De Participatiewet moest de arbeidsmarkt inclusiever en toegankelijker maken voor wie het niet in zijn eentje redt. Het tegenovergestelde gebeurde. Sociaal werkbedrijven verkeren ondertussen in zwaar weer, terwijl een deel van hun doelgroep thuis zit. ‘Het is afhankelijk van je postcode of iemand wel of niet wordt geholpen.’

Harken in de bosjes, handen uit de mouwen steken bij een kringloopwinkel of lampen in elkaar schroeven; mensen die het zonder ondersteuning niet redden op de arbeidsmarkt kunnen terecht bij sociale ontwikkelbedrijven (ook wel sociaal werkbedrijven genoemd). Van oudsher de specialisten in het het begeleiden van mensen met, zoals dat in de sector heet, ‘een afstand tot de arbeidsmarkt’. Sinds het veranderen van de wetgeving zijn de budgetten voor die begeleiding sterk verlaagd. De WSW (Wet Sociale Werkvoorziening) stopte en minder jongeren ontvingen een Wajong-uitkering. In plaats daarvan kwam de Participatiewet, bedoeld om mensen met een arbeidsbeperking naar werk te begeleiden.

In het rood

Econoom Robert Capel deed onderzoek naar de financiële stand van zaken bij de leden van  Cedris, de branchevereniging voor sociale ontwikkelbedrijven. Veel staan diep in het rood. De budgetten voor begeleiding zijn onder de Participatiewet namelijk aanzienlijk lager. Per individueel geval scheelt het grofweg 10.000 euro, terwijl de tijd, energie en investeringen die het kost om de doelgroep aan het werk te helpen niet minder is geworden. Capel: ‘De afgelopen jaren hebben we gezien dat de sector als geheel tussen de 100 en 200 miljoen jaarlijks verlies lijdt. Er zijn bedrijven die nog zwarte cijfers schrijven, maar het grote midden – bedrijven van zo’n duizend werknemers – hebben een jaarlijks tekort van zo’n twee miljoen.’

Theorie versus praktijk

Die tekorten worden nu nog aangevuld door gemeenten, maar de vraag is hoe houdbaar dat op de lange termijn is. Sociale ontwikkelbedrijven zien de impact nu al op het aantal langdurig werklozen dat doorverwezen wordt. ‘De Participatiewet is een beetje ideologisch ingegeven,’ vertelt Capel. Wanneer mensen binnen de WSW terechtkwamen dan kregen ze daar vaak een vast contract en bleven ze daar voor de rest van hun leven werken. De Participatiewet moest er juist voor zorgen dat mensen buiten de deuren van sociaal ontwikkelbedrijven aan de slag konden. Ivo Korte, directeur van sociaal ontwikkelbedrijf Tomingroep. ‘De WSW-regeling werd een gouden kooi. Het stimuleerde mensen niet om uit de regulering te komen en door te groeien.’  

Robert Capel voegt daaraan toe: ‘Met de nieuwe wet wilde de regering ervoor zorgen dat er ook een voorziening was voor de allerzwaksten.’ Die voorziening kwam er ook. Voor mensen die absoluut niet kunnen werken zonder intensieve begeleiding bestaat er nu ‘beschut werk’. Mensen werken dan veelal binnen de veilige muren van een sociaal ontwikkelbedrijf. Daarnaast is er een groep die elders aan de slag kan, bij een reguliere werkgever. Met wat begeleiding en ondersteuning moeten zij al een heel eind komen, tenminste dat is het idee.

‘Maar er bestaat ook een heel grote middengroep. Een bekend voorbeeld is de plantsoenmedewerker. Die kan goed werken, maar dan wel in een omgeving met een goede voorman of collega’s die op hetzelfde niveau zitten.’ Juist die middengroep is ‘problematisch’, zegt Capel. Daar wordt geld op verloren. ‘En dat betekent een duivels dilemma voor een directeur van een werkbedrijf of voor een wethouder; dat als je die mensen een dienstverband gaat geven, dan zul je er toch geld op toe moeten leggen.’

Een deel van de doelgroep verdwijnt uit beeld, terwijl de verwachting was dat dankzij de Participatiewet méér mensen zouden aankloppen bij sociale ontwikkelbedrijven. Capel: ‘Wat ik zelf persoonlijk heel verontrustend vind is dat het aantal inactieve jongeren tussen de 15 en 25 gegroeid is. Dat zijn jongeren die niet werken en ook geen onderwijs volgen, terwijl het ondertussen heel goed ging in de economie. Dat vind ik persoonlijk heel verontrustend.’
 

Postcodezorg

Uit een rondgang van Argos langs de sociale werkbedrijven komen vergelijkbare geluiden. Met name werkloze jongeren worden gemist. Dan gaat het bijvoorbeeld om jongeren die voorheen een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen, via de Wajong. Tomingroep-directeur Korte: ‘Vooral niet-uitkeringsgerechtigden zijn moeilijk te vinden. Zij worden ondersteund door een ouder of een partner. Die mensen zijn dus niet in beeld bij de gemeente en dat is een grote zorg voor ons.’ 

De voorzitter van Cedris, Mohammed El Mokaddem, herkent het probleem. ‘De gemeente moet het doen met beperkte middelen, dat betekent dat je niet iedereen kan toestaan en toelaten.’ Volgens El Mokkaddem kampen veel gemeenten met te krappe budgetten, bijvoorbeeld voor jeugdzorg. Dat stelt ze voor een dilemma: de tekorten van het sociaal werkbedrijf aanvullen gaat ten koste van andere voorzieningen. ‘Eigenlijk is het te gek voor woorden dat je de gemeenteraad opzadelt met dit soort vraagstukken. Ga je een kind uit je stad of dorp helpen of steek je dat geld in een sociaal ontwikkelbedrijf?’

Volgens Mohamed El Mokaddem zijn de verschillen tussen gemeenten dusdanig groot dat er sprake is van postcodezorg. ‘Als je net in een gemeente woont waar maar plek is voor tien man, en jij bent nummer elf, dan krijg jij dus geen hulp. Terwijl een gemeente verderop misschien honderd plekken heeft en er maar vijftig gebruikt.’

Thuiszitters

Hoeveel mensen er precies ‘kwijt’ zijn, is niet duidelijk. Het vermoeden is dat de groep die voorheen nog vanuit de WSW of Wajong werd begeleid nu vooral thuis zit. Veel andere opties op beschut werk of doorstroombegeleiding zijn er in het huidige stelsel niet. Capel: ‘Nee. Als mensen worden geholpen, dan gebeurt dat vaak binnen een onderdeel van de gemeente. Dus als zij buiten een sociale onderneming worden geholpen, dan zou je dat wel zien.’