studententopsport

, hans van wetering

Zaterdag begint in Kazan, in de Russische deelrepubliek Tatarstan, de Zomer Universiade. De beste studentensporters uit de wereld nemen het tegen elkaar op. Voor Nederland doen verspringer Jonathan Pengel en schermer Tristan Tulen mee.

Zomer Universiade
6-17 juli op Eurosport

Het is op de Olympische Spelen na het grootste allround sportevenement ter wereld. Meer dan tienduizend sporters uit 170 landen komen twee weken bijeen. 1500 mediavertegenwoordigers worden verwacht, en honderdduizend toeristen, 20.000 vrijwilligers werken mee, zo klinkt het ronkend op de Universiade-site van het organiserende Tatarstan (officieuze motto: Bez Buldırabız!We can!). Dat er zoiets als een Universiade bestaat, is u waarschijnlijk helemaal ontgaan, want aandacht voor de Universiade was in de Nederlandse media altijd schaars, ook al maakten latere nationale wereldtoppers als Dennis van der Geest en Kim Polling er voor het eerst hun opwachting op een groot podium. Aan dat gebrek aan aandacht gaat Eurosport dit jaar gelukkig iets doen en kunnen we zien hoe de Nederlandse studenten-topsporters het er vanaf brengen.

Jonathan Pengel

Zweefmoment
Een sportpark in Amsterdam Slotermeer. In afwachting van de training blaast de wind met kracht zeven over een lege atletiekbaan. Jonathan Pengel duikt weg in de kraag van zijn trainingsjack. 27 jaar is hij, de maximaal toegestane leeftijd, en als alles goed gaat volbrengt hij dit jaar zijn studie commerciële economie aan de Johan Cruyff University. ‘Ik ben begonnen met voetbal, zoals alle kindjes. Maar dat vond ik niks. Ik was erg snel, dus kreeg ik de bal steeds vanuit de lange pass, dan ging ik rennen en trapte ik op doel, en dat was het dan weer. Daarna ben ik gaan honkballen en toen kwam de atletiek, het verspringen – het mooiste dat er is.’ Mooi? ‘Absoluut. Als je springers als de Panamees Irving Saladino en de Cubaan Ivan Pedroso ziet, lijkt het alsof ze helemaal geen moeite doen, dat is zo mooi. Terwijl springen ongelofelijk ingewikkeld is. Je aanloop moet perfect zijn, de afzet, je houding als je in de lucht hangt, de landing – het is supertechnisch.’
Hoe voelt dat eigenlijk, ‘in de lucht hangen’? ‘In je gedachten duurt het altijd te kort, het zweefmoment. Maar in principe verplaats je je heup dus, horizontaal.’ Het voelt echt als zweven? ‘Soms niet, soms wel. Je kunt dezelfde afstand springen, en de ene keer lijkt het een waardeloze sprong zonder echt zweefmoment, en de andere keer is het of je eindeloos in de lucht bent.’ Maar wat is dat nou precies, een zweefmoment? ‘Je komt aangelopen, je zet af, en dan gaat het erom dat je jezelf zo min mogelijk tegenwerkt om zo ver mogelijk in de bak te kunnen landen. Ik ben niet bezig met: laat ik lekker door de lucht zweven. Ik moet uitvoeren wat ik moet uitvoeren om zo ver mogelijk in die bak te landen. Ik maak een loopbeweging in de lucht – de hitch kick –, zo probeer je het ritme vast te houden en ervoor te zorgen dat je heup meegaat.’ Is het niet beter om helemaal stil te hangen? Dan heb je toch de minste weerstand? ‘Ja, dat zou je denken, maar je moet ook tegen de zwaartekracht in boksen. Zwaartekracht werkt altijd tegen, werkt nooit eens mee.’

