steun vpro

Zero-sum

In theorie moet je dusdanig leven dat je de totale hoeveelheid geluk op de wereld zo groot mogelijk maakt.
Hebben wij het alleen over het geluk van de mensen of ook over het geluk van dieren, planten en bomen? En kunnen wij iets over dat geluk weten?

In theorie moet je dusdanig leven dat je de totale hoeveelheid geluk op de wereld zo groot mogelijk maakt.

Hebben wij het alleen over het geluk van de mensen of ook over het geluk van dieren, planten en bomen? En kunnen wij iets over dat geluk weten?

Wij mogen aannemen dat geen enkel dier het prettig vindt om gedood te worden en dat ook een boom het onprettig vindt om te worden gekapt. Zeker, er bestaat zoiets als doodsdrift, maar dat kan geen excuus zijn om tot moord over te gaan.

Kan een carnivoor iets bijdragen aan de totale hoeveelheid geluk op de wereld? Of moet hij er een morele boekhouding op nahouden? Vandaag één biefstuk gegeten, maar wel een zuiglam gered van de slager en het bij mij in de achtertuin gezet.

Nu heb ik mij eens laten vertellen dat een lam dat alleen bij iemand in de tuin staat en niet genoeg aandacht krijgt erg ongelukkig wordt en beter geslacht zou kunnen worden, dus iets kan zich voordoen als redding maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn.

Wat het extra lastig maakt is dat wij het lam niet kunnen vragen: ‘Wil je bij mij in de tuin staan? Luister, ik ben veel op reis, dus je zult nogal alleen zijn, wil je in dat geval niet liever naar de slager?’

Wat mensen betreft is het ook lastig. Sport bijvoorbeeld is een zogenaamde ‘zero-sum game.’ (Weet u niet wat een zero-sum game is, zoek het dan even op.)

Laten we de amateursport laten voor wat het is, maar de topsporter is er duidelijk niet op uit de totale hoeveelheid geluk op de wereld te vergroten, hij is er vooral op uit zijn eigen geluk – ‘utility’, om de in terminologie van de zero-sum game te blijven – te vergroten. Voor generaals en andere militairen geldt iets soortgelijks. Acteurs die auditie doen willen ook niet het geluk van hun collega’s vergroten.

Soms zeggen schrijvers wanneer ze een prijs hebben gewonnen dat literatuur geen wedstrijdje is. Daarmee bedoelen ze dat ook literatuur een zero-sum game is, maar dat je daar wel discreet over dient te zwijgen.