De Fabeltjeskrant is terug! Er is een tentoonstelling, een boek, een speelfilm en in 2019 komt er een nieuwe serie. De fabeldieren werden bedacht door Leen Valkenier, die het schrijven van de verhalen na verloop van tijd als een last ervoer. Slot van een tweeluik.

In 1969 wint De Fabeltjeskrant een Televizier-Ring en krijgt het programma een permanente plek op de buis. De fabeldieren verschijnen ook op pyjama’s, gordijnen, glazen, grammofoonplaten en beschuitblikken en in de vorm van zilveren bedeltjes en sleutelhangers. De Fabeltjeskrant wordt aan meer dan veertig landen verkocht. Tekstschrijver Leen Valkenier oogst alom waardering, krijgt zijn financiën op orde en kan zich in alle vrijheid op zijn scheppende arbeid richten. De fabelkoorts leidt bij de meesten tot euforie, maar er is ook kritiek. De Fabeltjeskrant zou vrouwonvriendelijk zijn en een slechte invloed op kinderen hebben.

‘Haalt De Fabeltjeskrant de vrouw omlaag?’ kopt de De Telegraaf. Eronder staat Juffrouw Ooievaar met een protestbord afgebeeld: ‘Foei mijnheer Valkenier.’ Volgens de moeder van Lenny Kuhr worden vrouwen in De Fabeltjeskrant afgebeeld als ‘een stel kwebbelende idioten’. Anderen vinden de vrouwelijke fabeldieren ‘onsympathieke wezens’, gemaakt door vrouwenhaters om kinderen te hersenspoelen. Ook vanuit het productieteam klinkt kritiek: stemactrice Els Scherjon en regisseur Cocky Goudsmit vinden dat de fabelvrouwen een achtergestelde rol vervullen, in een ‘ouderwets patriarchaal patroon’, en in het Praathuis zitten alleen mannelijke fabeldieren eikeltjeskoffie en grenadine te drinken. Ook op het format wordt commentaar geleverd. De Fabeltjeskrant is op de markt gebracht als kinderserie, maar zit vol moeilijke teksten waar kinderen ‘geen snars van begrijpen’, stelt journalist Jacques Vroems. De serie is stiekem bedoeld voor de ouders; over de hoofden van hun kroost gniffelen ze om volwassen grapjes. Vroems krijgt bijval van een journaliste van Het Limburgsch Dagblad. De fabeldieren zijn vermomde mensen die zich als beesten gedragen. Aan de verhouding tussen Zoef de Haas en Juffrouw Cato Ooievaar ligt volgens haar een ‘sex-advertentie’ ten grondslag, waarbij Zoef, ‘dat miezerige onderkruipertje’, zich door Cato laat domineren. Niet geschikt voor kinderen, want in zulke complexe gedragingen kunnen zij zich niet herkennen.

Hoe gaat Valkenier met de kritiek om? Is hij een vrouwenhater?

Leen Valkenier

Lul of zeur

Dat Valkenier vrouwen liever niet in de kroeg ziet, kan naar het rijk der fabelen worden verwezen. Uit zijn dagboeken blijkt dat hij regelmatig met vrouwen in café Kiekeboe, De Pieper of ’t Mandje zit. Maar uit diezelfde dagboeken blijkt ook zijn moeizame relatie met het andere geslacht. Hij vraagt zich af waarom hij het beter kan
vinden met mannen en worstelt met zijn geaardheid. De ‘sterke homofiele band’ die hij met sommige mannen voelt, lijkt het idee dat hij vrouwen niet begrijpt te bevestigen. Ook het fenomeen emancipatie kan Valkenier maar moeilijk bevatten. Hij heeft het gevoel dat met dubbele maten wordt gemeten. In zijn dagboek uit hij zijn ongenoegen: waarom mag hij als man niet uithuilen bij een vrouw? Waarom moet hij ‘in deze tijd van Dolle Mina’s’ zogenaamd de ‘dorpshaan’ uithangen als het op versieren aankomt? Valkenier wordt er moedeloos van. ‘Ik begrijp niets van vrouwen. Als je ze als gelijkwaardig partner behandelt, dan krijg je later op je sodemieter, dan ben je een lul of een zeur’.

