Een korte verhandeling over de man.

1.
Is de man een wezen met een piemel? De man is een culturele constructie. Sommige mensen beweren dat biologie de constructie bepaalt, de man zou van nature iets zijn, andere mensen zeggen: het is allemaal cultuur. 

2.
De man moeten genezen van zijn constructie, dat wil zeggen: hij moet bevrijd worden uit die constructie. 

Uit welke constructies moeten wij mensen bevrijd worden en welke constructies zijn de bevrijding? Antwoorden op die vragen hangen af van tijd, plaats en subcultuur. 

De dood is in theorie een bevrijding. 

3.
De man is een verzameling clichés waarmee hij zich noodgedwongen heeft geïdentificeerd. Datzelfde kan bijvoorbeeld ook over de Jood worden beweerd, ware het niet dat het Jodendom tevens een religie is. Ik aarzel mannelijkheid een religie te noemen. 

4.
Een paar decennia na de Tweede Wereldoorlog dachten sommige Duitsers dat ze van het Duits-zijn moesten genezen. De man is een Duitser die nog niet van zichzelf is genezen. Hij dient aan Vergangenheitsbewältigung te doen, daar beginnen de problemen, over welk verleden hebben we het? 

5.
Over welke identiteit we ook spreken, we kunnen ons niet onttrekken aan de gemeenplaatsen die over identiteit de ronde doen. We kunnen hooguit proberen iemand anders te worden. Zoals je Een Ander Joods Geluid hebt, zo zou je ook Een Ander Mannelijk Geluid kunnen hebben. Zelfs zou ik het liefst lid willen worden van de beweging Een Volstrekt Eenzaam Geluid, maar dat terzijde. 

6.
Zoals genezing niet zonder ziekte kan, zo kan bevrijding niet zonder onderdrukking. Wie erg van genezen houdt, houdt noodgedwongen ook van ziekte. Wie erg van bevrijden houdt, houdt noodgedwongen ook van onderdrukking. 

7.
Daniel Cohn-Bendit zei ooit: ‘Wij zijn allemaal Duitse Joden.’ 

Ik zeg: ‘Wij zijn allemaal eunuchen of hard op weg een eunuch te worden.’