Kajakangst

De Groenlanders leefden vroeger onder extreme omstandigheden en dat leverde flink wat geestesziekten op. Poolhysterie startte met onrust, ‘een oprijzende levenskracht… jong bloed vermengd met dat van walrussen, zeehonden, walvissen!’ En dan overvallen worden door diepe treurigheid. Ziek van het leven.

De Groenlanders leefden vroeger onder extreme omstandigheden en dat leverde flink wat geestesziekten op.
Poolhysterie startte met onrust, ‘een oprijzende levenskracht… jong bloed vermengd met dat van walrussen, zeehonden, walvissen!’ En dan overvallen worden door diepe treurigheid. Ziek van het leven. Of het bergwandelaarssyndroom, dat de bannelingen trof, die zich alleen moesten zien te redden en in eenzaamheid stierven.
Maar de algemeenste vorm van paranoia onder de Inuit, zeker in die barre tijden, was Kajakangst. De overtuiging , in strijd met de werkelijkheid, dat er water in je boot staat en dat je zult zinken en verdrinken.
Ik knikte toen ik het las. Natuurlijk. Ik zie de droge bodem van de kajak voor me, maar ik voel het al… en toch is ie lek, ik weet het zeker. Dat zeker weten en toch niet kunnen hozen omdat het water niet te vinden is. Kon je maar hozen.
De laatst keer dat ik moeite had met het onderscheiden van wat werkelijk was en wat niet, had ik een klein probleem met de muren. Ik keek naar de muur voor me. Ik keek naar de muur links. Ik keek naar de muur rechts. Heel snel van de een naar de ander. Ze leken dichterbij te komen, of dat in ieder geval te willen, van plan mij te vermorzelen. Ik kon dat alleen tegenhouden door ze onafgebroken in de gaten te houden, voor, links, rechts, voor, links, rechts. Ik zat op mijn bed, op mijn hurken, en duwde met mijn rug tegen de muur achter me, alsof ik daar achterwaarts in wilde kruipen. Ik realiseerde me in mijn angst helemaal niet dat waar ik naar vluchtte net zo goed een muur was, dus ook gevaar. Nu ik dit achteraf gedacht heb vrees ik een volgende aanval van de muren. Gelukkig heb ik geen kajak.
De muren stonden net weer een beetje rustig op hun plek toen Gerrit een brief stuurde naar mijn werkgever waarin hij vroeg of ik kon ophouden over mezelf te praten.
Ik schrok. Zou ik alles wat ik schreef zelf hebben meegemaakt? Gerrit, zeg me alsjeblieft dat dat niet waar is.
Hoe leg ik Gerrit uit dat deze columns niet over mij gaan maar over hem?
Hoe komt het dat hij mijn woorden serieuzer neemt dan ik? Dat hij meer in mijn werkelijkheid gelooft dan ikzelf? Als ik ooit een kajak krijg, geef ik hem aan Gerrit