Gebrina is veertien als ze uit huis wordt geplaatst. In de eerste twee jaar die ze onder de hoede van Jeugdzorg doorbrengt, wordt ze maar liefst vijf keer overgeplaatst. Elke keer een nieuwe plek, een nieuw gezin, en nieuwe regels. ‘Ik heb wel eens bewust spullen in mijn koffer gelaten. Ik dacht: als ik toch weer ga, dan zit het er alvast in.’

Gebrina, nu negentien jaar oud, woont samen met haar vriend in Zwolle. Er lopen vier katten rond en op de achtergrond horen we het gezoem van een aquarium met goudvissen. 

Vijf jaar geleden, op haar veertiende, besluit Gebrina niet meer bij haar moeder te willen wonen. Er zijn veel ruzies thuis en ze loopt vaak weg. Andere keren verplicht haar moeder Gebrina een paar uur het huis te verlaten, zelfs wanneer ze ziek op bed ligt. Ze vlucht naar haar vader toe. Daar wil ze wel graag wonen, maar de jeugdbescherming vond het ook daar niet veilig. 

Een jeugdbeschermer komt haar opzoeken en neemt Gebrina apart. Ze krijgt twee opties: terug naar haar moeder met extra begeleiding, of een uithuisplaatsing. Gebrina heeft er geen vertrouwen in dat extra begeleiding thuis zal werken. ‘Dus toen heb ik gezegd, dan ga ik liever weg.’ Ze mag geen afscheid nemen van haar vader, ondanks dat ze daarom vraagt. 

Bedonderd

De jeugdbeschermer neemt Gebrina mee naar het kantoor van de jeugdbescherming. Terwijl er een plek voor haar gezocht wordt, moet ze de hele dag daar wachten. Als ze naar de wc gaat of een luchtje wil scheppen, moet er iemand mee. Ze voelt zich net een gevangene. ‘Ik heb me echt bedonderd gevoeld. Alsof de jeugdbeschermer niet helemaal eerlijk was geweest.’

Die avond om acht uur is er eindelijk een plek voor haar gevonden. Ze komt terecht bij een boerderij buiten de stad, bij een vrouw die nog een ander pleegkind in huis heeft. Het is een crisispleeggezin: bedoeld als tijdelijke plek voor een maand of drie. Bij binnenkomst worden met een kop thee de regels besproken. ‘Ik was niet gewend aan regels en structuur. Nu moest ik ineens diezelfde avond nog om negen uur naar bed, terwijl ik normaal om twaalf uur ging slapen. Ik dacht echt: help!’ 

Omdat er op korte termijn geen geschikte vaste plek voor Gebrina gevonden wordt, verblijft ze uiteindelijk een jaar op de boerderij. Ze raakt gewend aan de structuur, de plek en de pleegmoeder. Maar dan komt het bericht dat er een gezin gevonden is, waar ze definitief terecht kan. ‘Ze haalden me zelfs op met een auto en aanhanger, zodat ik mijn spullen mee kon nemen. Dus leek het allemaal superleuk.’ Maar in praktijk pakt het anders uit. 

‘Mijn koffers waren al naar beneden gehaald, zo van: pak maar in.’

Hulp bij huiswerk

Gebrina merkt namelijk al snel dat haar nieuwe pleegouders het lastig vinden om met een puber om te gaan, naast de zorg voor hun eigen, veel jongere, kinderen. Ook krijgt ze het gevoel niet gelijk te worden behandeld. Wanneer ze bijvoorbeeld vroeg om hulp bij haar huiswerk, kon dat nooit, omdat de andere kinderen ook thuis waren. 

Niet lang erna wordt besloten dat het beter is als Gebrina vertrekt. ‘Ik heb er een paar maanden gewoond. Het klikte gewoon niet’. Ze gaat op visite bij een potentieel nieuw pleeggezin. In dezelfde stad, maar dit keer een boerderij langs de snelweg, met drie andere kinderen van haar eigen leeftijd. Ondanks dat aanvankelijk alles in orde lijkt te zijn, twijfelt Gebrina. Ze weet niet of ze hier wel wil wonen. Maar als ze thuiskomt lijkt de keuze al voor haar gemaakt. ‘Mijn koffers waren al naar beneden gehaald, zo van: pak maar in.’ Gebrina voelde zich niet meer welkom, dus vertrok naar het volgende pleeggezin.

Kan ik niet voor altijd blijven?

Op die derde plek heeft ze zich ook nooit echt thuis gevoeld. Er zijn veel discussies. Op een avond krijgt Gebrina ruzie met haar pleegouders, omdat ze haar laptop en telefoon niet mee naar boven mag nemen. Haar pleegouders proberen Gebrina’s laptop af te pakken. ‘Mijn pleegmoeder ging op mijn rug zitten, en mijn pleegvader trok aan mijn arm om de laptop onder mijn buik weg te krijgen.’ De dag erna zijn haar armen bont en blauw. Ze vertelt haar begeleider diezelfde avond nog zich niet veilig te voelen bij het gezin, ‘en toen heb ik gezegd, ik wil hier weg.’

Dan komt ze, opnieuw, terug bij het crisisgezin waar haar reis begon. Dat bevalt haar eigenlijk wel. Ze waardeert nu zelfs de bedtijd om negen uur. ‘Het voelde heel fijn en vertrouwd. Ik heb aan mijn pleegmoeder gevraagd: kan ik niet tot mijn achttiende blijven? Helaas kon dat niet. Maar ze snapte het wel.’ Uiteindelijk wordt Gebrina geplaatst in een begeleid wonen huis voor jongeren. Ze is dan zestien, en blijft er tot haar achttiende verjaardag. Daarna staat ze op straat.

'Ze zeiden wel: we zijn er voor je. Maar ik kreeg geen arm om me heen wanneer ik me ellendig voelde.’

Niet gewild

Na een tijd bij haar zus te hebben verbleven, woont Gebrina inmiddels een jaar samen met haar vriend. Terugkijkend was het wel heftig om tussen haar veertiende en achttiende vijf keer te zijn verhuisd: ‘Dat moet ik nog wel gaan verwerken.’ Waar dat hem dan in zit? ‘Het gevoel dat je niet welkom bent, of niet gewild.’ Ze vond het niet fijn dat er weinig met haar werd gecommuniceerd door de jeugdzorgmedewerkers. ‘Het geeft een naar gevoel als je niet wordt meegenomen in een beslissing die wel om jou gaat. Alsof je er niet toe doet.’  

Om zich te beschermen is ze heel goed geworden in haar emoties wegstoppen. Te goed wellicht. Nog steeds heeft ze moeite met het vertrouwen van volwassenen, bang dat ze niet eerlijk tegen haar zullen zijn. ‘Maar ik probeer het me zo min mogelijk te laten beperken.’ Wat ze ook erg gemist heeft, is liefde. ‘Ik heb nooit echt een knuffel gehad. Ze zeiden wel: we zijn er voor je. Maar ik kreeg geen arm om me heen wanneer ik me ellendig voelde.’

‘Achteraf denk ik wel eens: was ik maar gewoon bij mijn moeder gebleven. Maar dan denk ik ook: dan zou ik allemaal mensen nu niet in mijn leven hebben. Dus er waren slechte kanten aan, maar ook goede’ Bij haar diploma-uitreiking afgelopen jaar had ze vijftien mensen meegenomen, terwijl het er maar eigenlijk twee mochten zijn. Haar oude pleegmoeder, haar zus, de groep waar ze toen woonde. Ze kon niet kiezen. ‘Mijn mentor vond het allemaal goed. Die begreep de situatie en zei: neem ze maar gewoon allemaal mee.’