Bewaart hij de intimiteit van zijn dagboeken voor de vrouwenkwestie, bij de kinderkwestie treedt hij naar buiten in een door Vroems afgenomen interview. Met verve verdedigt Valkenier het ‘volwassen’ perspectief van de serie. Hij wil kinderen niet ‘belazeren’ en ‘naar beneden praten’, want negen van de tien keer weten ze donders goed waar het over gaat: ‘Het is ook nonsens om kinderen in heel eenvoudige taal aan te spreken, zelfs een hond hoort aan je toon hoe je de dingen bedoelt’.

Andere journalisten menen dat Valkeniers ‘neologisch woordgebruik zijn weg naar de Van Dale wel zal vinden’ en dat het ‘soepel en lenig’ bombardement van uitspraken de woordenschat verrijkt. ‘Als De Fabeltjeskrant vol zat met uitsluitend aardige dieren, dan was er niets aan,’ aldus een ingezonden brief in De Telegraaf.

Pilsjes en jenever

De kritiek waait over, maar dat geldt niet voor de groeiende wolk stress die boven het hoofd van de Fabeltjeskrant-schrijver hangt. Het is de vraag of Valkenier bestand is tegen de hoge prestatiedruk en zijn eigen succes. ‘Attentie: één ding staat als een paal boven water: ik kan mij geen grapjes meer veroorloven met drank (...) wil ik daarnaast per week 10 fabels schrijven dan moet ik niet drinken! En als het kan ook minder roken!’ Ondanks deze en andere mantra’s uit zijn dagboeken is het Valkenier nooit gelukt om de drank af te zweren. Hij ervaart ‘afknapverschijnselen’ en in 1981 bekent hij 1071 fabels met een glas drank in de hand te hebben geschreven.

Een nieuwe relatie, die vijfentwintig jaar stand zal houden, vormt een lichtpunt in zijn leven, dat door het succes van de serie op zijn kop is gezet. ’s Lands best bekeken en dagelijks uitgezonden kinderprogramma vereist een constante stroom fabels. Valkenier loopt al snel achter. ‘Ik moest er 4 klaar hebben, maar ik had er maar 2,’ vertrouwt hij zijn dagboek toe. Nerveus en ge-tergd door zijn ‘beruchte zenuwhoest’ klimt hij ’s nachts in de pen. ‘Ik ben er om half 3 ’s nachts uit gegaan. Heb mij opgekrikt met pilsjes en met een heleboel sigaretten heb ik twee fabels geschreven. ’s Morgens om een uur of 7 was ik klaar.’

Kwalitatief doen deze uit nood geboren fabels niet onder voor de rest, maar de geforceerde manier waarop ze tot stand komen, breekt Valkenier langzaam maar zeker op. Na een honderdtal fabels begint hij last te krijgen van ‘materiaalmoeheid’ en bekent hij geen fabel te kunnen schrijven ‘zonder op z’n minst een voorraadje pils en het liefst een fles jenever’.

Valkeniers alcoholgebruik komt niet uit de lucht vallen. In eerste instantie is het de oorlog die hem uit balans brengt. ‘Ik ondervond wat honger, luizen, hard werken en geschreeuw van Duitsers betekende,’ herinnert hij zich van zijn tewerkstelling in nazi-Duitsland. Na de bevrijding keert hij te voet terug en aanschouwt onderweg de meest verschrikkelijke taferelen. In 1946 bekent hij van binnen een ‘janboel’ te zijn. Steeds vaker eindigt hij zijn aantekeningen met de oproep: ‘Kom Heilige Geest. Kom Maranatha!’ Valkenier vindt niet alleen troost in religie. Als archiefambtenaar geeft hij zich over aan de fles, zo ook als redacteur van De Legerkoerier, het blad van defensie. En als hij zijn baan bij de ncrv verliest en er met zijn – tweede – gezin niet uitkomt drinkt hij op de Amsterdamse Zeedijk zijn ellende weg. Alcohol wordt een vertrouwde uitweg.

Schnabbels

De fabels worden met de jaren korter en soms ook zwakker. Op aanraden van zijn huisarts gaat Valkenier naar Ibiza, waar hij optrekt met onder anderen Faber Heeresma en Remco Campert, die de Spaanse censuur omzeilt door fabels naar Amsterdam te smokkelen. Ibiza geneest Valkenier echter niet van de ‘serieïtis’, de door hemzelf gediagnosticeerde ‘fabelziekte’. Constant wordt aan zijn artistieke vestje getrokken. Boekjes en andere bijproducten, zoals een Fabeltjeskrant-special voor Holiday on Ice, vergen zijn aandacht. In 1972 verzucht Valkenier dat hij ‘fabelmoe’ is, maar hij blijft toezeggen. Moet hij, de auteur, medeschepper en aartsvader van de serie, dit soort goedbetaalde schnabbels aan een ander overdragen en zijn welverdiende status op het spel zetten? De boog staat dus continu gespannen en drank is nooit ver weg. Stoppen met drinken, hoe graag hij dat ook wil, blijkt ook op Ibiza een zware opgave. ‘Het gaat allemaal zo gemakkelijk hier, je komt die tegen en je komt die tegen. Een glaasje hier een glaasje dáár, een paar glazen wijn bij het eten, ’s avonds een afzakkertje enz.’