Regeltjes
Springers als Carl Lewis, Pedroso en anderen maken voor ze de aanloop beginnen nog een paar keer een pas heen en weer, een manier om concentratie te zoeken? Doet hij zoiets ook? ‘Ik heb wel een tijdje gehad dat ik met een dribbeltje aankwam, maar de aanloop werd te wisselvallig. Ik heb nu geen dribbeltje meer.’ Nu begin je gewoon? ‘Ja, uit stand, klopt.’ Jij doet je trainingsbroek uit, gaat naar de baan, kijkt of je op het goede punt staat, en je begint te rennen? ‘Ja, mijn aanloop begint op een vast punt, en daar hoort een aantal passen bij. Die passen loop ik, en dan zet ik af.’ Geen ritueel van tevoren? ‘Nee.’ Niets? Geen kruisteken, geen teddybeer tegen de doelpaal, niets? ‘Nee, volgens mij niet. Elke wedstrijd is toch anders, dus waarom zouden die rituelen altijd werken? Van tevoren visualiseer ik wel de sprong. Dat doe ik thuis ook. Ik spring soms wel honderd keer op een dag, in mijn hoofd.’
Terwijl Pengel na schooltijd en tussen tentamens door tijd voor zijn sport moet zien te vinden, strijdt hij in Kazan tegen fulltime professionals. Niet in elk land worden de regeltjes ten aanzien van wie mee mag doen zo strikt opgevat als in Nederland. Is er een Universiade, dan zijn alle Russische sporters plotseling student, vindt het jaar daarop een militair WK plaats, dan zitten diezelfde sporters allemaal in het leger, zo klinkt het. Heeft hij niet de pest in?
‘Je kunt er toch niets aan doen. In Duitsland krijg je betaald om te sporten en als je zin hebt doe je er in je vrije uurtjes nog wat opleiding bij, dan ben je officieel student. Het liefst ben ik natuurlijk ook gewoon fulltime sporter. Nu blijft het gissen hoe het zou kunnen zijn.’ En als daar nu iemand om de hoek komt die zegt, luister Jonathan, ga jij nou eens vier jaar lekker alleen maar verspringen, ik betaal alles – wat kun jij dan bereiken? ‘Als alles klopt zeker een dikke acht meter. Er zijn nog zoveel dingen die beter kunnen en moeten.’
Bij de Olympische Spelen in Mexico in 1968 sprong de Amerikaanse verspringer Bob Beamon plotseling 55 centimeter verder dan iemand voor hem had gedaan en vestigde zo dat wereldrecord dat meer dan twintig jaar zou staan. Is dat iets dat Pengel ook kan overkomen? ‘Toen ik mijn p.r. van 7.62 sprong was dat ruim dertig centimeter verder dan ik daarvoor had gesprongen. De afzet was misschien iets beter, maar de sprong voelde verder helemaal niet zo goed.’ Had je toen een zweefmoment? ‘Nee, ik dacht juist dat ik de landing te vroeg had ingezet, dat ik voorover viel. Toen pas zag ik wat er op het bord stond.’ En als het dan een keer wel allemaal klopt en je voelt je geweldig en de wind is maximaal mee, en je doet die ene wondersprong, hoe ver kom je dan? 8.30 meter? Verder? ‘Misschien.’ En als het op de Universiade gebeurt? ‘Dan sta ik wel op het podium ja, dan sta ik er bovenop.’

Tristan Tulen

Zorro
Zoals de wedstrijdatletiek is ook het schermen in Nederland geen grote sport. Het zal te maken hebben met de oorsprong. Waar kampioenenleveranciers Frankrijk, Italië en Rusland een lange geschiedenis van duelleren kennen – Mussolini vocht nog een zwaardduel uit in 1921, Jean Marie le Pen was nog in 1958 secondant –, werd het tweegevecht om de eer in ons land toch vooral beschouwd als een buitensporig middel om onbenullige geschillen te beslechten. Desondanks heeft Nederland inmiddels twee degenschermers die internationaal op het hoogste niveau meedoen: Bas Verwijlen werd in 2011 vice-wereldkampioen, Tristan Tulen stond onlangs nog eerste op de wereldranglijst onder 23 jaar. ‘Ik ben nu op het punt dat ik van heel veel tegenstanders kan winnen, maar dat heel veel ook van mij kunnen winnen,’ zegt Tulen (21) als ik hem eind van de middag in een sporthal in Den Bosch ontmoet. Hij komt net uit Utrecht waar hij fysiotherapie studeert. Nee, voor eten is geen tijd. De training begint zo en duurt tot negen uur. Eten doet hij daarna wel. ‘Als alles klopt, kan ik ver komen, ja. Een medaille? Als ik precies de goede acties maak. Bij de meeste punten wissel ik soms nog teveel af. Ik moet het gewoon doen en raken.’ Gewoon doen en raken? ‘Ja, afmaken, dat het gelijk klaar is.’
Sporthal de Flik-Flak is opgetrokken uit grijs-betonnen bouwblokken. Hoog aan de muren reclames voor lokale bouwbedrijven en tuincentra. De schermers dragen maskers met zwart gaas en witte pakken. Het geluid van staal op staal, als in ridderfilms.
‘Er zijn drie disciplines,’ legt Tulen uit, ‘floret, degen en sabel. Een degen is iets zwaarder en langer dan een floret, en je mag de tegenstander overal raken. Beide zijn steekwapens, bij sabel mag je ook houwen.’ Dus als ik naar Floris kijk, dat is eigenlijk allemaal sabel vechten? ‘Een combinatie van beide ja.’ En de drie musketiers? ‘Ik zou het eigenlijk niet weten hoor.’ Heeft hij die films vroeger verslonden? ‘Ik keek wel altijd Zorro.’ Hij lacht. Zorro vocht met een degen? ‘Ik denk het ja, een soort voorloper ervan.’ Zo van ‘tjak tjak tjak’, die Z, zo was het toch? ‘Ja, dat klopt.’ Hij haalt zijn degen uit zijn tas. Het weegt niets. Bij de minste beweging zwiept het staal heen en weer, aan het uiteinde een plat dopje dat bij voldoende kracht indrukt en zo de elektronische puntentelling voedt.

