Wij

Ik vergeet de laatste weken weer eens om pauzes te nemen. Ik werk onafgebroken, stop om negen uur ’s avonds, ga in bed liggen, slaap, en ga ’s ochtends om zeven uur weer verder.

Ik vergeet de laatste weken weer eens om pauzes te nemen. Ik werk onafgebroken, stop om negen uur ’s avonds, ga in bed liggen, slaap, en ga ’s ochtends om zeven uur weer verder. Gelukkig zijn er nog wat uren waarin ik met mijn dochter een hondenopvangcentrum van de lego bouw. Dat vergt niet veel van een mens. Maar mijn dochter moet ook vaak naar school, naar bed of naar haar vader en dan werk ik. Ik eet achter de computer en geef interviews tijdens de lunch. Op een dag voel ik me om vier uur ’s middags zoals ik me de dagen ervoor om negen uur ’s avonds voelde. Ik kan nog niet gaan slapen en ik ben vergeten wat men in een pauze doet. Ik sta in mijn huis, tussen de rotzooi, ik kan niet kiezen wat ik eerst moet doen, het hoofd zoemt. Ik zie dat Esther niets meer kan en niets meer weet. Ze ziet ook slechter.
Ik zeg: ‘Esther, ga rustig even opruimen.’
‘Waar begin ik?’ vraagt ze mij, als ze naast het volle aanrecht staat.
‘Pak de waterkoker en zet hem terug op het onderstel.’ Dat doet ze, maar het lukt niet.
‘Gewoon terug zetten,’ herhaal ik . Ze blijft het proberen. De waterkoker wil niet blijven staan.
Ik herhaal het monotoon: ‘Gewoon terugzetten, gewoon terugzetten.’
Op datzelfde ritme probeert Esther de waterkoker op het onderstel te zetten, maar het lukt haar echt niet. Ze kijkt nu toch maar eens goed naar de waterkoker. Alsof ze niet blind is en niet door mij geleid moet worden, maar zelf iets kan. Dan ziet ze dat ze al een tijdje probeert om de waterkoker op het onderstel van de citruspers te zetten.
‘Nee,’ zeg ik of Esther, ik weet niet wie er nu aan het woord is, zij ook niet, ‘nee, dat past niet.’
‘Zo, nu ga je de was opvouwen.’
Esther haalt de was van het rek en staat iets later verstard naast de kledingkast met een nog natte spijkerbroek in haar handen. In de opdracht die ze kreeg stond niets vermeld over was die nog niet droog was.
‘Hij is nat,’ stamelt ze.
En ik zeg: ‘Aha, dat betekent dat hij nog niet droog is.’ Dan is er weer een ander die daar om lacht en die tegen ons zegt dat de broek maar even op het bed moet blijven liggen. Het wasrek kan dan tenminste worden opgeborgen. Dat vinden wij een goed plan. Zo ruimen we met z’n allen het huis op.