hart op de tong

, Nick Boers

Lee Towers kan poetsen en lullen. Achter de bariton schuilt veel emotie.

Het uur van de wolf
Nederland 2, 20.15-22.00 uur

‘Leuk hè jongens? We hebben toch wel een heel bijzonder vak eigenlijk, hè.’ Lee Towers staat in de keuken van een achterafcafeetje in Zeeland, Brabant, te wachten tot hij op kan. In onberispelijk pak, lakschoenen en strak gecoiffeerd haar, microfoon in de hand. Om voor een handjevol mensen te zingen. Een verjaardagspartijtje. Hij glundert oprecht. ‘Ik hou van mijn vak eigenlijk.’
Het is de echte stem van Lee Towers die we horen in The Voice of Rotterdam, van documentairemaker Hans Heijnen (tevens docugast bij HollandDoc24 deze week). Ja, er is natuurlijk een bombastisch ‘You Never Walk Alone’ in Ahoy, tijdens het jubileumconcert dat het fenomeen daar in 2011 gaf. Belangrijker is wat er gebeurt in de kleedkamer, als een journalist vraagt of hij niet weer elk jaar in het sport- en concertpaleis hoort te staan. Dan vecht de man met de diepe baritonstem tegen de tranen.
Lee Towers is geen Nederlandse Frank Sinatra, zoals zijn bijnaam luidt. Lee Towers is eigenlijk nog gewoon Leen Huijzer, die als kind niet achterop de fiets durft te springen bij een vriendje, want volgens het geloof van zijn ouders hoor je op zondag je rust te nemen en thuis stil te zitten. De ‘zingende kraanmachinist’ (hij was monteur in de haven) die na een slopende repetitie met het Metropole-orkest een optreden in Zeeland, Brabant niet afzegt. ‘Die mensen hebben dat anderhalf jaar geleden geboekt en jij bent nu helemaal in de belangstelling, dus die vinden het natuurlijk fantastisch als je dan juist een paar dagen voordat je in Ahoy staat er nog bent. Dat is de kers op de taart. Die laat je dan toch niet zakken? Althans, ik niet.’
Lullen én poetsen, dat doet Lee Towers. Hij tapt moppen, ouwehoert met zijn kapper (die sinds 1977 klaarstaat met een bus haarlak) en neemt tijdens de pauze in Ahoy zijn kleindochter op schoot. Ook dan breekt hij. Lee Towers is een emotionele man die dat liever niet toont, maar niet anders kan.
Wie dan het beeld ziet van een onderuitgezakte Towers in Curaçao, zonder shirt, zou bijna denken dat dit het portret is van een aftakelende artiest. Integendeel, de volkszanger staat na elke tegenslag weer op. En die tegenslagen waren er genoeg: ‘trauma’s’ noemt hij ze, van de dood van zijn broer en schoondochter, tot de hotelbrand die hij in Antwerpen meemaakte en het scheiden van zijn ouders.
Maar dan moet hij weer op. Hij tapt een mop en pakt zijn microfoon. Er moet gewerkt worden.