Op zijn veertiende was Anish Giri al schaakgrootmeester. Bij de Schaakolympiade, die in het Noorse Tromsø plaatsvindt, is Neerlands hoop op het voormalig wonderkind gevestigd.

Schaakolympiade, 1-14 augustus in Tromsø
Live te volgen via chess24.com
 
Rosmalen, 28 juni. De Rembrandtzaal van sociaal-cultureel centrum De Biechten is niet groter dan zo’n twintig bij twintig meter, gesloten gordijnen, tl-licht, een tafel met koffiekopjes en -kannen. Op de slotdag van het jaarlijkse Calder Cup-toernooi speelt Anish Giri (20) rapid-schaak – tien minuten per speler per partij – met drie andere grootmeesters.
Giri oogt mager achter het bord, breekbaar, stijlvol ook, in zijn stonewashed spijkerbroek en zwart gesteven hemd en Boss sneakers en met een smartphone losjes in de achterzak. Tegenover hem zit Daniel Fridman, een speler met een ongelofelijke buik die voor elke partij de ceintuur van zijn schoudertasje over de zitting van zijn stoel plaatst, de schoudertas tussen de poten van de stoel op de grond laat zakken, en vervolgens zelf op de ceintuur plaatsneemt. Het heeft iets intiems, zoals de spelers daar tegenover elkaar zitten. Terwijl ze zich over de stelling buigen komen ze met hun hoofden heel dicht bij elkaar. Na afloop van de partij, die Giri wint, fluisteren de spelers wat tegen elkaar terwijl ze met hun handen boven het bord vluchtige patronen beschrijven waarvan de betekenis de omstanders slechts kan ontgaan.
 Achter een van de andere borden in de zaal zit een klein meisje, ‘Anna-Maja Kazarian’ staat op een aan de tafel bevestigd papier. Is ze een beetje goed, vraag ik de moeder die af en toe bij het bord van haar dochter gaat kijken. Al 23 keer Nederlands kampioen, antwoordt ze stralend. ‘Ana-Maja is veertien, in haar leeftijdsklasse is ze derde van de wereld. Ze heeft het van haar opa geleerd, zelf weet ik er niet genoeg van om te zien of ze een goede of een slechte zet doet.’  

'Ik zou nooit een vriendin kunnen hebben die zelf niet schaakt. Het vormt zo’n groot onderdeel van mijn leven.'

anish giri
Twee dagen na het door hem met overmacht gewonnen toernooi ontmoet ik Anish Giri in Hotel des Indes in Den Haag. Hij staat mij in de hal op te wachten, in zijn hand houdt hij The Bonfire of the Vanities van Tom Wolfe. ‘Van een vriend gekregen voor mijn verjaardag,’ zegt de schaker die op 28 juni 1994 als Anish Koemar Giri in Sint-Petersburg werd geboren uit een Nepalese vader en een Russische moeder en die in 2008 met zijn familie naar Nederland kwam.
Ik vraag hem naar Ana-Maja, zeg dat ik het vertederend vond dat de moeder steeds even bij haar dochter ging kijken terwijl ze zo weinig van schaken weet dat ze eigenlijk geen idee heeft wat ze ziet als ze daar bij het bord staat. ‘Misschien kijkt ze naar de lichaamstaal,’ zegt Giri, ‘en ziet ze hoe haar dochter zich voelt.’
Giri leerde de zetten van zijn moeder toen hij vijf jaar oud was, maar net als bij het meisje hebben zijn ouders slechts een rudimentaire kennis van het spel. ‘Mijn moeder kwam ook wel kijken,’ zegt hij, ‘maar ze liep niet rond. Ze ging ergens zitten, las een boek, en wachtte tot ik klaar was. Het is soms lastig, voor mij en voor haar ook. Ik kan haar na een partij niet uitleggen wat mij is overkomen. Ik kan het verdriet of de vreugde niet echt delen, want ze heeft geen kennis van het spel. Ik zou ook nooit een vriendin kunnen hebben die zelf niet schaakt. Het vormt zo’n groot onderdeel van mijn leven. Heb je mijn vriendin gezien?’ vraagt hij plotseling. ‘Ze was er ook tijdens het rapid-toernooi. Ze woont in Georgië, ze is zelf een heel goede schaker.’

Daags na het interview zoek ik haar op internet op, Sopiko Guramishvili heet ze, een beeldschoon meisje, en 72ste op de wereldranglijst bij de vrouwen.

Een heel gewone jongen dus, gezegend met een groot talent en een leuke vriendin, en ouders die het spelletje niet al te serieus nemen. Het is een beeld dat bepaald niet strookt met dat andere beeld dat van de topschaker bestaat en telkens weer in films en boeken wordt neergezet: dat van de superintelligente zonderling, de briljante freak, al dan niet met slechte inborst.
De wereldkampioenschapsmatches waren natuurlijk ook nogal eens omgeven door controverse en gaven zo voeding aan dat beeld.
Fischer tegen Spasski is legendarisch. Tijdens Kortsjnoi tegen Karpov eiste de eerste dat Karpov ophield tijdens de partij vruchtenyoghurt te eten omdat diens helpers hem met de kleur van de vruchtjes signalen zouden geven. Tijdens Topalov tegen Kramnik weigerde Topalov verder te spelen tot er camerasurveillance op Kramnik’s privétoilet was geïnstalleerd, omdat hij vermoedde dat zijn tegenstander alleen maar zo vaak naar het toilet ging om ter plekke een computer te kunnen raadplegen – paranoia was zelden ver weg.

