'mijn altviool als zanginstrument'

, Frits Lagerwerff

De VPRO/Boy Edgarprijs, de jaarlijkse prijs voor jazz en geïmproviseerde muziek, wordt zondagavond in het Amsterdamse Bimhuis uitgereikt aan altviolist-componist Oene van Geel. De laureaat heeft een verrassende stoet gastspelers uitgenodigd.

VPROJazzLive
Zondag, Radio 6, 20.02-1.00 uur

The Best of Oene van Geel
Zondag, Cultura 24, 19.00-20.00 uur

In het juryrapport van de VPRO/Boy Edgarprijs 2013 wordt altviolist Oene van Geel (1973) geprezen om zijn ‘superieure swing, improvisatievermogen en nieuwsgierigheid naar muziekgenres.’ Ook wordt aangestipt dat hij graag op plekken speelt waar mensen geen jazz verwachten. Zondagavond speelt hij een thuiswedstrijd, in het Bimhuis, maar daarvoor heeft hij wel een verrassende stoet gastspelers uitgenodigd. In twee lange sets verschijnen onder meer de rietblazers Theo Loevendie en David Kweksilber, de pianisten Guus Janssen en Jeroen van Vliet, de ensembles Zapp 4 en Estafest, muzikanten uit Turkije en India, alsmede de Japanse danser Kenzo Kusuda. Tussen alle changementen door rust op de schouders van Janssen de plicht de geldprijs en de bijbehorende sculptuur, van Jan Wolkers, met een toepasselijke speech uit te reiken. ‘Mijn medespelers,’ licht Van Geel desgevraagd toe, ‘hebben altijd mijn belangrijkste inspiratiebron gevormd. Zij worden zondagavond dan ook flink aan het werk gezet, bij composities die ik voor deze gelegenheid heb geschreven. We repeteren twee middagen, het zijn zeker niet de makkelijkste stukkies, maar ik heb nu al voorpret.’
Van Geel wordt in de muziekwereld niet alleen beschouwd als een vrolijke avonturier, maar ook als een multitalent. Improviseren in diverse ensembles, componeren en arrangeren, het lijkt hem moeiteloos af te gaan. Zijn muzikale leven komt neer op één lange zoektocht in, om en buiten tradities. In zijn fraai gearticuleerde exercities op altviool weet hij elementen uit klassieke kamermuziek, etnische folklore, jazz, pop, avant-garde en omgevingsgeluiden in pakkende betogen te combineren. Met een overtuigend besef van muzikale interactie en structuur, klankkleur en ritmiek, dynamiek, variatie en contrast. Subtiel spannende voicings, niet opdringerig, maar indringend, een beheerst swingende timing en effectvolle verstilling , behoren eveneens tot zijn stijlkenmerken: ‘Het klinkt simpel, maar de rode draad in mijn muziek is dat ik altijd mijn interesse volg. Ik zit stilistisch nergens aan vast. Op de breukvlakken tussen muzikale disciplines vinden vernieuwende ontwikkelingen plaats. Daar kun je niet terugvallen op typische aspecten van een traditie, genre of stijl. Daar moet je muziek ter plekke uitvinden. ‘

