steun vpro

Ed van der Elsken, de eerste vlogger

, Colin van Heezik

Ed van der Elsken, de eerste vlogger

Colin van Heezik ,

Kenners, vrienden en familieleden over techniek en werkwijze van filmer en fotograaf Ed van der Elsken, ter gelegenheid van de grote en langverwachte overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Toen zijn fotoboek Sweet Life over zijn wereldreis gedrukt werd in Japan, stond Ed van der Elsken naast de persen te roepen dat ze de zwarte inkt zo dik mogelijk moesten drukken. Het is tekenend voor de obsessie van filmer en fotograaf Van der Elsken (1925-1990) met techniek – was hij niet aan het fotograferen of filmen, dan was hij altijd bezig met het afdrukken van foto’s of het knutselen aan zijn filmcamera’s: om beelden onder water te kunnen schieten, om zichzelf en zijn gezin te kunnen filmen in een rijdende auto, om de maan te kunnen filmen. Een rondgang langs kenners, vrienden en familieleden.

Zelfportret met Ata Kandó, Parijs (1953)

Tinelou, dochter van Ed

‘We spraken thuis nóóit over kunst, altijd over techniek. Hij nam me mee naar een instrumentmaker in Amsterdam, dat vond hij geweldig. Die hielp hem bij het in elkaar knutselen van apparatuur. Nog steeds kan ik zijn foto’s moeilijk als kunst zien. Als er een raampje kapot was plakte hij dat af met een foto. We hadden overal foto’s in huis, weet je.’

Maarten van de Kamp, straatfotograaf

‘Van der Elsken legde meestal contact met de mensen die hij fotografeerde. Sprak ze aan, stelde ze op hun gemak. Ik doe dat zelf niet, want dat pakt nu anders uit: mensen willen niet op de foto of ze zetten meteen hun social media-gezicht op. In de tijd van Ed waren ze spontaner, dus kon hij ze verleiden om iets van zichzelf te laten zien. Hij zei “Hey nozem!” of “Ah joh, ga jij nog effe een stukje daarheen.”  Zo regisseerde hij een beetje, maar zonder de spontaniteit te verliezen. Hij had zijn techniek perfect op orde. Dat moet ook, zodat je als het moment daar is totaal niet over techniek hoeft na te denken. Om dat te bereiken, moet je de rest van de tijd juist wel over techniek nadenken.’

Tweeling op de Nieuwmarkt, Amsterdam (1956)

Gina en Sonja (77), in 1956 door Ed gefotografeerde tweeling

‘Wij liepen over de Nieuwmarkt en alle mannen keken naar ons. Dat doen ze nog! Maar we hielden ze op afstand. Ze vroegen altijd of we mee uit gingen, maar we zeiden steevast nee. Daarom zei Van der Elsken dat we teasing waren, plagerig. Het was een heel aardige man en wij waren zestien of zeventien. Nee, hij vroeg niet of hij een foto van ons mocht maken. Hij deed het gewoon. Hij liep naar ons toe, maakte een praatje, en ondertussen was hij al aan het fotograferen.’

Katrin Pietsch, restaurator Nederlands Fotomuseum

‘Kleur bestond in de jaren zestig al wel, maar werd vooral gebruikt voor reclamefotografie. Het werd door veel kunstfotografen nog een beetje schreeuwerig gevonden. Van der Elsken was een kunstfotograaf die kleur gebruikte, al in de jaren vijftig, en vervolgens ook op een hoog niveau durfde in te zetten, met een heel fotoboek in kleur: Eye Love You (1977). Kleurenfoto’s drukte je niet af in een doka, maar moest je laten ontwikkelen in een laboratorium. Daar rolden dan dia’s uit waarop de foto gewoon zo was zoals je hem gemaakt had. En zo leverde Ed zijn reisfoto’s aan bij de Avenue, als dia’s. Hoewel hij heel goed was in het afdrukken van zwart-witfoto’s, had hij er geen moeite mee dat aspect te laten varen. Zo verlegde hij het maakmoment volledig naar het fotograferen: het kiezen van een onderwerp en het pakken van het moment.’

