Bezig

Ik had het adres van meneer Roording nodig, mijn oude leraar Frans. Op het veertigjarig huwelijksfeest van mijn ouders had tante Lies mij verteld dat ze met de vrouw van meneer Roording op een cursus zat.

Ik had het adres van meneer Roording nodig, mijn oude leraar Frans. Op het veertigjarig huwelijksfeest van mijn ouders had tante Lies mij verteld dat ze met de vrouw van meneer Roording op een cursus zat. Ik belde mijn moeder voor het telefoonnummer van tante Lies. Mijn moeder dacht zich te herinneren dat tante Lies op het huis van haar zoon John paste. Ze had geen telefoonnummer van John.
‘Ik kijk wel even tussen de geboortekaartjes.’
Ze dacht dat meneer Roording in Huissen woonde, want daar woonde tante Lies en daar was ook die cursus. Er stond maar één Roording in Huissen in het telefoonboek. Die belde ik, maar die nam niet op.
Mijn moeder vond het geboortekaartje van de dochter van John, die ook alweer negen was.
Ik belde mijn neef, zijn dochter nam op. Nee, oma was daar niet, die kwam altijd op woensdag. Tante Lies was gewoon thuis. Ik belde naar tante Lies en kreeg een antwoordapparaat. Ik sprak in dat ik op zoek was naar het adres van meneer Roording, die van de vrouw met wie ze op een cursus zat.
Ik belde naar mijn oude school, het was vakantie maar er klonk een vrouwenstem: ‘Blijft u aan de lijn, er is nog één wachtende voor u.’ Dit werd steeds weer herhaald. Na tien minuten hing ik op.
‘Kutschool,’ zei ik.
Een week later belde mijn tante.
Ze had mijn bericht gehoord, maar haar cursus was allang afgelopen en ze zag die vrouw nooit meer. Zelf dacht ze altijd dat meneer Roording in Elst woonde. In het telefoonboek stonden er twee. Die had ze allebei al gebeld.
‘Nee, die meneer Roording ben ik niet,’ had de eerste gezegd. De tweede die opnam, klonk te jong om gepensioneerd te zijn. Of zijn vader misschien leraar Frans was?
‘Nee,’ zei hij, ‘zo ver is hij nooit gekomen.’
Maar meneer Meeuwsen, die vroeger ook leraar op mijn middelbare school was, woonde bij haar in de buurt, en die kwam ze best vaak tegen. Het duurde een week en toen vanmorgen, zag ze hem inderdaad, op de fiets.
‘Ik stak meteen mijn hand op,’ zei ze, ‘en ik riep: Stop!’
Meneer Meeuwsen zag meneer Roording niet meer maar hij had misschien nog wel een oude agenda en daar moest zijn adres in staan. Toen ze net thuis kwam lag er al een briefje in de bus met daarop het adres van meneer Roording. Meneer Meeuwsen had erbij geschreven dat hij niet wist of het nog klopte. ‘Wat voor cursus was dat eigenlijk?’ vroeg ik.
‘Creatief bezig zijn,’ zei mijn tante, ‘maar het was maar heel kort. Dat meisje dat het gaf, hield er ineens mee op.’