steun vpro

Daklozen

Begin juni zat ik in de trein van Amsterdam naar Frankfurt. De Duitse hogesnelheidstreinen zijn aangenamer en naar mijn idee ook ruimer dan de Franse, maar dit terzijde. Ik had een stoel met tafel gereserveerd.

Begin juni zat ik in de trein van Amsterdam naar Frankfurt. De Duitse hogesnelheidstreinen zijn aangenamer en naar mijn idee ook ruimer dan de Franse, maar dit terzijde. Ik had een stoel met tafel gereserveerd.

Aan de andere kant van het gangpad zat een wat slordig geklede man. Hij had een dakloze kunnen zijn, maar de ervaring leert dat sommige zeer rijke mensen zich graag als daklozen kleden. De angst om door middel van kleding negatief op te vallen is typisch een angst van de middenklasse. De ware aristocratie staat niet alleen boven het geld, maar ook boven de kleding.

De slordig geklede man had voor zover ik kon zien geen bagage bij zich maar wel een groot wit kussen dat hij losjes in de hand hield. We hadden Amsterdam nog niet verlaten of hij drukte het kussen tegen het raam en nestelde zijn hoofd genoeglijk in dat kussen.

Toen de conducteur kwam, vroeg ik me af of hij een kaartje bij zich zou hebben, ik reisde eersteklas, maar de man met het kussen had alles bij zich wat hij bij zich moest hebben. Ik kon me voorstellen dat deze man een van de zogenaamde superrijken van Nederland was die op een dag had besloten met een wit kussen per trein door de wereld te gaan reizen, een besluit dat mij aanlokkelijk voorkwam, maar toen ik naar zijn kleding keek begreep ik dat hij vermoedelijk al langer met het kussen onderweg was.

Ik moest er in Düsseldorf uit, de superrijke man met het kussen sliep nog steeds.
Op het station van Düsseldorf werd ik benaderd door een keurig meisje. Ik vermoedde dat ze informatie wilde, maar ze zei zonder inleiding in redelijk Duits: ‘Heb je twintig euro?’

De daklozen zien eruit als middenklasse en de superrijken zien eruit als daklozen.

‘Waarom twintig euro?’ vroeg ik.

‘Ik moet terug naar Rusland.’

‘Dat haal je niet met twintig euro.’

‘Misschien kom ik tot Bielefeld.’

Zo veel optimisme moest worden beloond. Ik gaf haar een tientje en vervolgde met mijn koffer mijn weg naar de taxi’s. Ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat ik eigenlijk een saaie man was.