De Nederlandse universiteit staat onder druk. Maar waarom precies? In het nieuws klinken alarmerende cijfers over burn-outs onder studenten, hoogleraren schrijven kritische opiniestukken en de afschaffing van een studiebeurs zou van de universiteit een exclusief onderonsje maken. In de webserie Wat is wijsheid verkent VPRO Tegenlicht de verschillende standpunten in de discussie over de kwaliteit van onderwijs.

Waar hebben we het over?

Op 25 februari 2015 liep ik als eerstejaarsstudent mee in een demonstratie tegen het ‘rendementsdenken’ aan mijn universiteit. Het protest resulteerde in een bezetting, nadat de houten deuren van het Maagdenhuis kraakten onder het gewicht van de onvrede. 46 dagen lang werd het bestuurszetel van de Universiteit van Amsterdam bezet, maar ook na de ‘Maagdenhuisbezetting’ gingen de discussies door. De bezetting kreeg een magische lading en ik studeerde in een tijdperk van verandering. Althans, dat dacht ik.

De kritiek van toen klinkt nu nog steeds door in een duizelingwekkend aantal discussies, artikelen en beleidsdocumenten. Petities worden opgezet en nieuwe protesten staan op de agenda. De onvrede en problemen nemen alleen maar toe; de debatten lijken complexer dan ooit. Het blijft rommelen aan de universiteit, nu ook internationalisering, burn-outs onder jongeren en de stijgende prijs van studeren onder de aandacht komen. Om die abstracte mengelmoes te kunnen duiden, las ik over de klachten in 2015, om vervolgens te onderzoeken wat er nu speelt. Een poging tot overzicht.

De Maagdenhuisbezetting

Op 25 februari 2015 protesteerden studenten van de Universiteit van Amsterdam tegen de het ‘rendementsdenken’ van het universiteitsbestuur. De mars stopte voor deuren van het Maagdenhuis, de bestuurszetel van de universiteit, maar de demonstranten braken door de poorten..46 dagen lang werd de bestuurszetel van de Universiteit van Amsterdam bezet door zowel studenten als docenten en omgevormd tot vrijplaats om met elkaar in gesprek te gaan over de vraag waartoe de universiteit op aarde is en hoe hoger onderwijs eruit zou moeten zien. De bezetting was de uitbarsting van de onvrede onder docenten en studenten over de beslissingen van de universiteit, die volgens bezetters louter werden gedreven door neoliberalisme en winstbejag. Het Maagdenhuis was behalve broeiplaats van discussie ook de geboorteplaats van verschillende groeperingen, zoals deDecentralen, De Nieuwe Universiteit, University of Colour en Humanities Rally.

I: Druk op de docent

In januari 2018 werd de discussie over werkdruk op scherp gezet toen Eelco Runia ‘met een éénregelige mail zijn riante baan aan de universiteit opzegde’. Kort daarna verscheen zijn verklaring in het NRC Handelsblad, waarin de hoogleraar geschiedenis bekritiseert hoe de intrede van ‘allesoverheersend neoliberalisme’ de nadruk heeft gelegd op studiepunten, aanwezigheid en het aantal behaalde diploma’s in plaats van de kwaliteit van onderwijs.  

Niet voor het eerst moest neoliberalisme het ontgelden als bron van alle kwaad.

Die verklaring klinkt vaak ongeveer zo. Uit vrees voor studenten die eindeloos over hun studie doen, besloot de overheid jaren geleden meetbare gegevens als uitgangspunt te nemen in de financiering van onderwijs. Opleidingen worden getoetst aan de hand van kwantitatieve data, zoals het jaarlijkse aantal bachelordiploma’s, cijfergemiddeldes en studiepunten. Hoe sneller een student een opleiding afrondt, hoe minder hij/zij de universiteit kost. De universiteit verdient door zo veel mogelijk studenten zo snel mogelijk met een diploma op de arbeidsmarkt af te leveren. Wie dat het beste doet, verdient de meeste punten en stijgt langzaam op de ranglijst van universiteiten.

Volgens filosoof Graham Locke leidt deze visie tot het idee van universiteit als industrie, waarin efficiëntie de boventoon voert. ‘Het doel lijkt eerder om zo veel mogelijk producten tegen zo laag mogelijke kosten te produceren.’ Studenten moeten zo snel mogelijk de vereiste vakken halen, zonder tijd te verliezen en daarmee de efficientie te verlagen.