‘Maar dat is helemaal niet zoals het in werkelijkheid is,’ zegt Giri, ‘zeker nu niet meer. Het komt allemaal door die match van Fischer tegen Spasski, door de Koude Oorlog, door de Sovjet-Unie. Maar er zijn sindsdien zoveel matches geweest waarin niets gebeurde. Ik heb nooit echt een persoon ontmoet die dacht dat schaken zo’n rare activiteit was. Natuurlijk was Fischer op het laatst een beetje gek, was het een moeilijke man, maar dat zegt misschien eerder dat het schaken mensen kansen biedt die het anders lastig hebben in het leven. Er zijn nogal wat mensen in het schaken die autistisch zijn, niet op topniveau, maar het niveau daaronder, en die door schaken juist contact kunnen krijgen met andere mensen, die anders niet in staat zijn een gesprek te beginnen, maar na een partij die partij kunnen bespreken.’ 

'Ik ben nog jong, ik ontdek steeds meer dingen. Mijn rekenkracht kan nog toenemen, en door veel te analyseren wordt je begrip groter.’ 

anish giri
Ik lees hem iets voor dat C. Buddingh’ ooit over Jan Timman schreef: ‘... en toch wordt Jan nooit wereldkampioen… Hij is veel te aardig, te beschaafd, te minzaam...’
‘Vaak schrijven mensen iets alleen omdat het mooi klinkt en niet om te zeggen hoe iets echt in elkaar zit,’ zegt Giri. ‘Maar Viswanathan Anand bijvoorbeeld is heel aardig, en die werd wel vijf keer wereldkampioen. Het heeft met andere dingen te maken. Sommige spelers kunnen niet lang genoeg werken, anderen hebben een te zwak karakter, sommigen net te weinig talent.’ En hij zelf? Kan hij wereldkampioen worden? ‘Als ik mijzelf wil verbeteren, heb ik geen keuze dan daarin te geloven. Ik ben nog jong, ik ontdek steeds meer dingen. Mijn rekenkracht kan nog toenemen, en door veel te analyseren wordt je begrip groter.’
Als Giri op een dag in een match om de wereldtitel speelt is het niet onwaarschijnlijk dat hij tegenover Magnus Carlsen zit. De Noor is nog geen vier jaar ouder dan Giri, wint al een paar jaar alles wat er te winnen valt en heeft inmiddels een schaakrating die hoger is dan Kasparov of Karpov ooit bereikten. In 2011, tijdens het Tata Steel-toernooi in Wijk aan Zee, versloeg Giri de Noorse wereldkampioen, met de zwarte stukken, in slechts 22 zetten. De partij ging de wereld over. Sindsdien speelde hij nog vijf keer tegen Carlsen. Het werd vijf keer remise.
‘Ja,’ beaamt hij lachend, misschien ben ik wel de enige speler in de wereld die een plus-score tegen Carlsen heeft. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ik beter ben.’
Niet beter misschien, een Angstgegner dan? ‘Als we nu spelen heeft hij zeker de gedachte in zijn hoofd dat het eerder al zo vaak mis ging. Maar het zou pas betekenis hebben als ik de nummer twee van de wereld zou zijn en een tweekamp tegen hem zou moeten spelen. Nu is het een mooi verhaal, maar praktisch heeft het niet veel betekenis.’
 
Je wantrouwt mooie verhalen...
‘Jij stelt mij vragen, en ik denk dat ik moet zeggen wat ik vind,’ zegt hij zachtjes. 
Waarom is Carlsen zo goed?

‘Andere spelers hebben misschien een even groot talent, maar Carlsen kent geen zenuwen. Iedere speler wordt op een gegeven moment zenuwachtig, maar hij niet. Het gaat ook om persoonlijkheid, om uitstraling. Carlsen gelooft altijd dat hij wint. Die zit achter het bord en denkt: ik sta niet eerder op dan dat ik gewonnen heb, en tot die tijd ga ik doorspelen. Dat is misschien het zwakke punt van Anand, die verloor vorig jaar zijn wereldtitel aan Carlsen. Carlsen voelde Anands onzekerheid en speelde net zo lang door tot Anand een fout maakte. Anand speelt altijd op zijn gevoel, heel licht, hij heeft een enorm talent, maar als hij tegenover zo’n sterk karakter als Carlsen zit, of vroeger Kasparov, die agressiviteit uitstralen, niet alleen op het bord, maar ook in de manier zoals ze daar zitten, dan voelt Anand zich niet meer comfortabel en raakt hij uit balans, uit zijn zen-houding. Maar Anand mag niet nerveus worden.’ Hij lacht en wijst naar boven: ‘Een geniaal speler moet relaxed blijven om signalen van de kosmos krijgen.’ 

