'ik vind roem en beroemdheid zeldzaam overschat'

, nicoline baartman

Te gast in Zomergasten, de prestigieuze Vermeerprijs, onderwerp van een documentaire, de nieuwe euro ontwerpen, Kunstenaar van het jaar 2014 - de ster van Erwin Olaf blijft maar rijzen. 'Het is allemaal super te gek en tegelijkertijd klopt er natuurlijk niks van.'

Op de fiets in Amsterdam. Telefoon. ‘Ja?’ En meteen de gedachte: ‘Wat is dit voor beschaafde stem?’ Zo ging het, toen Erwin Olaf in 2011 vernam dat hij de prestigieuze Johannes Vermeerprijs kreeg. ‘Mag ik u feliciteren,’ zei de beschaafde stem van Victor Halberstadt, de juryvoorzitter. En Erwin Olaf, hij had geen idee waarom het ging, dacht ook nog: ‘Voor minder dan 5000 euro stap ik niet af.’ Hij trapte door, hoorde dat het om een staatsprijs ging, zei verbouwereerd ‘wat leuk’ en hoe eervol hij dat vond. Waarop Halberstadt vertelde dat aan de prijs behalve de eer een bedrag van honderdduizend euro vastzat.
‘Jezus kriebels!’ Met die verzuchting geeft de Vermeer-laureaat van 2011 in zijn studio te kennen hoezeer hem die prijs destijds overviel. Het geld heeft hij gebruikt om in Berlijn een fotoserie te maken waarin hij kinderen, Duitse modellen, fotografeerde als superieure volwassenen met de architectuur uit het interbellum als decor. Met die serie, die een brug slaat tussen de huidige tijdgeest en de ‘donderwolken’ in de jaren dertig, maakt hij nu furore in binnen- en buitenland. In Parijs stonden ze voor hem in de rij; jongens en meisjes met jeugdpuistjes nog, allemaal een camera om de nek. ‘Je voelt je een soort popster.’ En er zijn meer momenten waarop hij en zijn manager Shirley elkaar aankijken met een blik van: gekkenwerk.
Maar goed, wat hem meer zegt dan al het geld van de wereld is ja, de eer. De Johannes Vermeerprijs betekent erkenning van de Nederlandse Staat. ‘Daar heeft een vakkundige jury officiële beraadslagingen over gevoerd.’ Hij voelde zich ‘enorm gelauwerd’. Zeker toen in Delft de uitreiking plaatsvond door de staatssecretaris, in aanwezigheid van moeder en broers. En toch: ‘Ik vind zelf dat ik hem iets te vroeg heb gekregen.’ Wie er na hem kwamen: Marlene Dumas, Rem Koolhaas. Collega’s waar hij U tegen zegt. ‘Andersom was beter geweest, toch?’

Design voor de nieuwe euro

Verlegen
De ‘shockfotograaf’ van weleer, de man die zo smaakvol een erectie in beeld kan brengen, is in een ander vaarwater beland. Het gaat hem voor de wind. Hij constateert het met enige ambivalentie: hoe groot de toeloop is voor de geënsceneerde fotografie, terwijl de status van de fotojournalistiek, ‘de moeder van alle fotografie’, verder afbrokkelt. ‘Ik begrijp het soms niet. De ploeteraars worden ondergewaardeerd en voor ons, luxepaarden, worden krankzinnige bedragen betaald.’
Wat hem de laatste jaren is overkomen. Te gast in Zomergasten. ‘Je denkt toch altijd: hoe zou ik het aanpakken?’ Die Vermeerprijs dus. Een documentaire van Michiel van Erp. ‘Ook niet de eerste de beste.’ En afgelopen jaar kwam ‘de munt’ eroverheen. Hij mocht het ontwerp maken voor de nieuwe euro met de beeltenis van Willem-Alexander. Nee, hij weet niet wat de koning ervan vindt. ‘Dat hoeft toch ook niet? Maar ik ga hem ontmoeten, eind januari als de munt wordt geslagen.’
Alsof het niet genoeg is, werd hij Kunstenaar van het Jaar 2014. Een kwestie van de meeste stemmen gelden. Hij wil niet ondankbaar zijn, maar met de uitverkiezing was hij verlegen. ‘Overal wordt een wedstrijd van gemaakt, liefst met een tv-show. Ik vind dat kwalijk. Er wordt gezegd: “Hij heeft Anton Corbijn en Marlene Dumas achter zich gelaten.” Onzin.’

