoek ontdekten, dachten: ha, daar kunnen we iets mee doen, en het vervolgens toch minder duidelijk bleek te liggen dan wij dachten.’

Indeuken

Maar niet alleen de ‘zachte’ wetenschappen leenden zich voor discussie.
2004, vraag 16: Je hebt een zak met een witte bal. Je doet er blind een rode of witte bal bij. Vervolgens haal je één bal uit de zak. Die blijkt wit te zijn. Hoe groot is de kans dat de resterende bal ook wit is?

De vraag, en vooral het fout veronderstelde antwoord, zorgde op techfora voor verwoede discussies en bracht een enkeling er zelfs toe om een computerprogrammaatje te schrijven uitsluitend bedoeld om die ene vraag te beantwoorden. ‘Statistiek zorgt vaak voor discussie, maar we hebben daarin nog nooit een fout gemaakt,’ zegt Van Hattum, ‘juist omdat we het zelf moeilijk vinden, hebben we het altijd voorgelegd aan de beste statistici die er zijn. En uiteindelijk moeten mensen altijd erkennen: oja, maar daar heb ik niet aan gedacht.’

Hetgeen niet wil zeggen dat het nooit echt mis ging. Zo werd eens een fout antwoord als het juiste gepresenteerd. 1996, vraag 16: Waarom deuken fietsbanden in als iemand op de fiets gaat zitten? ‘We hadden er ter illustratie zelfs een hele proef bij bedacht. De opnames werden gemaakt, het werd uitgezonden en toen belde degene die de vraag had toegestuurd: “ja, ik wil niks zeggen hoor, maar jullie hebben gewoon het foute antwoord gegeven, met een fout proefje erbij”.’

Instituut

Soms ook bleek het goede antwoord pas veel later onjuist, gevolg van voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Zoals bij die ene vraag in de allereerste uitzending.

1994, vraag 8: Hoeveel zwarte gaten zijn er tot nu toe ontdekt in het heelal? Het antwoord ‘Geen’ werd goed gerekend, maar al tijdens de uitzending ontstond daarover discussie met natuurkundige Vincent Icke. ‘En ja, inmiddels is er toch wel stevige bewijsvoering.’

In het buitenland wilden ze er niet aan, alhoewel Van Hattum de quiz er wel heeft gepitcht. ‘Meestal vond men het een leuk idee, maar ook erg ingewikkeld, dat al die kranten er aan mee moesten doen enzo.’ In Nederland is de quiz na 23 jaar een niet weg te denken instituut geworden.

De quiz heeft altijd grote groepen kijkers getrokken, zegt Van Hattum, en er zijn ook wel voorbeelden bekend van wetenschappers die als jonge kijker geïnspireerd door het programma zelf voor een wetenschappelijke carrière kozen: ‘Presentatrice Ionica Smeets heeft volgens mij zelf van jongs af aan naar de quiz gekeken. Dat het programma bij mensen enthousiasme voor wetenschap heeft gewekt, is toch een mooi resultaat. En ja, misschien hebben we ook wel iets bijgedragen aan het ontstaan van dat andere beeld van de wetenschapper op tv, er iets aan bijgedragen dat tegenwoordig vaker wetenschap te zien is. Dat gevoel heb ik wel. En ach, daar komt het toch op neer, wetenschap is ook gewoon leuk.’