Terug naar Dakar

, Gabrielle Hagedorn

Tijdens haar huwelijk met een Senegalese percussionist leert Gabrielle Hagedorn de Senegalees-Nederlandse gemeenschap goed kennen. Na haar scheiding verdwijnt Senegal uit haar leven, totdat haar ex-man overlijdt.

Senemali in het Afrika Museum in Berg en Dal (1990)

Gabrielle, Modou en hun zoon Xadim (1992)

Tweeëntwintig, bijna drieëntwintig was ik toen ik op een salsa-avond in Paradiso twee jongens uit Senegal ontmoette. Het was 1989, het begin van een onstuimige periode in mijn leven. Ik werd een wereld ingezogen die volledig verschilde van het veilige leventje dat ik tot dan toe had geleid.

Ik werd opgenomen in de Senegalees-Nederlandse gemeenschap, waar men met elkaar at, dronk en danste. We verbleven meestal tot diep in de nacht in het leegstaande hotel aan de Leidsekade waar de jongens mochten wonen als onderdeel van een deal die zij hadden met de eigenaar. In diens andere hotels werkten zij voor een hongerloontje, waarvan desalniettemin driftig werd gespaard voor de familie in Dakar. In de verder lege kasten lagen stapeltjes papiergeld klaar om verstuurd te worden.

Ik leerde een beetje Wolof spreken, de taal van de grootste bevolkingsgroep in Senegal, en maakte kennis met gerechten als poulet yassa en thieboudienne. Heel wat anders dan de sperziebonen en bloemkool die ik van huis uit gewend was.

Bébé de chocolat

Een paar maanden na mijn introductie in dit parallelle universum kwam de zevenkoppige mbalaxband Senemali naar Nederland, een begrip in Senegal en omliggende West-Afrikaanse landen. Ik ontmoette de leden in de Melkweg, die op vrijdagavond tijdens de Roots Rhythm Nights onze vaste stek was, en viel voor het bandlid met het grootste charisma: de percussionist. De muziek van Senemali kende ik al van de lp Africa 1, die ze het jaar ervoor in Weesp hadden opgenomen: een swingende mix van westerse en Afrikaanse muziek, waarbij de complexe ritmes gespeeld op sabartrommels de boventoon voerden.

Muziek was dan ook niet meer weg te denken uit het leven dat we het gehele volgende decennium leidden. In het dagelijks bestaan, wanneer de uit Senegal meegenomen cassettebandjes van Thione Seck, Youssou N’Dour en Kiné Lam werden gedraaid, maar vooral tijdens grote levensgebeurtenissen, zoals bruiloften en doopfeesten, die in de gemeenschap plaatsvonden.

Bijna alle bandleden woonden in bij een Nederlands meisje. Er werden garantstellingen afgesloten om een legale status te verkrijgen, maar makkelijker was het om te trouwen. Grote feesten met veel eten en drankjes als bissap en bouye volgden. Er werden kinderen geboren: de ene bébé de chocolat na de andere zag het levenslicht en werd verwelkomd met een doopfeest, de ngenté. Er was altijd livemuziek.

Culturele verschillen waren moeilijker te overbruggen dan in de zorgeloze beginperiode en niet iedereen bleek even goed bestand tegen de verlokkingen van de westerse, seculiere wereld.

mouridisme

Modou Thiam (1990)

In 1990, het jaar dat wij trouwden, regis-treerde het CBS 332 Senegalezen in Nederland. Natuurlijk waren er meer Senegalezen niet dan wel geregistreerd, maar we kenden toch het merendeel van de landgenoten van mijn man. De grote emigratiegolf was nog niet begonnen. We reisden het hele land door, van Groningen tot Eindhoven, om elkaar te bezoeken.

Hoewel de cijfers aangeven dat ongeveer een derde van de geregistreerde Senegalezen in die tijd vrouw was, zag ik alleen maar mannen. Senegalese mannen met Nederlandse vrouwen.

Het waren de mannen die muziek maakten, en ook de mannen die tijdens concerten van Senemali dansten in de sabarcirkel. In een explosie van energie lanceerden de dansers zichzelf in hoge sprongen.

Een enkele keer waagde een Nederlandse vrouw, gehuld in Senegalese boubou, zich aan een solo, waarbij ik een diepe plaatsvervangende schaamte voelde. Mij niet gezien.

Als tegenhanger van al het uitgaan leerde ik over het mouridisme, de vreedzame islamitische leer van Serigne Touba, die zich verzette tegen de Franse overheerser, en over zijn leerling, Cheikh Ibra Fall. Deze twee namen kwamen in elk gesprek terug en hun iconische beeltenissen hingen bij ieder Senegalees-Nederlands koppel aan de muur.

