Hond

Deze week dacht ik aan Rekel, de hond van Koos van Zomeren. Ik heb de hond van Koos van Zomeren niet gekend, maar jaren geleden las ik Het complete Rekelboek en ik denk sindsdien vaak aan Rekel.

Deze week dacht ik aan Rekel, de hond van Koos van Zomeren. Ik heb de hond van Koos van Zomeren niet gekend, maar jaren geleden las ik Het complete Rekelboek en ik denk sindsdien vaak aan Rekel.
Op een dag jaagt Rekel een kat een boom in, de ochtend erna snuffelt hij bij dezelfde boom alsof die kat daar weer zal zijn.
Zijn baas zegt nog: ‘Nee, dombo, dat was gisteren,’ maar op een andere wandeling speurt Koos van Zomeren zelf naar de plek in de rivier waar hij ooit een roerdomp zag staan, acht jaar terug en merkt terecht de overeenkomst op in hun gedrag.
Maar het zijn vooral de parkieten waar Rekel steeds weer naar zoekt die ik me deze week zo goed herinner. De parkieten zitten in een kamer waar Rekel niet mag komen, maar soms glipt hij door de per ongeluk openstaande deur en op een dag zijn ze los, de parkieten, hoog tegen het plafond in de gordijnen. Tot vijf jaar nadat de laatste parkiet al is overleden kan Rekel nog begerig naar die plek hoog in de gordijnen kijken. Ik denk aan die parkieten, omdat ik de laatste tijd veel stadswandelingen maak waarbij ik vaak stukken van dezelfde route neem. Het zijn geen vogels of katten die ik op dezelfde plek verwacht, maar als ik langs café Eik en Linde loop kijk ik altijd naar het tafeltje vlak bij de deur aan het raam of daar die man weer zit. Een grote man met lang grijs haar in een staart. Hij maakte een goeie grap. Niet eerder vond ik het vreemd dat ik naar die tafel keek met steeds diezelfde verwachting. Maar als ik op een terras op de Zeedijk een leuke jongen zie met volle lippen en een pet op, die heel voorzichtig glimlacht, verheug ik me al op de terugweg van mijn wandeling, die pas uren later zal zijn, alsof die jongen daar dan nog zit. Sterker nog, ik verheug me nu op de hele zomer waarin ik veel door de stad zal wandelen en ik iedere keer weer deze twee leuke mannen zal treffen en dan pas denk ik aan Rekel en zijn parkieten.
De baas van Rekel gelooft niet dat Rekel nog enig besef heeft van waar hij naar zoekt. Hij schrijft: ‘Ik denk niet dat hij denkt: waar zijn de parkieten nou? Ik denk dat hij denkt: hoe komt het toch dat ik hier altijd zo dom naar het plafond sta te staren?’
Misschien weet ik op een dag ook niet meer waarom ik zo dom naar een tafeltje in een café staar.