Paul van den Bos, vriend van Ed, cameraman, werkte 26 jaar met Van Kooten en De Bie

Ata Kandó bekijkt een foto bij een lamp, Parijs (1953)

‘Op zijn beroemde zelfportret in Parijs staat hij met een Rolleiflex-camera, zo eentje waarbij je van bovenaf in de lens kunt kijken. Dat werd veel gebruikt door straatfotografen, zodat ze discreet vanaf de buik konden fotograferen. Maar die 6x6-negatieven waren duur en Ed verschool zich toch niet, dus hij stapte over op kleinbeeld: een Leica.
Hij was erg goed in het uitlichten van zijn subjecten. Dat gebeurde in de tijd dat Ed begon nog met een flits die je in je hand hield, de camera in de andere hand. Als je iemand frontaal flitst wordt het gezicht erg vlak, maar een beetje van driekwart belicht wordt het mooier. Dat kon Ed al kletsend en improviserend op straat. Ik kende hem goed, want ik werkte bij hem in de doka, toen hij nog in de Koningsstraat woonde, vlakbij de Nieuwmarkt.
Hij was ontzettend goed in het afdrukken van zwart-witfoto’s. Weet je hoe dat gaat? Dat is een wonder hè, hoe het beeld dan tevoorschijn komt als de foto in het water ligt. Ed beheerste ook filmtechniek goed en was een van de eersten in Nederland die van de schouder draaiden. Hij begon met een Bolex 16mm-camera waarmee je maar drie minuten kon filmen. Dat was natuurlijk erg weinig, dus had Ed twee grote spoelen op de camera laten bouwen die vastzaten met koffersluitingen, zodat hij dan tien minuten kon draaien. Typisch Ed. Zijn vrouw Gerda deed het geluid voor hem in die tijd.
Na verloop van tijd is hij weer wat minder gaan filmen, want het was hem toch te veel gedoe. Als fotograaf kun je solistischer opereren. Ik heb toen een van Eds 16mm-camera’s van hem overgekocht, net als zijn Éclair: een prachtige, stille camera die hij had gekocht om handzaam en zonder lawaai te kunnen filmen. Hij wisselde vaak van spullen, was altijd bezig weer iets nieuws te kopen of te maken. Ook toen de eerste videocamera’s op de markt kwamen, vond hij dat meteen leuk.’

Beethovenstraat, Amsterdam (1967)

Frans Bromet, film- en televisiemaker

‘Toen ik op de filmacademie zat, zag ik Welkom in het leven, lieve kleine (1964). Dat was voor mij een openbaring. Van der Elsken was de eerste in Nederland die een film zo losjes van de schouder draaide, maar ook de onderwerpkeuze was uniek: hij maakte gewoon een film over zijn eigen leven. Filmde zichzelf bij de garage, zijn zwangere vrouw op de bank. Dat heeft mij beïnvloed. Ik maakte De Noord 20-29 en Drielandenpunt, ook over mijn eigen leven. Ciske de Rat draaide ik van de schouder. En later met bijvoorbeeld Buren praatte ik van achter de camera met de mensen die in beeld waren. Ook dat was ongebruikelijk: om jezelf op te voeren in je film. Ed deed dat, maar een maker als Bert Haanstra absoluut niet. Van Ed leerde ik dat je je als maker niet hoefde te verstoppen. Als cameraman voor televisie was hij niet bijzonder geliefd, hij was heel eigenwijs en werkte altijd vanuit de losse pols. De regels kende hij niet en als hij ze kende, trok hij zich er niks van aan. Toen ik mijn eerste klus kreeg als cameraman voor de televisie, had ik nog helemaal geen spullen. Een camera kon ik wel huren, maar een geluidsrecorder niet. Toen zag ik dat Ed zijn Uher geluidsrecorder te koop had gezet. Ik vroeg hem of ik hem mocht huren voor dat ene klusje, maar dat wilde hij niet. Dus toen heb ik hem van armoede maar gekocht. Een ellendig ding was het.’