Een aantal jaren was het leuk. Toen verschenen er barstjes in het Afrikaanse geluk. De band viel uit elkaar, er moesten baantjes worden gezocht om de nieuwe gezinnen te onderhouden. Culturele verschillen waren moeilijker te overbruggen dan in de zorgeloze beginperiode en niet iedereen bleek even goed bestand tegen de verlokkingen van de westerse, seculiere wereld.
Mijn huwelijk strandde na negen jaar. Onze kinderen bleven hun vader trouw zien, maar met de scheiding verdween Senegal langzaam maar zeker uit mijn leven.

rouwen

In mei 2016 overlijdt mijn ex-man, in Dakar. Vanuit het niets meldt zich de Senegalese gemeenschap om met mijn kinderen en mij te rouwen. We worden uitgenodigd bij oud-bandleden, er wordt gegeten en muziek gemaakt. Er wordt gebeden in de koranschool, de da’ara.

We krijgen bezoek van neefjes die neven zijn geworden en in de voetsporen van hun oom met muziek en dans de kost verdienen in Europa. Het is hartverwarmend, maar niet genoeg. We moeten ook naar Senegal. Mijn inmiddels volwassen kinderen hebben hun vader in januari voor het laatst gezien, toen ze hem wegbrachten naar Schiphol. Hij was ernstig ziek, wist dat hij niet lang meer te leven had en wilde graag bij zijn vrouw in Dakar zijn. In het huis dat hij een paar maanden daarvoor met de transitievergoeding van zijn werk had bekostigd. Alles beter dan de eenzaamheid op een bovenwoning in de Vogelbuurt, nog meer akelige onderzoeken en instanties die iets van hem wilden.

Nu moeten we echt afscheid van hem gaan nemen. Het is drieëntwintig jaar geleden dat ik voor het laatst in Dakar ben geweest en ik zie als een berg tegen de reis op. Om het iets aantrekkelijker te maken, boek ik via Airbnb een appartement in de redelijk goede wijk Sicap Baobab, zodat we niet bij familie in het armere Guédiawaye hoeven te overnachten. Privacy is in Dakar een schaars goed, weet ik nog van mijn vorige reizen.

Midden in een klamme julinacht landt het vliegtuig van TAP op Aéroport International Léopold Sédar Senghor. Onmiddellijk na het verlaten van de hal worden we van alle kanten aangeklampt en toegesist door taxichauffeurs, geldwisselaars en bedelaars. Mijn zoon, die het jaar ervoor samen met zijn vader in Dakar is geweest, kent het klappen van de zweep en wimpelt alles en iedereen af. Hij is nu de man in het gezelschap en zal mijn dochter en mij de hele reis moeten beschermen en begeleiden.

familiehuis

Op de binnenplaats met schoonzus Famata, dochter Fatou en weduwe Baty.

De volgende ochtend worden we wakker van blatende schapen, de oproep tot gebed vanuit de moskee en bouwvakkers die met veel geweld brokken beton naar beneden gooien voordat het later op de dag te heet wordt om te werken. Ja, we zijn echt in Senegal, en vandaag gaan we de familie bezoeken. Dakar is een metropool en het duurt dan ook twee uur voordat de taxi ons van de ene wijk naar de andere heeft gebracht. Guédiawaye is een aaneenschakeling van huizen, huisjes en muurtjes van beton en golfplaat. De straten en steegjes zijn van zand. We stappen uit op een kruising. Voordat we bij het familiehuis zijn, hebben we al een sliert kinderen achter ons aan. Zoveel toubabs, blanken, zien ze niet in hun buurt. Ook mijn kinderen met hun karamelkleurige huid wijken af van wat ze kennen.

Tante Ami laat ons niet meer los als we haar treffen bij het stalletje waar ze groenten, fruit en een enkele vis verkoopt. Voor mijn dochter is het de eerste keer dat ze haar tantes, ooms, neven, nichten en halfbroer ontmoet. De gelijkenis met haar vader is in veel gezichten te zien, wat ons alle drie ontroert. Ik word onthaald als de verloren schoonzus. We worden naar binnen getrokken door buurmannen en buurvrouwen, en iedereen bidt voor ons en voor de vader van mijn kinderen.

Mam Allé, de heer des huizes, is oud en broos geworden en brengt zijn dagen in de slaapkamer door, zittend op de grond of op het donkere houten bed dat de hele ruimte in beslag neemt. Ook hij is ontroerd door onze komst.

heksenketel

We krijgen trek en willen terug naar ons appartement. Het is ramadan en niemand eet of drinkt. Op straat wordt vrijwel geen eten verkocht, behalve door de jongens die langs de kant van de weg lopen en tussen de rijdende auto’s door hun waar proberen te slijten. Behangen met klokken, fluitketels, bidmatjes en pannen bieden ze zakjes pinda’s, cashewnoten en bananen aan. Je kunt echter nooit zomaar vertrekken in Dakar. Je moet wachten op een vriend, er moet geld gewisseld worden voor de Baye Fall die rondgaat met zijn bedelnap of de auto is stuk. Het is dan ook al flink laat als we bij een supermarkt iets te eten kunnen kopen. Maar waarom zouden wij klagen als de vastende familieleden niets van ongemak laten blijken?