Vervolgens: ‘Ik voel me er ook onhandig onder. Voordat je het weet, krijg je scheve ogen. Dat ze gaan denken: alwéér hij. En hoe goed je werk ook is, stel je voor dat je erin gaat geloven. Ik wil niet in het diepst van mijn gedachten denken dat ik geweldig ben, snap je?’ Gulle lach. ‘Natuurlijk denk ik het vaak genoeg. Op zo’n eureka-moment: dat je de ingeving krijgt waarop je hebt gewacht.’
Van al dat ophemelen word je niet per se een beter mens? ‘Exact. Mijn vrienden en familie moeten al genoeg op hun tenen lopen. Ik ben sowieso erg aanwezig en sta altijd in het middelpunt van de belangstelling. Mijn vriendje moet vaak inschikken. Weet je, het is allemaal super te gek en tegelijkertijd klopt er natuurlijk niks van.
‘Maar ik klaag niet, hoor. Ik ben geen Gordon of Sylvie, die zó gebukt gaan onder hun bekendheid. Ik heb trouwens al lang geleden van Arjan Ederveen, hij is een van mijn oudste vrienden, geleerd hoe je een rode loper kunt vermijden. Gewoon achter de meute fotografen langs lopen. En stevig doorstappen, dan ben je voorbij voordat ze het doorhebben. Let maar eens op, men schrijdt over een rode loper.’

'I Am'

Omslag
Erwin Olaf (1959) komt in zijn studio aanlopen met een glas karnemelk in de hand. Hartelijk, meteen. Een dik vest, spijkerbroek, sneakers. Hij is een beetje grieperig. Verzucht: ‘Ik zag mezelf terug op tv in Kunststof. Wat een ouwe kop.’ Koket: ‘Wat ik zeg, doet er niet toe. Alleen hoe ik eruitzie.’
Zijn decorbouwer Floris Vos is net de deur uit. In het Nieuwe Instituut in Rotterdam hebben ze samen een expositie ingericht met louter sets. Het is eens wat anders: de spotlights gericht op de bordkartonnen wereld. De samenwerking begon tien jaar geleden met Separation, een serie over de afstand tussen een moeder en haar zoontje, beiden van top tot teen in zwart lakrubber, in een huiselijke omgeving met weelderig bloembehang.
Hij heeft ze tegenwoordig nodig, die sets, om zijn verhaal te vertellen. En dat verhaal mag best ‘ongrijpbaar’ zijn. Erwin Olaf is heer en meester in zijn eigen realistisch ogende droomwereld. De tijd dat hij zijn boodschap er eendimensionaal op een afficheachtige manier wilde inrammen, is voorbij. De samenwerking met Vos markeert die ommezwaai.
‘Ik liep tegen grenzen aan. Ik verwonderde mezelf niet meer. En weet je, je mist heel vaak je doel. Dat is de omslag geweest. Ik dacht: nee, ik wil niet dat jullie het over die lul hebben, ik wil dat jullie kíjken.’

Je was die fotograaf van de dwergen en de lullen geworden. ‘Shockfotograaf, homofotograaf, dikkevrouwenfotograaf… Mijn tegenstanders gebruiken het nog steeds, hoor. Die diepen graag een foto uit 1981 op om hun gelijk te halen.’
Wie zijn jouw tegenstanders? Zuinig: ‘Het allerfijnste neusje van de allerfijnste kunstzalm.’
Meen je dat? ‘Ja hoor. Af en toe komt er een klein gifwolkje mijn kant op. Ik ben natuurlijk een fotograaf van het volk. En het erge is dat ik ooit in een interview heb gezegd dat ik bang was om te eindigen als de Rien Poortvliet van de fotografie.’
Schatert: ‘Nu ben ik er bang voor dat het nog waar wordt ook. Het is mijn dagelijkse gevecht.’
Laat me niet lachen. Jij met alle veren in je kont. ‘Nou, toch merk je, als je ouder wordt, dat het lastig is om dingen voor elkaar te krijgen als je niet de juiste opleiding hebt gevolgd of bij een bepaalde galerie hebt gezeten. Maar ik mis het ook, die kunsthistorische bagage. Daar loop ik de laatste tijd tegenaan. In de modernste kunst loop ik tegen raadselen aan. Ik wil daar niet boos om worden, ik wil met mijn havohoofd begrijpen waarom iets mooi of belangrijk wordt gevonden.’

'Berlin, Stadtbad Neukölln'

Scheet
Voor Separation gebruikte hij een pop als kind. Een zesjarige kun je moeilijk zo’n benauwend latexpakje aantrekken. Die pop moest hij telkens in de juiste houding kneden. En Olaf ontdekte ‘hoe groot het verschil kan zijn in emoties als alleen een schouder een beetje hoger of lager zit’. Er ging een wereld voor hem open, met een gelaagdheid waarin meer dan één interpretatie mogelijk was. Sindsdien laat hij ruimte aan de toeschouwer.
Ik wijs naar een recent werk aan de wand. Een portret van twee glamourvrouwen met ostentatieve uitstulpingen in het gezicht. ‘Mijn allerleukste grap,’ grinnikt de maker. Le dernier cri, de laatste mode, heeft het filmpje, vrij naar Jacques Tati, waaruit de foto afkomstig is. Een bizar toekomst­visioen. De Franse actrices die de dialoog moesten nasynchroniseren (‘Liefje, wat zie je er geweldig uit!’), hadden gevraagd of het in hoog Frans moest. ‘Ik zei: doe maar lekker suburbia met veel geld.’ Zelf noemt hij het terloops ‘een scheet in het universum’.
Niettemin: ‘Ik verwonder me erover hoe nihilistisch we zijn geworden. Hoe geobsedeerd we zijn door ons uiterlijk, terwijl in Fukushima miljoenen liters giftig water de oceaan in stromen. Wat we onszelf aandoen met botox en liposucties, dat is toch heel erg gek?’