Naast hartkloppingen heeft Valkenier ook olfactorische hallucinaties, het ruiken van ‘emotionele’ geuren die in werkelijkheid niet bestaan. Soms komen collega’s bij hem langs om hem aan het schrijven te krijgen. Ook wordt een tweede schrijver aangesteld, Renée Sellis, die meerdere afleveringen schrijft. Uiteindelijk waagt de producer zich aan het fabelschrijven, maar het lukt hem niet de karakters tot leven te brengen.

Ondanks de problemen die zijn alcoholisme met zich meebrengt, blijkt Valkenier onvervangbaar voor De Fabeltjeskrant. De fabeldieren, die zich op hun beurt laven aan grenadine in het Praathuis, zijn met hem vergroeid.

Diepste wezen

In 1972 dreigt De Fabeltjeskrant van de buis te verdwijnen; ‘De opheffing (...) zou wel eens op een nationaal oproer kunnen uitdraaien’ schrijft NRC. ‘Ons land bedreigd met nationale catastrofe,’ waarschuwt Elseviers Weekblad. Voor Valkenier – ‘ik hou niet van doormelken’ – is het een uitkomst. Als de fabels eindelijk af zijn, verzucht hij in zijn dagboek, wil hij zijn leven wijden aan het ‘ongebonden schrijven’. Die wens kent een lange aanloop, al in 1947 zet hij dichtregels op papier. Een onvoltooide roman en een nooit gepubliceerde verhalenbundel gaan vooraf aan een ‘bittere teleurstelling’ wanneer de naar K. Schippers gestuurde gedichten maar ‘zozo’ worden bevonden. Toch geeft Valkenier niet op. ‘De keuze zal altijd vallen op het schrijverschap. In diepste wezen ben ik schrijver.’ De route naar een literaire carrière blijkt een weg vol hobbels. Het publiek laat zich niet makkelijk afschepen. Het uitbrengen van een spin-off in 1972, De Woefs en de Lamaars, met een inmiddels overspannen Valkenier aan het hoofd van het schrijversteam, kan de aandacht niet van De Fabeltjeskrant afleiden en flopt, waarna meteen het contract voor terugkeer van De Fabeltjeskrant wordt getekend.

Met de televisiebewerking van Jean Dulieus Paulus de boskabouter en de carnavalshit ‘Een lijster in de la’ boekt Valkenier bescheiden successen, maar de schaduw van De Fabeltjeskrant blijft groot. Pas in 1983 publiceert hij zijn eerste vrije werk, de relithriller De sekte. Volgens Elseviers ‘een ingewikkeld verhaal (...) dat zich niet onderscheidt van andere romans in het detective-genre’. Hiermee lijkt de laatste kans om door te breken als auteur in rook op te gaan. Kort daarop tekent hij voor het derde seizoen van De Fabeltjeskrant, dat wordt uitgezonden tot 1995. Een jaar later overlijdt Valkenier op Ibiza.

De Fabeltjeskrant bracht hem veel, maar niet alles waarop hij had gehoopt. Is hij er aan onderdoor gegaan? Misschien, maar rusteloos was hij altijd al en zijn nalatenschap mag er zijn. Naast de commerciële kracht van een zorgvuldig opgebouwde merknaam, de bijzondere stemmen en de vormgeving is de rol van Valkenier bepalend geweest voor het succes van De Fabeltjeskrant. Een rol die hij ondanks zijn strubbelingen met de serie uiteindelijk heeft omarmd: ‘ledereen wil ergens een klapper mee maken en dit is de mijne.’

De expositie Fabeltjesland, een reis door 50 jaar Fabeltjeskrant is van 29 september t/m 2 december te zien in Las Palmas, Rotterdam (woensdag t/m zondag, 10.00-18.00 uur).

De Fabeltjeskrant & de Grote Dierenbos-spelen draait vanaf 19 december in de bioscoop.