Afzeggen

In de nacht voor de lezing begint de misselijkheid. Ik lig vier uur lang wakker voordat ik voor de eerste keer moet spugen. De misselijkheid is daarna niet weg. Ik moet om twaalf uur de deur uit om op tijd in de bibliotheek te zijn. Om negen uur ga ik waarschuwings-sms’en naar de organisatie versturen. In die berichten zit hoop.

In de nacht voor de lezing begint de misselijkheid. Ik lig vier uur lang wakker voordat ik voor de eerste keer moet spugen. De misselijkheid is daarna niet weg. Ik moet om twaalf uur de deur uit om op tijd in de bibliotheek te zijn.
Om negen uur ga ik waarschuwings-sms’en naar de organisatie versturen. In die berichten zit hoop. Als mijn maag op tijd leeg is en de misselijkheid weg, moet het lukken.
Om tien uur spuug ik opnieuw. Nog is de misselijkheid niet weg. Ik wacht tot half elf, dan zal ik afbellen.
Om half elf ben ik nog misselijk en bel niet. Ik probeer te staan. Ik sta. Om elf uur zal ik bellen. Om elf uur besluit ik het bellen tot half twaalf uit te stellen. Ik probeer te lopen. Ik stel me voor dat ik naar een tram loop. Ik zie voor me hoe ik me vastklamp aan een lantaarnpaal en even op de stoep ga liggen.
Om half twaalf bel ik en ik zeg: ‘Het gaat niet lukken.’
Na het telefoontje ga ik liggen. Het is fijn om te liggen en ik glimlach. Meteen vraag ik me af of ik me aanstel. Mensen die kunnen glimlachen, kunnen ook opstaan. Sta op.
Ik sta op. Ik kan bellen en zeggen dat ik alsnog kom. Het is afgrijselijk om te staan. Ik wil niet staan. Ik loop door mijn slaapkamer naar mijn kledingkast. Ik zou me aan moeten kleden.
Als je dochter nu thuis was geweest, zeg ik tegen mezelf, dan had je ook voor haar kunnen zorgen, want dan moest het wel.
Nee, zeg ik, dan was ik ook in mijn bed gebleven en had zij de hele dag televisie mogen kijken.
Maar als je dochter gewond was, als je haar nu met spoed naar het ziekenhuis moest brengen dan had je het ook gekund!
Dat is niet eerlijk, zeg ik, als het op leven en dood aankomt, kan ik alles.
Nee, je kunt het wel of je kunt het niet, je kunt het dus. Kleed je aan.
Ik kan het. Ik leun met mijn voorhoofd tegen mijn kledingkast. Ik weet dat ik het kan, godverdomme. Ik kan best een uur rechtop zitten en vragen beantwoorden. Ik zal er alleen bij moeten huilen maar dat vinden de mensen niet erg.
Ik ga heel even liggen. Ik heb nog een half uur om me aan te kleden. De misselijkheid neemt toe. Om twaalf uur kruip ik op mijn knieën naar de wc en ik ben blij. Wie zich op zijn knieën voortbeweegt kan niet naar een tram lopen.