‘Een geniaal speler moet relaxed blijven om signalen van de kosmos krijgen’ 

anish giri
Het grote talent van Carlsen is die agressiviteit, die onverzettelijkheid?
‘Hij speelt om te winnen, om niets anders.’
 
Maar dat geldt voor jou toch ook?
‘Ja, iedereen wil winnen, maar als ik tijdens een toernooi tussen de rondes door met de andere spelers een beetje kaart of voetbal, dan gaat het bij ons om de lol, om ontspanning, maar voor Carlsen telt echt alleen maar wie wint, bij alles, altijd. Of hij een leuke tijd heeft, is onbelangrijk. Niet lang geleden was er zo’n voetbalwedstrijdje waarbij een van de schaakarbiters meedeed. Die man was al in de zeventig, erg sportief dus, maar vooral ook heel oud. En op een gegeven moment tackelt Carlsen die arbiter gewoon, zodat die man op de grond valt: een man van zeventig! Dat karakter zie je terug in het schaken.’

Even valt er een stilte. ‘Iedereen wil natuurlijk winnen, maar om wereldkampioen te worden moet ik nog harder willen winnen dan nu. Ik wil ook altijd winnen, meer dan bij de meeste mensen het geval is.’ Hij lacht. ‘Maar als je het vergelijkt met andere topschakers ben ik toch wel een van de aardige spelers.’ 

'Als je het vergelijkt met andere topschakers ben ik toch wel een van de aardige spelers’ 

anish giri
Als het interview klaar is, vraagt Giri waar ik heen moet. Hij is zelf met de bus, moet naar Rijswijk. Ik bied hem een lift aan. Op het Lange Voorhout neem ik wat foto’s van Giri staand voor een standbeeld van een paard. Ik vraag of het zo is – dat heb ik wel eens ergens gelezen – dat twee lopers sterker zijn dan twee paarden of een paard en een loper. ‘Dat hangt van de stelling af,’ zegt Giri, ‘waar we nu zijn, heb je meer aan een computer dan aan een banaan, maar op een onbewoond eiland is het omgekeerd. Een banaan kun je eten.’ Helder antwoord, domme vraag.
 
We lopen verder door Den Haag. Mijn richtingsgevoel laat me in de steek en ik kan de parkeergarage waar ik mijn auto heb achtergelaten niet vinden. We vragen de weg aan voorbijgangers, die geen van allen uit de stad blijken te komen, of zelfs maar uit Nederland. Verderop zijn schilders bezig. Parkeergarage Mauritskade? Een van hen wijst de richting naar de Mauritskade. ‘Maar water is er niet meer hoor, het is gedempt.’ Als we in de aangewezen richting lopen, stuitten we op water. Moeten we nu links of rechts? Nergens een parkeergarage te bekennen. We lopen inmiddels al een kwartier en passeren een gebouw waar we eerder langskwamen. Ik vraag Giri hoe laat hij thuis moet zijn. ‘Ik moet morgenochtend naar de tandarts,’ klinkt het droog. Geen spoor van ergernis, terwijl hij inmiddels toch het moment moet hebben vervloekt dat hij mij vroeg waar ik heen ging. We lopen verder. ‘Misschien ga ik wel studeren,’ zegt hij wanneer ik hem vraag of hij, nu hij van school is (hij behaalde vorig jaar zijn gymnasiumdiploma) zich alleen nog maar met schaken wil bezighouden, ‘misschien ga ik wel psychologie studeren, of een taal. Daar heb je iets aan in de wereld.’ ‘ Dan komen we op het idee het adres van de garage in de telefoon op te zoeken en begeleidt door de nasale stem van de routeplanner arriveren we ten slotte dan toch bij de auto.

'misschien ga ik wel psychologie studeren, of een taal. Daar heb je iets aan in de wereld' 

anish giri

‘Rijswijk is mooi,’ zegt hij als we even later door Den Haag rijden, ‘maar de randen van Den Haag niet. Hier zijn overal schoonheidssalons en dat soort zaken, nagelstudio’s.’ Honderd meter verderop passeren we een nagelstudio en in het volgende woonblok nog een. Dan wordt de omgeving groener en tenslotte houden we stil voor een rijtjeswoning in een boomrijke laan. Hier woont hij, met zijn ouders en zijn twee zusjes, als hij niet elders in de wereld achter een schaakbord zit. Terwijl hij de portier al open heeft, vraag ik wie het wereldkampioenschap voetbal gaat winnen. Een paar dagen eerder twitterde Giri: ‘Hoping for a day to come when Dutch chess team will be as good as its football and my calculation will be as quick as Robben. #wishlist.’ ‘Maar Duitsland gaat winnen,’ zegt hij, ‘die zijn op elke positie goed. Nederland niet, ze scoren wel. Maar die goals komen uit de lucht vallen. Ervoor is niets, en erna is niets. Dat kan niet kloppen.’