Ouders van wie het kind uit huis is geplaatst of onder toezicht is gesteld, kampen met slepende procedures en lange wachttijden voor hulp. Als één van de weinige advocaten richt Mieke Krol zich landelijk uitsluitend op dit soort zaken. ‘Ik heb situaties gehad, waarbij ik dacht: als dat onderzoek eerder gestart was, hadden ouders dan wel een kans gehad om uiteindelijk weer voor hun kindje te kunnen zorgen?’

Even om een beeld te krijgen: hoe druk is het bij u?
We zijn met z'n vijven op kantoor en we pakken alle ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen met elkaar op. Het is een veelomvattend rechtsgebied, ouders vragen veel van ons, wat ook logisch is. We hebben bijna allemaal dagelijks zittingen. We hebben het ontzettend druk, wat een zorgelijke constatering is.

Kunt u eens beschrijven hoe een zitting er voor een ouder doorgaans uitziet? Wat moet ik me daarbij voorstellen?
Een ouder slaapt meestal niet de nacht ervoor, is zenuwachtig, moet naar een zitting. Geen dagelijkse kost. Het gaat over hun kind: wat gaat er wel of niet goed? Wat gaan ze nu weer over mij of mijn kind zeggen? Ik merk dat ouders het heel fijn vinden als ik een uur van tevoren al met ze afspreek, zodat ik ze nog een beetje gerust kan stellen. Voor zover dat kan, natuurlijk. Dan ga je een zittingszaal in en wordt de zitting bepleit. Die duurt meestal een half uur tot drie kwartier. Dat is voor een ouder te kort, want je wilt heel veel zeggen, maar die ruimte is er niet, omdat er natuurlijk andere zaken gepland staan. En dan loop je de zaal uit en sta je als ouder weer alleen buiten.

Rechtsbescherming kinderen en ouders

Het gaat niet goed met de rechtsbescherming van kinderen en ouders, signaleert de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming.

In een recent verschenen advies laat de RSJ zich kritisch uit over de achtergestelde positie van kinderen en ouders die in een procedure zijn verwikkeld. De jeugdbescherming moet grondig veranderd worden en er moet beter worden geluisterd naar ouders en kinderen, stelt de Raad.

‘Tijd is je ergste vijand.’

Familierecht advocaat Mieke Krol

Welke problemen signaleert u als advocaat als het gaat om ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen?
Mijn grote zorg is de wachtlijstproblematiek en het gebrekkige feitenonderzoek, dat zie ik in al mijn zaken terugkomen. Stel je voor: je hebt een uithuisplaatsing van een baby'tje. Daar zijn richtlijnen voor. De ‘aanvaardbare termijn’ voor een baby is volgens de richtlijnen ongeveer zes maanden. Dat wil zeggen, de maximale tijd waarbinnen een kind weer terug naar huis kan en de tijd waarbij de onzekerheid omtrent het perspectief geen schadelijke gevolgen heeft voor de baby. Maar dan is er een wachtlijst, van ongeveer vier maanden, om een ‘perspectief-onderzoek’ te doen. Dat is een onderzoek om te bekijken of het kind wel of niet naar huis kan. In de tussentijd gaat een kind zich echter hechten aan de pleegouders. Het kind wacht niet, die gaat door met ontwikkelen en hechten. En dan is de vraag: hebben ouders dan wel een kans gehad voor een goed onderzoek op basis waarvan gezegd kan worden of een kindje weer naar huis kan? Tijd is dan je ergste vijand. Ik heb situaties gehad, waarbij ik dacht: als dat onderzoek eerder gestart was, hadden ouders dan wel een kans gehad om uiteindelijk weer voor hun kindje te kunnen zorgen?

Voelen ouders zich daarin dan voldoende gehoord, in uw ervaring?
Ik kan alleen maar naar mijn eigen praktijk kijken, naar ouders die ik bijsta. Maar ik vind wel dat een ouder regelmatig al op 0-1 achterstand staat. Wat ouders vaak te horen krijgen vanuit hun omgeving is: ‘er zal wel wat mankeren’. Of ‘er zal wel wat aan de hand zijn, want anders wordt er niet zomaar ingegrepen’. 

In mijn praktijk zie ik dat sommige ouders aangeven dat de stukken die naar de rechter gestuurd worden vanuit Jeugdzorg niet op waarheid berusten. ‘Dit klopt niet’, of ‘dit is verouderde informatie’, geven ze dan aan. Dan is een ouder heel erg bezig om dat te weerleggen. En dat maakt voor ouders dat ze ook weinig tot geen vertrouwen meer hebben in het systeem. ‘Het klopt niet, maar het staat er wel’, zeggen ze dan. Ik heb bijvoorbeeld wel eens een verzoekschrift gehad waarvan ik dacht: deze tekst is bijna hetzelfde als vorig jaar. Dan krijgen we een terugkoppeling van een gezinsberschermer, ‘het is te druk’ of ‘we redden het niet’. En dat is geen incident, maar dat gebeurt steeds vaker. 

Als een ouder bij u terechtkomt en u de vraag stelt: hoe groot schat u mijn kans in? Wat zegt u dan? 
Ik ben altijd eerlijk. Dat vind ik ook belangrijk, ik ga geen mooi weer spelen. Ik hou ze niet aan het lijntje, want ze hebben het al zwaar genoeg. Als ik bijvoorbeeld een zaak zie waarvan een kind al anderhalf jaar uit huis is geplaatst en volledig gehecht is aan een pleeggezin, ja, dan zeg ik daar ook eerlijk in: de kans is klein, maar we gaan het proberen binnen de omstandigheden. 

Als u in dit ingewikkelde systeem nou aan een paar schakeltjes zou mogen draaien. Wat zou het eerste zijn dat u zou veranderen? 
Wat ik belangrijk vind is dat een ouder gehoord wordt en dat er ook vertrouwen is naar een ouder toe. Dat er een goed en degelijk feitenonderzoek plaatsvindt. En wat er naar mijn mening ontbreekt is empathie. Vooral vanuit de gecertificeerde instellingen (Jeugdzorginstellingen in de volksmond, red). Ik zou zeggen: breng een boodschap anders, geef meer informatie. Stuur eens wat vaker foto’s van de kinderen. Zeg afspraken niet op korte termijn af met ouders. Dat zijn allemaal praktische punten natuurlijk, maar ik denk dat het juist fijn is voor een ouder als zij of hij meegenomen wordt in de besluitvorming, in plaats beslissingen eenzijdig op te leggen.