Jan Bosdriesz, editor Turks fruit en filmmaker

‘Ed was eigenlijk de eerste vlogger: zoals hij zijn eigen leven filmde om met anderen te delen, dat was totaal nieuw. Het was technisch ook helemaal niet makkelijk, terwijl dat nu zo doodeenvoudig is. Ed was een knutselaar en zorgde dat hij de techniek had waarmee hij zo kon filmen. Hij droeg een theemuts op de camera om het geluid te dempen, dat soort dingen. “Het liefst zou ik een cameraatje in m’n kop laten bouwen,” zei hij in de documentaire die ik over hem maakte voor Het uur van de wolf.
Ik denk dat hij van dat filmen die losse stijl geleerd heeft en dat aanspreken van mensen op straat. Zo kwam hij tot het ongeposeerde, individuele dat hij zocht. Het distantieloze tussen hem en de objecten. Interessant, want in het dagelijks leven was hij helemaal niet zo sociaal. Het was een beetje een loner.
Hij werd in de filmwereld niet altijd au sérieux genomen: van film werd toen iets anders verwacht dan Eds losjes gefilmde en vrij gemonteerde egodocumenten. Inderdaad waren zijn films veel minder gestileerd dan zijn foto’s. Het is wat dat betreft interessant hoe hij zich ontwikkeld heeft, van de dramatische en wellustige esthetiek in eerste fotoboek Een liefdesgeschiedenis in Saint-Germain-des-Prés tot het rauw-realistische video-afscheid Bye.’ 

Rituele dans in Oubangui-Chari, de huidige Centraal-Afrikaanse Republiek (1957)

Zea van der Elsken (17), kleindochter

‘Het mooie aan documentairefotografie, vind ik, is dat je een heel verhaal kunt uitbeelden met een enkele foto. Ik heb mijn opa niet gekend, maar ik zou wat fotografie betreft liever in zijn tijd leven dan nu –  het was zo veel vrijer en echter en mensen waren meer zichzelf. Ik heb bijna altijd mijn camera bij me. Als ik iets zie, wil ik gewoon een foto kunnen maken. Ik heb een digitale Nikon d3200. Die is niet zo goed, maar ik heb een heel fijne lens, een Sigma 105mm met een diafragma van 2.8. Die past goed bij straatfotografie, omdat je er veel details mee kunt pakken. Ik heb ook twee analoge camera’s, een Nikon fm2 en een Minolta 300x. Ik fotografeer liever analoog, want ik vind het echter. Je moet goed nadenken, want je kunt niet een heel rolletje volschieten waarvan bijna alles mislukt is. Ontwikkelen lijkt me ook heel leuk, dus ik wil een kleine doka gaan bouwen in mijn kamer. Dan ben je echt iets aan het maken in plaats van dat je gewoon klikt.
Soms zie ik een lens van 2000 euro die ik graag zou willen, maar dat kan ik op mijn leeftijd niet betalen. Ik doe nu eindexamen en wil naar de kunstacademie in Den Haag, richting fotografie. Maar ik neem eerst een tussenjaar om gewoon vrij te kunnen fotograferen zonder aan mijn portfolio te denken. Ik hou niet van Instagram-filters en Photoshop, het is een belediging van de fotografie. Fotografie betekent: de camera gaat heel even open en dicht, een seconde of nog minder, en dat is het beeld en daar kun je niks meer aan veranderen. Dat is juist het mooie: die waarheid die daarin zit.’

Hans Beerekamp, film- en televisiecriticus

‘Ik heb op mijn twitteraccount een foto van Ed: twee vrouwen met kapsels als suikerspinnen, “uit de heup geschoten”, net zoals nieuwe media werken. Losjes en direct. Van der Elsken is een onderschatte pionier in Nederland van de cinéma vérité. Zijn films werden veel minder gewaardeerd dan zijn foto’s. Ze waren in your face, ongekamd en dat was men niet gewend. De meeste filmers in die tijd waren keurige, binnen de lijnen kleurende filmers, overwegend afkomstig uit de wereld van de opdracht- en reclamefilms. Van der Elsken werkte en leefde instinctief, vertrouwde op zijn intuïtie en had het vermogen om dicht bij mensen te komen. Dat was meer een persoonlijke eigenschap dan een technische vaardigheid. Bij een bijeenkomst op Cuba met tienduizenden mensen liep hij volgens de overlevering helemaal van achteruit het publiek naar voren, Fidel Castro aankijkend, net zolang totdat Castro zei: “Kom maar hier, jij wilt me fotograferen hè?”
Ed legde oogcontact en wist mensen te hypnotiseren, om hun ziel bloot te leggen. Maar hoe hij zijn eigen leven filmde, dat werd in die tijd narcistisch gevonden. Het verschil met Johan van der Keuken was dat Van der Elsken er geen intellectuele verdediging bij had. Hij was als Karel Appel, die zei “Ik rotzooi maar wat aan”. Zijn werk wijst inderdaad vooruit naar dat van vloggers, maar hun werk mist de ziel die het werk van Ed had.’

De tentoonstelling 'Ed van der Elsken - De verliefde camera' is tot en met 21 mei te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam