Dieren op zondag

, Esther Gerritsen

Ik lag de krant te lezen in bed. Er kwam een merel binnen door de open tuindeuren. Ze hupte om mijn bed heen en weer terug. Ik zei haar gedag.

Ze vloog op en wilde door het gesloten raam boven de tuindeuren weer naar buiten. Ze strandde op het richeltje en bleef daar maar proberen door het glas te gaan. Ik stond op en pakte een bezem waarmee ik haar naar beneden wilde jagen, maar de merel probeerde alleen maar nog wanhopiger door het glas te gaan. Ik liet haar even met rust. Ze drentelde nerveus op en neer en maakte steeds vermoeidere hupjes en vleugelslagen.

Ik ging op een stoel staan en ik wist dat ik nu ferm en doortastend moest zijn. Ik moest de vogel pakken en ik mocht daar niet te lang over doen, want dan zou de vogel alleen maar panikeren en zichzelf bezeren.

Ineens kwam er uit mijn mond: ‘You can do this.’ Het was mijn Walt Disney-stem die mij toespreekt als ik mezelf moet overstijgen en toen had ik haar vast. Het bange lijfje veilig in mijn handen.

‘Ik heb je,’ zei ik. Dat was mijn moederstem.
Stoel af, tuin in. Met een voorzichtige worp de lucht in, liet ik haar vrij en ze vloog weg.

Nu ik er toch uit was, kleedde ik me maar meteen aan en ik ging naar de enige speelgoedwinkel die op zondag al om tien uur open was, midden in het centrum, om te kijken of ze de opblaasbare eenhoorns die in de uitverkoop waren nog hadden. Dan kon ik mijn dochter er op maandag mee verrassen. Er was er nog één en ik prees mezelf gelukkig.

Thuis bleek de eenhoorn nog groter te zijn dan ik had gedacht. Het duurde wel een uur voordat hij opgepompt was. Hij vulde het grote kleed in de woonkamer, ik kwam zelf net boven zijn hoofd uit. Ik maakte foto’s en riep de buren erbij om hem te laten zien. Plezier alom. Maar langzaam zakte het hoofd van de eenhoorn in. Er zat een lek bij de hoorn. Ik wilde het eerst niet geloven, maar het was zo, de buurvrouw zei het ook. Tegen beter weten in plakte ik nog een stuk gaffertape op de kapotte naad.

Ik ging op mijn bank zitten, voelde de moedeloosheid naar binnen kruipen, keek naar het grote plastic hoofd dat langzaam weer naar beneden zakte en ik wist dat ik mijn gelijke had gevonden in de opblaasbare eenhoorn: Het ene moment larger than life, glimmend en vrolijk en het andere moment lek, kapot, het toppunt van droefenis.

Nu moest ik het grote niet-lekke lijf weer helemaal leeg laten lopen, terug in de doos stoppen en weer meenemen naar de winkel op het Damrak.

Het was nog geen twaalf uur in de middag en het leek heel lang geleden, die serene zondagochtend waarop ik een merel redde.