ongelovig fantast

, ilse van der velden

Geen conference, maar een kerstvertelling op tv dit jaar van Freek de Jonge. Circus Kribbe gaat over alles, maar aan alles komt een einde. Over ouder worden en doorgaan. ‘Als ik morgen opnieuw kon beginnen, zou ik het zo weer overdoen.’

Gedroomd leven
Over dat laatste, de aansluiting met de nieuwe generatie: ‘Dat vind ik wel jammer, dat de jeugd dit niet ziet.’
En De Parade dan, waar hij afgelopen zomer stond? ‘Ja, da’s waar.’ Hoe reageerden jongeren daar op hem? ‘Wat ze goed beviel is dat mijn programma samenhang heeft, een pointe. Dat vonden ze wel bijzonder. Dit vak is zo geëvolueerd; ik heb nog meegemaakt dat het bestond uit louter moppentappen. En zo ben ik zelf ook ooit begonnen.’
Wat vindt hij van de huidige generatie jonge cabaretiers? ‘Geen mening over. Maar stand-up vind ik armzalig. Je enkels komen nog niet eens onder water, zo weinig diepgang.’
Zijn carrière omspant 45 jaar. Hoe kijkt hij daarop terug? ‘Als ik morgen opnieuw kon beginnen, zou ik het zo weer overdoen. Ik heb natuurlijk een gedroomd leven. Ik heb een fantastische omgeving gehad, ik ben gedragen. Ik heb ook verliezen geleden, maar dat is vormend. Dat klinkt heel moralistisch, maar dat bepaalt ook het gewicht van mijn programma’s. Dood en leven, de grote thema’s, relativeren alles.’

Circus Kribbe
Tweede kerstdag, Nederland 2, 22.10-0.00 uur

Eind november. Het is de morning after de voorstelling en Freek pelt eerst maar eens een eitje. Gisteren Tiel, eergisteren Hoorn: avond aan avond toerde hij dit najaar door het land in een schema dat de ausdauer vergt van een Mick Jagger – en die traint zes dagen per week om een stuiterbal op toneel te kunnen blijven. En Freek? Die mompelt iets over ‘straks voetballen’ en over wat ‘apparaten’ die hij thuis heeft staan. Ahum. Liever praat hij over zijn voortelling: Circus Kribbe. Meer theater dan cabaret, en de kribbe uit de titel staat niet in een stal, maar in en circuspiste. ‘Literair nadenkcabaret van een meesterverteller,’ schreef Het Parool, dat vijf sterren uitdeelde, evenals NRC en Trouw. ‘Het circus is natuurlijk een schitterende metafoor,’ zegt De Jonge over zijn onderwerpkeuze. ‘Net als het kerstverhaal. Het is een van onze grote verhalen. In hoeverre hebben die nog betekenis in deze tijd, en krijgen ze nog de kans om een aangepaste rol te spelen?’
Zijn eigen voorstelling is het antwoord. Circus Kribbe verhaalt over clown Job Kribbe Junior, de eerste in zes generaties die niet leuk is. Terwijl we leren hoe het zover kon komen, maken we in een wijdlopig verhaal kennis met alle zes de voorvaderen. Daarbij vlecht De Jonge virtuoos de wereldgeschiedenis mee: van Napoleon via de indianen naar Kennedy en Goebbels, en steeds duikt als een soort Forrest Gump weer een Junior op. Er is een act met paardjes, er is een circusbeer en een omaatje, maar welke zijwegen we ook inslaan, uiteindelijk komen ze allemaal terug op de hoofdweg. Tussen de grappen en grollen door passeren thema’s als de oorlog, de zwartepietendiscussie (‘Wíj willen graag voor anderen uitmaken wat discriminatie is’), zijn eigen jeugd en de kloof tussen jong en oud.

