steun vpro

Loek-loeks

Huishoudelijke artikelen als tandenborstels, wc-papier en schoonmaakmiddelen koop ik meestal in de nacht van zondag op maandag om een uur of één in een drogist die 24 uur per dag open is. Misschien wordt dit tegenwoordig autistisch genoemd, maar ik vind het prettig om bepaalde winkels elke week op hetzelfde tijdstip te bezoeken.

Huishoudelijke artikelen als tandenborstels, wc-papier en schoonmaakmiddelen koop ik meestal in de nacht van zondag op maandag om een uur of één in een drogist die 24 uur per dag open is. Misschien wordt dit tegenwoordig autistisch genoemd, maar ik vind het prettig om bepaalde winkels elke week op hetzelfde tijdstip te bezoeken.
Bij de drogist koop ik zelden tot nooit spullen die ik niet nodig heb, omdat ik altijd probeer de drogist zo snel mogelijk weer te verlaten. Wel heb ik een enorme voorraad schuursponsjes, wc-papier en gloeilampen. Omdat ik niet tot de aanschaf van een product overga als de voorraad thuis op is, maar omdat ik mij soms verplicht voel bepaalde producten te kopen.
Onlangs was ik weer eens in een supermarkt.
Mijn moeder is sinds kort verslaafd aan snoepgoed, de zogeheten zure matjes. Ze heeft meestal zure matjes van het merk Look-o-Look. Die matjes noemt ze ‘loek-loek’.
Onlangs meldde ze: ‘De loek-loeks zijn op.’ Ik zag mij genoodzaakt naar de supermarkt te gaan om een voorraadje zure matjes in te slaan. Tegen een kind kun je nog zeggen: ‘Dit is slecht voor je tanden.’ Dat argument leek me niet bruikbaar in het geval van mijn moeder, hoewel zij haar oorspronkelijke tanden nog heeft.
Het ironische is dat ik mijn jeugd vrijwel zonder enig snoepgoed heb doorgebracht, mijn ouders waren tegen cola en snoep. Alleen de zelfgebakken taarten van mijn moeder konden door de beugel. Kennelijk heeft ze haar principes laten varen.
Bij de ingang van de supermarkt zei iemand tegen me: ‘Neemt u wel een wagentje.’
Onmogelijk kon ik zeggen: ‘Nee, ik heb alleen maar wat zure matjes nodig.’
Ik legde vier pakken zure matjes in mijn wagentje.
Anderen keken naar wat er in mijn wagentje lag, want mensen kijken altijd naar wat er in de wagentjes van anderen ligt. Ze dachten vast: een junk.
De schaamte die ik altijd voel in de drogist – daarom ga ik alleen na middernacht naar de drogist – bekroop mij eveneens in de supermarkt.
Bij het afrekenen behield ik mijn waardigheid door te vragen: ‘Mag ik het kassabonnetje hebben?’