Roken

, Arnon Grunberg

Een korte verhandeling over roken.

  1. Ik rook niet. Gemiddeld rook ik één keer per jaar een sigaar. Ik zou graag drie sigaren per jaar roken, maar het komt er steeds niet van. Wel heb ik ten minste twee vriendinnen gehad die af en toe rookten. Ik had sterk de indruk dat het opsteken van de sigaret een teken was dat hun liefde aan het afnemen was. Op het moment dat zij inhaleerden, wist ik dat zij minder van mij hielden dan voor die tijd. Toch heb ik in de sigaret nooit een concurrent gezien. Daarvoor verschilden de sigaret en ik te veel van elkaar.
     
  2. Lang kwam ik thuis van feesten en van cafés en alles rook naar rook, vooral mijn haren. Nooit heb ik dit als problematisch ervaren. Ik kan me ook niet herinneren dat ik het zoenen met mensen die rookten smerig vond. Zoenen werd pas een probleem als de liefde afnam. Kortom: roken staat niet tussen u en de liefde.
     
  3. Het schijnt dat mannen ervan houden om na de seks een sigaret te roken. Ik kan me niet herinneren een vrouw te zijn tegengekomen die dat deed. Zoals gezegd, vrouwen rookten om hun afkeer van mij te onderstrepen.
     
  4. De roker is tegenwoordig een outcast. Hij staat voor het kantoorgebouw, op vliegvelden zit hij in curieuze glazen kooien, op perrons staat hij in speciale vakken. De samenleving accepteert de speciale, ongemakkelijke status van de roker. Kan de roker beschouwd worden als een minderheid die zich mag verdedigen tegen de dictatuur van de meerderheid? Indien ja, dan kan de sigaret een witte man minder wit maken.
     
  5. Willem Vissers vertelde me dat voetballers vroeger veel rookten. Johan Cruijff is een mooi voorbeeld. Tegenwoordig roken voetballers niet meer. Ze zijn, zoals dat heet, professioneel geworden. Ik zou graag in contact willen komen met een profvoetballer die minstens één pakje per week rookt.