Relevant
Hij haalt De Gele Vogels aan, het imponerende debuut van de Amerikaan Kevin Powers over zijn oorlogservaringen als piepjonge soldaat in Irak. ‘Prachtig geschreven. Ik had de kans hem te spreken: ik heb hem geïnterviewd voor Spui 25. Het ging over keuzes maken. In een oorlog en bij honger is de keuze in wezen makkelijk: het is hij of ik. Dan geldt geen enkele moraal meer. Het roofdier grijpt de achtergebleven buffel, maar de rest van de kudde raast door. We accepteren het verlies, omdat we willen houden wat we hebben. Tot het onhoudbaar is. Wat het milieu betreft is het allang zo ver; we zien niet dat we omsingeld zijn en er straks allemaal aan gaan.’
Waardoor laat Freek de Jonge zich leiden, als het gaat om keuzes maken? ‘Ik ben niet zo verscheurd. Waar ik naartoe wil: ik ben natuurlijk ongelooflijk egocentrisch, ik ben een zichzelf pleasende man. Ik ben geëngageerd. Terwijl ik al veertig jaar buiten de werkelijkheid sta. Hoe relevant is dat nog? Wat weet ik van iemand die al vijf jaar een baan zoekt? Van een asielzoeker? Het verschil is: jij hebt makkelijk praten.’

Schietles
Tiel klapt graag en vaak. Freek, vanaf het toneel: ‘Mag best hoor, maar ik heb er in m’n leven al zoveel van gehad, ik gooi het wel op de grote hoop.’
Hij heeft wel eens gezegd dat hij applaus niet meer nodig heeft? ‘Natuurlijk heb je het nog nodig. Je wil weten dat je nog op prijs wordt gesteld.’
Dat laatste is geen gegeven. Het raakt hem wel hoor, de kritiek, zegt hij, het afzeiken online. Over Twitter: ‘Ze hebben opeens allemaal een pistool, maar ze hebben geen schietles gehad.’
De avond van dit gesprek zit Freek in Pauw & Witteman, opnieuw met Rita Verdonk. We hebben het er even over. Ze hopen op vuurwerk, zeg ik. ‘Tuurlijk. Mijn zoon zegt dat ik het niet moet doen,’ vertelt hij, een beetje schouderophalend. Hij ging toch. Tussen de vele reacties op Twitter: ‘Freek bij P&W nooit een succes, in het theater vind ik hem nog steeds een klasse apart.’
Later zegt hij aan de telefoon: ‘Ik wilde beweren dat de linkse hoogmoed, die terecht is gedefinieerd als politiek correct, nu vervangen is door een rechtse hoogmoed die je zou kunnen betitelen als populistisch correct.’
Die term valt ook tijdens het interview. ‘Hele bevolkingsgroepen wegzetten, kunst afdoen als linkse hobby: het is bon ton.’

Gretigheid
Tijdens de uitzending zong hij een eigen nummer van Moederschoot, zijn nieuwe cd. ‘Moederschoot, ’k ben in nood, ik wil weg want mijn wereld gaat dood. Neem me terug, hou me vast, niet tot last, niemand tot last.’
Denkt hij weleens over stoppen? Nooit meer naar Tiel? Hij drukt het zo uit: ‘Ik ben me bewust dat ik moet gaan nadenken over wanneer ik er een punt achter zal zetten. Dat klinkt nogal politiek, maar zolang het goed is en ik fysiek goed ben, waarom niet. Al denk ik om half acht ’s avonds in de kleedkamer weleens: ik wou dat het al tien uur was. Maar als ik eenmaal begin is dat weg. De gretigheid is onverminderd. Toon Hermans heb ik nog gezien toen hij tachtig was, George Burns was honderd. Af en toe versjteer ik wat, maar goed. Als ik als 85-jarige de tragiek van de ouderdom kan laten zien op toneel, heeft dat ook bestaansrecht.’
Het belangrijkste dat een cabaretier kan doen, is troost bieden, heeft hij eens gezegd. ‘Dat heeft te maken met mijn achtergrond: mijn vader was dominee. Hij zag troost bieden als zijn eerste taak; aan het sterfbed zitten ging voor het stichten en tuchtigen. Zelf heb ik niks met het geloof, maar ik geloof wel in onze capaciteit om te transcenderen, om het buiten onszelf te zoeken. Als je wetenschapper bent kan dat niet. Als je fantast bent wel. Vraag je eens af: hoe zou de wereld eruitzien zonder fantasten?’

advertentie