En Eelco Runia schetste hoe die drang naar efficiënt onderwijs er in de praktijk uitziet. Studenten moeten nu wekelijks vooruitgang bewijzen met extra opdrachten, tussentijdse tentamens en essays. Die geven de docenten, die hun administratie te allen tijde moeten kunnen verantwoorden meer druk, juist nu het aantal studenten bijna dubbel zo hard groeit als het aantal docenten. Onbelangrijke taken, zoals het nakijken van verslagen en invoeren van cijfers, dragen niet bij aan kwaliteitsonderwijs, maar kosten docenten meer en meer tijd. Antropoloog en activist David Graeber, ook aanwezig in het Maagdenhuis, constateerde al eerder dat de universiteit tegenwoordig uit een onvoorstelbare hoeveelheid bullshit-jobs bestaat.

Casper Thomas

Casper Thomas

Voordat ik aan dit artikel begon, sprak ik met Casper Thomas, die als redacteur van De Groene Amsterdammer nauw betrokken was bij de verslaggeving van de Maagdenhuisbezetting. Het vertrek van Eelco Runia verraste hem hem niet.

“Dat staat in lijn met de discussie die voortdurend in het Maagdenhuis te horen was. Deze actie bewijst bovendien dat deze problematiek niet toevallig alleen in Amsterdam plaatsvond.”

“De hoeveelheid die je tijdens je werk moet doen is enorm, maar het gaat ook om de hoeveelheid die je buiten je reguliere werk om moet doen aan administratieve verplichtingen en het aanvragen van beurzen. Dus de schil om de kern van het werk heen wordt zo dik, dat het ten koste gaat van de kern zelf; namelijk kennisoverdracht. Daar gaat het over, en dat is nog niet weg. En dat speelt niet alleen in Nederland, maar op de universiteit wereldwijd.”

Marktwerking dwingt dus ook wetenschappelijk onderzoek tot aanpassing. De ‘door efficiëntie gedreven industrialisatie’ veroorzaakt namelijk een moordende concurrentie onder hoogleraren om een onderzoeksbeurs te bemachtigen. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) honoreert slechts een klein percentage van de onderzoeksvoorstellen. De eisen om in aanmerking te komen voor een beurs, zijn streng, ontnuchterend en dwingen enthousiaste onderzoekers zich urenlang te bekommeren om het juist invullen van standaardvragen. Wie zijn voorstel het best naar de speerpunten van de universiteit schrijft, wint de concurrentiestrijd en mag onderzoek gaan doen. Hij/zij ontvangt een beurs om onderzoek te doen en kan zich daarmee ‘vrijkopen’ van de collegezaal en het geven van onderwijs. Onervaren krachten met tijdelijke contracten moeten de gaten opvullen.

Daarnaast ligt  de druk bij onderzoekers hoog om veel en vaak te publiceren. Ieder artikel levert de universiteit punten op. Publicaties in het Engels tellen dubbel. En al die punten bezorgen de universiteit weer een plaats op de wereldwijde ranglijst van topuniversiteiten. Het loont simpelweg meer om vaak korte artikelen te publiceren dan om één uitvoerig stuk te schrijven. De Britse hoogleraar Stefan Collini waarschuwde al in 2012 dat dit puntensysteem zou leiden tot een plaats waar niet kwaliteit, maar valse objectiviteit nu de centrale eis geworden is.

 

(tekst gaat verder onder afbeelding)

II: Studeren op de bonnefooi

Ook voor studenten vormt financiering een reden tot gemor. Veelgehoord is dat de kosten van het onderwijs steeds vaker bij de student zelf komt te liggen en de universiteit slechts toegankelijk is voor hen met kapitaal. De gemiddelde studieschuld stijgt exponentieel sinds de afschaffing van de studiebeurs - studenten kunnen nu tegen een lage rente lenen - en voor veel middelbare scholieren zou de drempel naar de universiteit nog hoger zijn geworden.

VPRO Trees maakte een reeks podcasts over de gevolgen van het nieuwe sociaal-leenstelsel en laat bovendien zien dat een torenhoge studieschuld ondertussen normaal begint te worden. Toch lijken de opgelopen kosten hoogstens tot meer thuiswoners te hebben geleid: de inschrijvingen nemen vooralsnog niet af. Het diploma blijft een heilige graal voor wie de arbeidsmarkt betreedt, en dus kan het nog lang duren voordat studeren echt té duur is.

“Het economische belang is ondergeschikt wanneer je voorblijft op je concurrenten op de arbeidsmarkt. Die investering loont zich dus bijna altijd. Zowel monetair als inhoudelijk.