Na slechts één dag in Dakar is mijn conclusie dat deze stad een heksenketel op een vuilnisbelt is. Al het afval ligt op straat. Schapen en geiten lopen los of staan met één voorpoot vastgebonden aan een autoband. Magere paarden staan lijdzaam in het hete zand, als ze geluk hebben kunnen ze water uit een oude badkuip drinken. Het verkeer is levensgevaarlijk. Er zijn geen regels, degene die het hardste toetert heeft voorrang. Zwart-gele taxi’s, stinkende brommers en taxibusjes voorzien van teksten als ‘Alhamdoulilah’* en ‘Barké borom Touba’** scheren rakelings langs elkaar heen.

Vrouwen met wasteilen vol handelswaar op hun hoofd en een stoet kinderen achter zich aan schrijden er tussendoor. Altijd prachtig gekleed, ondanks hitte, stof en vuil.

Xadim (l) en Fatou (r) met hun halfbroer Cheikh op het strand van Parcelles Assainies.

Nivea

Vandaag bezoeken we de weduwe. Als Baty het gordijn van de slaapkamer opzij schuift, wordt meteen zichtbaar dat de vader van mijn kinderen hier zijn laatste maanden heeft doorgebracht. Op een kastje naast het bed staan een pot Nivea, een Bolskaars en een spaarpot in de vorm van een Nederlandse koe. Vanonder het bed komen zijn gitaar, zijn kleren en zijn sieraden tevoorschijn, die mijn kinderen mogen meenemen.

Weduwe Baty is in de rouw. Voor een periode van vier maanden en tien dagen mag zij niet naar buiten en draagt ze een extra sluier. Wij krijgen een reepje witte stof om onze pols geknoopt. De stof is afkomstig van de lijkwade. Heel mooi, en heel verdrietig.

Ondanks de ramadan wordt er speciaal voor ons gekookt. We krijgen een schaal met rijst en yassa van lamsvlees, gegarneerd met tomaat en komkommer. De eerste normale maaltijd die we eten sinds we in Senegal zijn.
Baty geeft ons vast de traditionele kleding mee die we de volgende dag moeten dragen als we naar de heilige stad Touba gaan, waar het dragen van westerse kleding ongepast is.

paradijs

Moskee van Touba in de steigers.

’s Morgens vroeg proppen we ons in een klein, gehavend Peugeotje. Het is drieëndertig graden. Ik heb de net iets te strakke en veel te oranje jurk van Baty aan. De bijpassende sjaal om mijn hoofd zit niet comfortabel.

Het landschap verandert snel na het verlaten van de stad. Kale zandvlaktes met kleine en grote baobabs, apenbroodbomen. Het lijkt of er vogels in de bomen zitten, maar het blijken slierten grijs plastic van vuilniszakjes te zijn. Wat zonde. De stank die door de opengedraaide raampjes van de taxi binnen komt waaien, is bij vlagen onverdraaglijk. Langs de kant van de weg liggen etensresten en uitwerpselen, maar ook kadavers van schapen en geiten met opgeblazen buiken, de poten in de lucht. De auto rammelt aan alle kanten en af en toe moet er een onderdeel worden vastgetikt.

In Diourbel halen we tante Ndeye op. Er is vreugde om het weerzien, tante kan niet van ons afblijven. Ze spreekt alleen Wolof, waardoor de communicatie gebrekkig verloopt. Nu zitten we met zijn vieren op de achterbank, en we moeten nog minstens een uur rijden. Maar tante Ndeye heeft dit duidelijk vaker gedaan en weet precies hoe we onszelf in elkaar moeten vouwen.

Verrassend genoeg is de begraafplaats niet in Touba zelf, maar in Darou Salam, een paar kilometer ervoor. Met een extra sjaal om het hoofd lopen we door het hek. Er staat een enkele boom, waarin vogeltjes vreedzaam zitten te fluiten. Het is geen mooie begraafplaats. De zandvlakte staat vol met lage gemetselde muurtjes die de graven markeren. Aan een stok bevestigde houten of metalen bordjes laten zien wie er begraven ligt. Overledenen met wat meer geld hebben witte tegels op hun muurtje, waardoor die graven wat aan een badkamer doen denken.

Er zijn geen paden op de begraafplaats, we stappen over de muurtjes heen van het ene op het andere graf. Opeens staan we voor zijn graf: ‘Mamadou Thiam, décedé 3 mai 2016.’ Hier ligt de vader van mijn kinderen, wat een onwerkelijk idee. Mijn zoon zakt door zijn knieën en begint te huilen. Hij wordt onmiddellijk door zijn tante weggevoerd. ‘Buul jooy,’ niet huilen. De doden zijn in het paradijs en daar moeten we blij om zijn. We slikken onze tranen weg en zijn opgelucht dat de missie is volbracht.