Veiligheid als exportproduct

, Maarten van Bracht

De export van Israëlische beveiligingstechnologie is booming. Sinds de terreuraanslagen van 2015 en 2016 toont ook Europa grote belangstelling.

Het Israëlische ministerie van Defensie kondigde het november vorig jaar zelf aan: 2017 wordt het jaar van de export van cyber security, want meer dan twintig landen zouden grote belangstelling aan de dag leggen voor Israëls geavanceerde veiligheidstechnologie. ‘We doen extra ons best om onze verbazingwekkende vaardigheden aan te laten sluiten op de behoeften van onze vrienden wereldwijd,’ heette het. Israël is onverholen trots op zijn veiligheidsindustrie. Met de toenemende export van veiligheidstechnologie zijn vele miljarden gemoeid. Ook in Europa neemt de interesse toe nu de veiligheid van zijn burgers door de terreuraanslagen in Parijs, Brussel, Nice en Berlijn niet langer gegarandeerd lijkt. Deskundigen, politici en media wijzen naar Israël, waar op het gebied van inlichtingen, bewaking, veiligheid en defensie veel kennis en expertise voorhanden is, genoeg om de eigen bevolking effectief te beschermen tegen terreur. Israël heeft die positie in hoge mate te danken aan het langdurige Israëlisch-Palestijnse conflict, ofwel zijn ervaringen opgedaan in de bezette gebieden, en de hechte relatie tussen het Israëlische leger en de particuliere veiligheidsindustrie. 

In Staat van paraatheid volgens Israël inventariseert regisseur Nirit Peled wat het Israëlische veiligheidsmodel zo succesvol maakt en wat voor wereldbeeld de afnemer met de export ervan krijgt meegeleverd.

Erella Grassiani, als antropologe werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar Israëls veiligheidsindustrie en hoe de export van beveiligingstechnologie z’n beslag krijgt. Vorig jaar organiseerde ze daaromtrent het symposium Securitizing Worlds. Grassiani: ‘Israël groeit uit tot de grootste en belangrijkste speler in security. Die veiligheidsindustrie is wijdvertakt, het gaat om technologie, hardware, bijvoorbeeld hekken, muren en dergelijke, maar ook om kennis over hoe je bijvoorbeeld het veiligheidssysteem van een vliegveld of een zeehaven opzet. Dan heb je nog wapentuig, van handwapens tot tanks en vliegtuigen, maar ook uitrustingen en trainingen voor politie en beveiligers die gevechtstechnieken krijgen aangeleerd. Ook beveiligers van niet zo frisse regeringsleiders worden getraind. Dat laatste gebeurt onder de radar.’

Wie zijn erbij betrokken?

‘Zowel de staat als het bedrijfsleven. De private security sector is sterk gelieerd met de staat en het leger. Hooggeplaatste leger­employés gaan op hun 45ste met pensioen en hebben dan volop tijd om hun kennis en ervaring op de markt gooien. Als ondernemers blijven ze samenwerken met hun old boys-circuit bij Defensie. Je kunt spreken van netwerken die nauw met elkaar verbonden zijn. Dat gaat heel ver. Gal Hirsch bijvoorbeeld was als hoge legerofficier tijdens de Tweede Intifada betrokken bij langetermijnoperatie Defensive Shield, totdat hij in de Libabonoorlog fouten maakte en uit het leger werd ontslagen. Toen begon hij beveiligingsbedrijf Defensive Shield – hij had er gewoon een merknaam van gemaakt. Hij deed zaken met bedenkelijke regimes maar werd later wel voorgedragen als hoofdcommissaris van politie. Nu kom ik hem tijdens mijn veldwerk regelmatig tegen als deskundige bij conferenties. Let wel, het gaat om in Israël gerespecteerde zakenlui, al zijn het in onze ogen misschien louche wapenhandelaren. Men is trots op hun verdiensten in het leger en bedrijfsleven. Dan heb je nog de mensen die uit legereenheid 8200 komen. Dat zijn computerspecialisten, hooggetalenteerde jongens die door bedrijven worden weggekocht. Of ze beginnen gespecialiseerde start-ups die ze voor veel geld weer verkopen. Dat is dus een andere categorie dan de zakenmannen die na een lange carrière in de hogere legerregionen voor zichzelf zijn begonnen.’

En nu hebben ze ook Europa op het oog?

‘Ze waren hier al langer actief in de beveiliging, maar kregen toch moeilijk voet aan de grond. Nu, na de terreuraanslagen, kunnen ze zeggen: zie je nou wel, we hadden nog zo gewaarschuwd maar jullie geloofden het niet, met je wetten en mensenrechten. Maar wij kunnen helpen, wij hebben de ervaring.’ 

Dat valt toch niet te ontkennen?

‘Ja, maar het gaat ook om het nationalistische verhaal dat Israël om de sector heeft gebouwd: wij worden al zo lang aangevallen door vijanden en terroristen. Zo wordt het verkocht, waarbij alle verwijzingen naar de bezetting, Palestijnen en mensenrechten eruit zijn gefilterd. Onder het motto: dat snappen ze in het Westen toch niet, de Europeanen zijn naïef of bevooroordeeld. Maar wij kennen de terroristen en ook de islam. Veel bedrijven geven trainingen waarin de islam direct wordt gekoppeld aan terrorisme. Daar hebben ze in het buitenland succes mee.’

Ze doen, zonder de Israëlische context, alsof hun ervaring overal toepasbaar is?

‘Niet dat ze die verzwijgen, maar ze doen het nu ook in Europa voorkomen alsof we een gezamenlijke vijand hebben: we zitten in hetzelfde schuitje, daarom is ons model ook goed voor jullie.’

Grassiani, geboren in Israël maar al lange tijd in Nederland, heeft een dubbel paspoort. Ze deed veel onderzoek in Israël, waar ze beveiligingsbeurzen en -bedrijven bezocht. ‘Ik was bijna overal welkom, hoewel ik geen klant ben, maar wetenschapper. Maar ze denken: leuk, uit Amsterdam, misschien kan ze daar wat voor ons betekenen.’ Ook in Los Angeles, Nairobi en Rio de Janeiro bestudeerde ze hoe Israëlische bedrijven en consultants hun technologie aan de man brengen. In Kenia wordt de beveiliging van winkelcentra in Nairobi en de haven van Mombassa door Israëli’s geregeld, Kenianen worden door hen opgeleid als beveiligers. Grassiani: ‘Ik ben vooral geïnteresseerd in de microprocessen rond de industrie, het verhaal waarmee die bedrijven hun waar verkopen. Het imago van no-nonsense, stoer, masculien, vindingrijk is een specifiek, eenzijdig beeld van Israël. Het staat voor wij tegen hen, vriend tegen vijand, goed tegen kwaad. Het berust op uitsluiting, angst en bedreiging. Wat betekent het als we dit soort technologie en de implicaties ervan allemaal normaal gaan vinden?’