En er is een punt waarop mensen zullen zeggen: ja zo veel ga ik niet betalen. Maar belangrijk is dat de voordelen van hoogopgeleid zijn niet alleen financiële zijn. Het blijkt dat hoogopgeleiden gezonder zijn, langer leven, in betere buurten wonen. Ze hebben in alle opzichten een prettiger leven. Nou, dan zal het heel lang duren voordat die investering het niet meer waard is. En dat geeft de aanbieder van die diploma’s, de universiteiten en de overheid behoorlijk veel macht.”

In die zin lijkt de student nu de dupe te zijn van de stijgende onderwijskosten. Salarissen en onderwijskosten gaan omhoog, maar de universiteit kan niet, zoals een traditioneel marktmodel voorschrijft, opeens ‘goedkoper’ studenten produceren, omdat kennisoverdracht en de relatie tussen student en docent moeilijk sneller en efficiënter kunnen. Maar nu dat eenmaal moet, zijn er maatregelen geïntroduceerd die studenten dwingen sneller te studeren. Een voorbeeld is het Bindend Studie Advies (BSA): een minimaal aantal punten dat studenten in hun eerste jaar moet halen om door te mogen naar het tweede jaar. Te weinig punten? Dan moet je stoppen met de studie: de universiteit heeft geen tijd voor vertraging en krijgt er geen geld voor.

Voor de één is het BSA een goede stok achter de deur: studenten kiezen bewuster een opleiding (zonder motivatie red je het niet) en vinden doelgerichter dan ooit hun weg naar de arbeidsmarkt. Voor anderen ondermijnt het juist de kernwaarde van studeren: een zoektocht naar je eigen interesse en ruimte om te twijfelen, rommelen en te mislukken.

III: Internationalisering

Ten derde klinkt er een verhitte discussie over internationalisering. Het aantal buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten is in de afgelopen jaren enorm gegroeid en heeft er indirect toe geleid dat veel studies het Engels als voertaal zijn gaan hanteren. Ruim 20 procent van de bacheloropleidingen is nu Engelstalig, maar bij masteropleidingen is dat al 74 procent. ‘Leuk, zo’n internationale sfeer’ zou je denken, maar als goede professoren plotseling in hakkelend Engels college moeten geven, leidt dat taalonvermogen tot oppervlakkiger onderwijs waar nuance naar de achtergrond verdwijnt. Het was voor de Vereniging Beter Onderwijs Nederland de reden om een petitie te starten tegen de ‘verschraling van onderwijs’. Maar volgens sommigen brengt de verengelsing in het hoger onderwijs ook het Nederlands zelf in gevaar, doordat de taal zijn levendigheid verliest en steeds minder mensen zich met het Nederlands identificeren.

De oorzaak van die verengelsing ligt volgens velen bij het financieringssysteem. Universiteiten worden per student gefinancierd, maar nu het aantal Nederlandse aanmeldingen stagneert, is het aantrekkelijk om ook in buitenlandse vijvers te vissen. En dat werpt zijn vruchten af, want onlangs bleek dat meer buitenlandse dan Nederlandse studenten zich hadden aangemeld voor een bacheloropleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Universiteiten mogen voorlopig nog zelf bepalen wie ze aannemen en hoe hun opleidingen worden ingericht. De overheid stelt namelijk geen eisen of quota, maar de roep om overheidscontrole klinkt steeds luider. Kort geleden werd er een akkoord gepresenteerd, waarin universiteit hebben afgesproken de groei van aantallen buitenlandse studenten te remmen.

IV: Interdisciplinair rendement

Tenslotte rukt interdisciplinair onderwijs op. De stijgende kosten van studeren en het gebrek aan ruimte om te twijfelen dwingt studenten vaker vanuit rendement te beslissen. Een verkeerde studiekeuze kost veel geld en opleidingen zonder baangarantie zien de inschrijvingen teruglopen. Met name binnen de Geesteswetenschappen komen traditionele, vakspecifieke disciplines, die altijd al weinig studenten trokken, in het nauw. Sterk specialistische opleidingen maken plaats voor interdisciplinaire studies, die de belofte dragen nauw aan te sluiten op maatschappij en banenmarkt. Populaire studies als Liberal Arts and Sciences en Future Planet Studies oogsten enerzijds lof voor vernieuwende curriculum en de potentie om bruggen te slaan tussen disciplinaire eilanden, maar anderzijds kritiek, omdat ‘een beetje kennis van alles’ het zou afleggen tegen iemand met vakspecialistische kennis.

