steun vpro

Neigingen

Als ik die ochtend eend typ, maar er later kameel van moet maken, wil ik de e’s her gebruiken. Het kost meer moeite en tijd om dat te doen, dan om het oude woord te wissen en het nieuwe helemaal te typen.

Als ik die ochtend eend typ, maar er later kameel van moet maken, wil ik de e’s her gebruiken. Het kost meer moeite en tijd om dat te doen, dan om het oude woord te wissen en het nieuwe helemaal te typen. Toch vind ik het vervelend om die letters zomaar weg te gooien. Ik doe het wel, ik ben niet gek, maar ik weet: Twee e’s verspild.
Als ik ’s middags voor het stoplicht sta en ik druk op de knop, maar steek dan over door rood, vind ik dat zonde. Het licht zal nu voor niets op groen springen. Zo meteen zullen er auto’s nergens om moeten wachten. Het is bijna een reden om toch niet door rood te gaan, zodat het alsnog zinvol lijkt dat die auto’s daar stil staan, maar het kost meer tijd en niemand heeft er iets aan. Dus ik ga door rood, ik ben niet gek, maar ik weet: Iemand had moeten wachten op groen.
Later haal ik de was uit de machine, er zit een vaatdoek tussen. In de keuken heb ik nog geen nieuwe in gebruik, ik kan ’m dus zo weer schoon maar nat op het aanrecht leggen, maar het voelt alsof ik me dan niet aan een bepaalde vereiste gang van zaken hou. Een vaatdoek hoort eerst droog te zijn geweest, voor deze weer wordt gebruikt. Dat is onzin, dus ik leg die natte doek gewoon op het aanrecht, ik ben niet gek, maar ik weet, de hele middag, steeds als ik de vaatdoek zie: Die is niet droog geweest. Als er die avond nog twee aardappelen op mijn bord liggen maar ik heb geen honger meer, wil ik ze toch opeten. Ik ben alleen thuis, ik heb het eten zelf gemaakt, niemand ziet het als ik iets weggooi, maar het is prettig om het bord leeg te eten, om wat je opschepte precies zo op te maken. Ook deze neiging heb ik op tijd door. Ik eet die aardappelen niet op. Ik ben niet gek. Ik neem me die avond voor om beter op te letten wat ik allemaal eet zonder dat ik er zin in heb, hoeveel glazen ik leegdrink zonder dat ik dorst heb.
De volgende ochtend eet ik een boterham en denk: Maar is het nodig? ’s Middags weet ik niet meer welke neiging honger is en welke gewoonte. Ik kijk heel erg lang naar de boterhammen en ik wacht op iets onbedwingbaars.