Kun je je voorstellen dat zo’n statement uit jouw mond vreemd overkomt? ‘O, maar ik hou heel erg van esthetiek, in mijn leven en in mijn werk.’
Precies, dat bedoel ik. ‘Ik ben zelf net zo goed een lemming op weg naar die afgrond. Maar ik ga wel graag goed gekleed. En als het mij gegeven is om te kunnen fotograferen, dan wil ik buitengewoon lang nadenken over het licht, het standpunt, het decor, hoe een paardenstaart moet zitten, hoe een knie eruit moet zien. Ik wil al die details zo mooi mogelijk maken. Ik háát de realiteit – op een bepaalde manier. Als ik die wil zien, steek ik mijn kop wel buiten de deur.’ 

Hier spreekt de kunstenaar. Wat betekent die fixatie op het uiterlijk voor jou persoonlijk?
‘Als je erg esthetisch bent ingesteld, krijg je als je ouder wordt een behoorlijk gevecht. Tegen jezelf, want je ziet dat je aan het aftakelen bent. Ik was natuurlijk best een ijdele nicht.’
Was? ‘Ben… Je moet niet vergeten: dat uiterlijk is ook bescherming. Als je als klein kind constateert dat je homoseksueel bent, is dat al behoorlijk pittig. Als je daarna ook nog als een uitzondering wordt gezien en je omgeving pepert je dat voortdurend in, ga je vanzelf een scherm om je heen bouwen. Ik heb er met een coach over gepraat. Zij wees me erop dat veel homoseksuelen zich dichtmestelen met esthetiek. Als je haar maar goed zit, ben je onkwetsbaar.
Op den duur is het niet vol te houden. Je wordt onzeker en doodeenzaam, want het is nooit goed genoeg. Dat ideaalbeeld heb ik dus moeten afbreken. Natuurlijk krijg je hangtieten. Op een gegeven moment zie je eruit als een ouwe aap. Het is dit jaar voor het eerst dat ik denk: nou en?’

Selbstportät Berlin, Olympiastadion, 2012

Neusslang
Hij voegt eraan toe dat zijn ziekte, longemfyseem, daarbij helpt, of beter: hem dwingt. ‘Het is een progressieve ziekte.’ Hij weet wat zijn voorland is. Helemaal sinds het drieluik dat hij voor zijn vijftigste verjaardag maakte van zijn ideale ik, zijn werkelijke ik en zijn toekomstige ik (met neusslang). Dat laatste beeld greep hem onverwacht erg aan.
In Berlijn heeft hij er een zelfportret aan toegevoegd op de Führertreppe, Hitlers entree in het Olympisch Stadion. ‘Het fijne van fotografie is dat je het kunt gebruiken als therapie.’
Trouwens: ‘Niet in het stralende licht dat bovenaan gloort, schuilt de symboliek, maar in de eindeloosheid van de trap. Het is mijn nachtmerrie, trappen. Zeker als er geen einde aan komt.’
De jury van de Vermeerprijs prees destijds al zijn ‘vermogen telkens nieuwe wegen in te slaan’, zowel in zijn vrije als commerciële werk. Dat deed hij opnieuw in de Berlijnse serie. Niet alleen door de werkelijkheid als decor te nemen; de koning van de fotoshop doet aan slow fotografie. Zijn koolafdrukken – een uitzonderlijk houdbare druktechniek uit de negentiende eeuw – zitten boordevol schakeringen. ‘Klerewerk eerste klas.’ Het is een statement: ‘Laten we het eens over houdbaarbeid en ambachtelijkheid hebben.’ Daar zit tenslotte de oorsprong van zijn liefde voor het vak.

En de twijfel over die nieuw ingeslagen weg was nog verre van verdampt, of hij werd door hordes verzamelaars en galeriehouders uitbundig geprezen en op de schouders geklopt.
Een sterfotograaf? ‘Misschien. Maar ik ben geen sterrenfotograaf. Ik ben niet dol op het fotograferen van beroemdheden.’ Waarom? ‘Ze zijn lastig te manipuleren. Met een zanger met een imago en een dubbele agenda en allemaal mensen eromheen kan ik geen kant op.’ 

Maakt het uit of je Anouk of Máxima fotografeert? ‘Dat zijn sterke vrouwen die ik enorm respecteer. Daar werk ik graag mee. En in het geval van Máxima kon ik meebouwen aan het imago van, toen nog, de prinses. Het sprookje moest nog worden afgebouwd.
Als ik heel eerlijk ben: ik vind roem en beroemdheid zeldzaam overschat. Ik kan me herinneren dat bn’ers niet eens bestonden, je had een handjevol bekende mensen. Nu stikt het ervan. Tegelijkertijd pluk ik er wel de vruchten van. Dat is de spagaat waarin ik zit.
Als ze me morgen vragen Willem-Alexander te fotograferen, zeg ik natuurlijk geen nee. Doe me trouwens Harry en William er gelijk maar bij. En dan Harry graag naakt.’