Blauwe plekken
‘Het gevoel moet er altijd zijn tussen jezelf en de degen. Je moet mij niet vlak voor de wedstrijd een ander degen geven.’ Is de degen ook een soort vriend van hem, iets wat hij koestert en thuis in het voorbijlopen af en toe even aanraakt? ‘Nou, dat niet, ik breek gemiddeld zo’n twaalf degens in een jaar. Maar ik hou dan wel dezelfde handgreep, het nieuwe staal schroef je er zo op.’ Die ene greep koestert hij dus wel? Het is niet zo dat je zestien grepen hebt? ‘Wel een stuk of tien, maar allemaal zo’n beetje hetzelfde. Heb ik ooit eens gekocht, tien stuks van dezelfde, handig.’ Zijn masker dan, ook geen bijzondere band mee? ‘Als ik dat masker op doe, is de concentratie er van het ene op het andere moment, dat heeft iets magisch, maar verder, nee, het zijn gewoon spullen.’
In de hoek van de zaal oefenen een paar kinderen tegen elkaar, niet meer dan twee turven hoog. Ook zij dragen die witte pakken en gaan verscholen achter dat zwarte masker. Als eentje wordt geraakt, krimp je als kijker onwillekeurig toch een beetje ineen. ‘Die pakken zijn heel dik,’ zegt Tulen, ‘je draagt een ondervest, een schermvest, een handschoen aan de gewapende hand zodat een wapen niet in de mouw kan schieten. Natuurlijk heb je wel eens blauwe plekken. Maar volgens mij is er nog nooit iemand aan doodgegaan.’ Dat laatste klopt echter niet, weet ik inmiddels. Kent Tulen dat verhaal dan niet van Vladimir Smirnov, de olympisch kampioen van 1980? Tijdens het wk van 1982 brak de degen van zijn tegenstander en doorboorde Smirnovs masker, zo door zijn oog, recht in het brein. Hij lacht: ‘Nee, nooit van gehoord’. Niemand heeft hem dat ooit verteld? ‘Nee. Maar het is nu superveilig. De degens zijn gemaakt van speciaal maraging staal. Dat breekt altijd zo af dat nooit een punt ontstaat. En het masker kan nu 1600 newton opvangen. Dat is best veel. Vrouwen dragen voor de borst een extra plastic plaat, de mannen een kruisbeschermer.’ Kruisbeschermer? Ja, maar zelf doe ik daar niet aan. Je wordt er niet vaak geraakt, alhoewel, als het gebeurt doet het natuurlijk wel pijn.’ Maar als je iets beschermt, dan toch je kruis? ‘Ja, maar het zit niet fijn, en je moet ook gewoon afweren, daar heb je die degen tenslotte voor.’ Betekent dat ook dat hij helemaal geen angst kent? ‘Nou, als iemand met zo’n degen op je af komt is je eerste reactie toch achteruit stappen. Maar het is niet de angst voor een degen, en als iemand op je af komt dan weer je af of steek je gelijk zelf.’ Instinct? ‘Nee, conditionering, je weet wat je kunt doen, je hebt zo vaak geoefend, je hebt zo vaak zo gestaan, ook in je gedachten.’
Zoals Jonathan Pengel thuis in zijn hoofd springt, kent hij ook zoiets? Is hij ook altijd met dat schermen bezig? ‘Nou ja, ik heb thuis een kussentje opgehangen aan de muur, en als ik dan televisie kijk sta ik met mijn degen zo een beetje tegen dat kussen aan te prikken.’ Maar je kunt toch niet tegen dat kussen aanprikken en tegelijkertijd televisie kijken? Weer lacht hij: ‘Na een tijdje wel hoor, ook dat is een kwestie van oefening, ook daar kun je heel goed in worden.’