Cassettebandjes
De neiging tot exploratie van muzikale tradities en genres blijkt Van Geel van niemand vreemd te hebben. Zijn vader, nu gepensioneerd bioloog, raakte lang voor de hype verslingerd aan Balkanmuziek en trok op onderzoek: ‘Hij was zanger-gitarist in zo’n Balkanbandje en nam altijd stapels cassettebandjes mee, die hij thuis per noot en syllabe onderzocht. Steeds weer draaien en dan fonetisch meezingen. Moeite doen om zo diep in een andere muzikale cultuur te graven, vond ik indrukwekkend. Hij is net terug van een koorzangtrip door Georgië. Let wel, ik luisterde thuis ook wel naar andere muziek. Barok, pop, jazz van Charlie Parker en Chet Baker, Hot Club de France met gitarist Django Reinhardt en violist Stéphane Grappelli. Nee, het vioolspelen heb ik niet van Stéphane afgeluisterd. Op achtjarige leeftijd mocht ik mee naar een optreden van een Roemeens zigeunerorkest, met vioolvirtuozen, en dacht: dit wil ik ook! Bij de bekende docent Jan Henrichs mocht ik op les, bij hem thuis.’
De vioollessen verliepen jarenlang gesmeerd, totdat Van Geels neef, David Kweksilber, met een cassettebandje langskwam, van Herbie Hancocks Headhunters. Deze moddervette funk, met de eeuwige hit ‘Cameleon’, sloeg in als een bom: ‘ Van de ene dag op de andere wilde ik improviseren en funken op mijn viool. Henrichs werd er nerveus van. Dus verhuisde ik naar Arjen de Graaf, die steengoed kan improviseren. Toch nam ik les en improvisatie nog niet al te serieus. Ik had astma en wilde longarts worden. Dit plan vervaagde echter toen ik, op de Amsterdamse Muziekschool, ook les kreeg op piano, van Albert van Veenendaal, die mij stimulerend toesprak: jongen, jij bent muzikaal! Toen mijn eerste composities er helemaal niet werden afgekraakt, besloot ik in de muziek verder te gaan. Maar dan wel met plezier, overal. Op het Sweelinck Conservatorium ontmoette ik fluitist Ned McGowan en trompettist Gijs Levelt, die met Zuid-Indiase, Karnatische muziekstructuren experimenteren. Dat is helemaal uit de hand gelopen. Elk jaar verdween ik minstens een maand naar India. Daar leer je op straat wat samenspelen is, bij intense, complexe ritmiek.'

Saxofoonadept
Ruim twintig jaar geleden werden de pauzes tijdens een Amsterdamse Uitmarkt volgespeeld door een jeugdig ensemble, dat alras over de tong ging als het hoogtepunt van het hele weekend: on-Nederlands goed. In deze Wereldband verzorgde Van Geel de Indiase vocalen, die hij met een flitsende ratjetoe op viool omspeelde: ‘De Wereldband is een vriendenclub die nog altijd bestaat. We hebben destijds weliswaar gehakt gemaakt van muzikale disciplines, maar ook geprobeerd om met respect nieuwe muziek te maken. Zo is ook het strijkkwartet Zapp 4 ontstaan. Wij zapten aanvankelijk improviserend langs allerlei genres, maar hebben die vervolgens met elkaar vermengd. Elk van ons kan de leiding nemen tijdens improvisaties. Niemand is de leider, wij jutten elkaar continu op. Dat moet, omdat wij swingende grooves spelen zonder ritmesectie. Op ons album Chamber Grooves wordt de basislijn uitgezet door Kweksilber op basklarinet, maar een groove moet bij ieder van ons direct zitten.’
Op dit punt van zijn betoog, over leiderschap, duidt Van Geel het verschil tussen de Europese en Amerikaanse jazzscene: ‘In de Amerikaanse scene is een band vaak een vehikel voor een leider, die de belangrijkste solist is en de meeste composities inbrengt. Zo’n jazzformatie ontwikkelt met grote vasthoudendheid een bepaald concept, dat daarna niet mag veranderen. Het publiek moet immers weten waar het op mag rekenen, in welke vaste stijl je speelt, tot welke school je behoort. De Europese scene, vooral de Nederlandse, kent veel meer vrijheid. Het improviseren is hier meer afhankelijk van omstandigheden ter plekke. Wat zijn hier en nu de mogelijkheden? Zo speel je steeds iets anders. Als violist ben ik evenmin plaatsbaar. Luisteren naar Zbigniew Seifert, een Poolse freejazzviolist, is voor mijn ontwikkeling als improvisator belangrijk geweest. Wat klankvorming betreft ben ik echter een totale saxofoonadept. Amerikaanse saxofonisten, van Lee Konitz tot John Coltrane, die door hun blaasinstrument zingen, hebben mijn grote voorliefde. Mijn altviool ervaar ik ook als een zanginstrument, in het middengebied van een ensembleklank. Ik opereer graag als een middenvelder, die meeverdedigt, een doelpuntje maakt, en veel vrijheid geniet. Vrijheid in kunst is essentieel. Daarom is het onzinnig dat je kunst, zoals nu beleidsmatig gebeurt, qua rendabiliteit gaat vastleggen. Wat eveneens naar onvrijheid riekt, zijn de wedstrijdjes waarin muziek tegenwoordig wordt gegoten. Overal competitie, concoursen en awards, en maar roepen wie de grootste en de beste is. Dit is onzinnig, wie de beste is, is niet meetbaar. Muziek is persoonlijk.’