De arbeidsmarkt en de maatschappij praten dus steeds vaker mee. Niet langer is de wetenschap het hoogste doel. Universiteiten besluiten meer en meer in samenspraak met potentiële werkgevers uit non-profit sectoren, het bedrijfsleven en de overheid, hoe opleidingen er uit zullen zien. Is het zwaartepunt van de universiteit dan verschoven van onderzoeksinstituut tot marktgerichte opleider? Vragen zoals deze, en ook de filosofische variant “Waartoe is de universiteit op aarde?” klinken steeds vaker.

Daarbij is ook de vraag gemoeid wie er over de universiteit mag beslissen. Vroeger bepaalden hoogleraren en wetenschappers de koers, maar dankzij schaalvergrotingen en standaardisering kunnen ook niet-academici carrière maken binnen de bestuursorganen. Een nieuwe, hiërarchische opzet maakt het mogelijk om de uitdijende universiteit draaiende te houden, maar leidt tot frustraties en onvermogen onder docenten en studenten, die de afstand tot de bestuurders zien groeien. Iedere vraag of klacht loopt van de ene naar de andere bestuurslaag, om tenslotte in Den Haag te eindigen.

In de ogen van Casper Thomas is schaalvergroting, en daarmee complexere besluitvorming, steeds vaker de aanjager van vervreemding binnen de eigen universiteit.

“Het lijkt erop dat uitbreiding elke keer aan de basis staat van de problemen die breder spelen. Of het nu om studentenraden gaat, om inspraak, wetenschappers, nieuwe manieren waarop de universiteiten worden gefinancierd of de manier waarop geld wordt verdeeld. En vaak wordt dan gewezen naar gestandaardiseerde processen.
Die zijn minder menselijk, zakelijker en technischer. En ik denk dat heel veel van de onvrede daar zit.”

De Maagdenhuisbezetters, en nu hun opvolgers zoeken dus op verschillende manieren naar een menselijker universiteit. Studenten en docenten proberen meer grip te krijgen op de heersende top-down structuur en eisten in 2015 meer inspraak en democratisering van de universiteit. Onder meer de partij ‘deDecentralen’ werd opgericht. Zij kwam in de studentenraad terecht en mocht toezien hoe een nieuw universiteitsbestuur de beloofde hervormingen waar zou maken.

Maar het mocht niet baten; deDecentralen hief zichzelf recent op omdat drie jaar meepraten niet tot de gewenste decentralisering had geleid. Eerder dan de mogelijkheden tot hervorming onderzoeken, kregen ze amper macht en moesten ze waken voor verdere achteruitgang. ‘En nu is de controle helemaal weggevallen.”

Toch is er een kanttekening. Niet alleen de universiteit kan aangewezen worden als aanjager van een systeem dat alles meetbaar maakt.

“Het rendementsdenken komt ook voort uit de samenleving. Het is een eis van de student die zegt: ‘Ik wil waar voor mijn geld als ik ga investeren in deze universiteit.’ En ik denk dat dat hele academische model met de focus op investeren, renderen en dat meten, gaandeweg zo gegroeid is.”

Hoe dan wel?

Alle kritiek doet verlangen naar een alternatief. Maar bestaat er zoiets als een ideale universiteit, waar de wensen van studenten verenigbaar zijn met de realiteit? Met iedere oplossing of voorstel, doemen er nieuwe vraagstukken op. Casper Thomas zag tijdens zijn onderzoek geen overtuigend voorbeeld van hoe het wel moet.

“Ik denk dat het ook goed is dat er verschillende universiteiten bestaan. Je hebt die kleine nodig, en je hebt die grote nodig. De manier waarop je een universiteit inricht, heeft ook te maken met het doel. Als jij een grote universiteit begint, heb je meer standaardisatie en fabrieksmatige handelingen nodig dan een sterk selectieve universiteit. Het is zo context-afhankelijk dat er niet echt één universiteit bestaat waarvan je zegt: dat is het.”  

Misschien moeten we juist niet op zoek naar één perfect instituut, maar begrijpen dat iedere context om een andere vorm vraagt. Van de fabrieksmatige mega-universiteiten in de Verenigde Staten en Azië tot het prestigieuze Cambridge: ieder dient zijn eigen doel en past bij de verwachtingen die de samenleving ter plaatse heeft. Desalniettemin moet die relativering geen reden zijn om je te onthouden van kritiek. De Nederlandse roep naar een menselijker systeem klinkt urgent en mag én moet reden zijn om de vraag - waartoe de universiteit op aarde is - te blijven stellen.