Cherry Duyns volgt dirigent Reinbert de Leeuw vanaf de eerste repetitiedagen van de Matthäus Passion tot de aangrijpende uitvoering in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Een film over het mysterie van muziek, en over de onstuitbare bevlogenheid waarmee Reinbert de Leeuw opgaat in Bachs monumentale werk.

Pianist, componist en dirigent Reinbert de Leeuw, 78 jaar, heeft zijn leven gewijd  aan de moderne klassieke muziek, van Schönberg tot  Oestvolskaya. Nu, aangekomen in de kromming van zijn levensboog, draait hij zich om en strekt hij zijn armen uit naar Johann Sebastian Bach, naar de Matthäus Passion. Maandenlang heeft hij de partituur bestudeerd, onophoudelijk, obsessief. Hij heeft een missie, droomt van de Matthäus. Het liefst had hij al zijn andere concerten willen afzeggen. 'Als ik mij de rest van mijn leven alleen nog maar met de Matthäus Passion zou moeten bezighouden, zou ik dat zo doen,' zegt Reinbert de Leeuw.  

Regisseur Cherry Duyns volgt hem vanaf de eerste repetitiedagen met orkest Holland Baroque, het Nederlands Kamerkoor en solisten Joanne Lunn (sopraan), Delphine Galou (alt), Christopher Watson (tenor), Tomáš Král (bas), Andreas Wolf (Christus) en Benedikt Kristjánsson (evangelist) tot de aangrijpende uitvoering in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Een film over het mysterie van muziek, de betovering en de bijzondere wisselwerking tussen Reinbert de Leeuw en jongere generaties musici. Over de bezieling van die musici, de ontroering en de onstuitbare bevlogenheid waarmee Reinbert de Leeuw opgaat in Bachs monumentale Matthäus Passion.

Regie Cherry Duyns, geproduceerd door Interakt, in coproductie met VPRO, met steun van CoBO.
Deze documentaire heeft in de bioscoop de Kristallen Film-status bereikt.

Muziek als reden van bestaan

In memoriam Reinbert de Leeuw (1938-2020)

Zijn lijfboek was Fin-de-siècle Vienna van Carl E. Schorske, over een Oostenrijk dat aan alle kanten gist. Enerzijds het verval van de dubbelmonarchie, anderzijds de opkomst van Freud met zijn Traumdeutung en Arnold Schönberg met zijn nieuwe atonale muziek, een radicale breuk met de klassieke traditie.

In dat Wenen van eind negentiende eeuw, waarin de dissonant het langzaam won van de consonant, had componist Reinbert de Leeuw graag gewoond, vertelde hij Zomergasten-presentator Wilfried de Jong in 2014. De Leeuw liet een fragment horen uit Schönbergs tweede strijkkwartet en commentarieerde: ‘Het heeft geen bodem meer, het zweeft. Schönberg wist: in taal is alles al gezegd.’

Zo’n kleine zeventig jaar na de première van dat strijkkwartet, in 1974, werd De Leeuw dirigent van het door hem opgerichte Schönberg Ensemble in Amsterdam, dat aanvankelijk vooral composities van zijn naamgever en diens Weense school ten gehore bracht, maar later ook van andere vernieuwers als Messiaen, Kagel, Ligeti, Kurtág, Andriessen en Vivier. 

Tot die tijd had moderne muziek nauwelijks een eigen plaats in Nederland. In november 1969 trok de jonge Reinbert de Leeuw (anno 1938) samen met een gezelschap collega-componisten - De Notenkrakers genaamd - op naar het Concertgebouw, ‘hét bastion van de bourgeois-cultuur’, om gewapend met knijpkikkers een uitvoering van Bernard Haitink te verstoren. Hetzelfde groepje, aangevuld met de schrijvers Harry Mulisch en Hugo Claus, had een half jaar eerder al in Carré de radicaal-linkse opera Reconstructie in première laten gaan, gewijd aan vrijheidsstrijder Che Guevara.

Amsterdam gistte. Misschien niet in een mate als Wenen eind negentiende eeuw, maar wel voldoende om jonge componisten op de barricaden te krijgen voor de muziek van hún generatie. Reinbert de Leeuw werd langzaamaan een naam in die wereld. Landelijke bekendheid kreeg hij eind jaren zeventig  als pianist van de vroege werken van Erik Satie. Aanvankelijk schreef hij ook eigen composities, zoals ‘Hymns and chorals’ (1970) en ‘Abschied’ (1971), maar daar hield hij al snel mee op.

In Trouw legde hij in 2003 uit waarom. ‘Naarmate ik meer ingevoerd raakte in de muziekgeschiedenis, werd het componeren lastiger. Ik liet me intimideren door al die meesterwerken uit al die eeuwen. Op een gegeven moment accepteerde ik dat mijn werk niet sterk genoeg, mijn stem niet eigen genoeg was. Als dirigent ben ik minder makkelijk te intimideren.’ 

gesloten als een oester

Wat hij erover vertelde was altijd hetzelfde. Dat hij als zoontje van twee drukbezette Amsterdamse psychiaters al vroeg in zijn eentje naar Chopin-recitals ging en eigen compositietjes schreef. En dat op zijn achttiende zijn beide ouders reeds waren overleden. Ze hadden voor Reinbert een wetenschappelijke carrière op het oog gehad. Pas na hun dood ging hij naar het conservatorium. Over wat het vroege sterven met hem had gedaan, zweeg De Leeuw. ‘Gepsychologiseer’, meende hij. 

‘Is er ooit een liefde in je leven geweest?’, vroeg Wilfried de Jong hem in Zomergasten. De kijker zag De Leeuw verstrakken, waarna hij zichtbaar geïrriteerd antwoordde: ‘Ik ga dat op tv niet even behandelen.’ Over Sukowa wilde hij niet meer kwijt dan dat ze ‘veel voor hem betekende’.

Uit de biografie Mens of melodie (2014) van musicologe Thea Derks valt op te maken dat De Leeuw nooit een liefde heeft gekend zo sterk als de muziek.  En door die allenigheid zou hij ‘ongecorrigeerd gedrag’ vertonen. Ineke Verwayen, vriendin van eerst Harry Mulisch en later Frans Brüggen, zegt in het boek: ‘Die term gebruiken mijn vriendinnen en ik voor mannen die menen als enigen de waarheid in pacht te hebben omdat ze nooit worden tegengesproken.’ 

De door de pers bejubelde biografie bevat enkele sprekende passages over De Leeuws hevige aanvaringen met kranten en journalisten na hem onwelgevallige recensies. En over zijn razernij in verband met een artikel waarin hij werd neergezet als kunstpaus die in Nederland de culturele topbanen zou verdelen. 

In Zomergasten deed De Leeuw het boek af als een aaneenrijging van onjuistheden. Hij had de biografie, waarvoor Derks alleen al ruim tweehonderd sprekende bronnen raadpleegde, niet willen autoriseren. Liever sprak de dirigent met Wilfried de Jong over de kunst van het pianospel. ‘Het samenvallen met de muziek, dat er niets meer tussen zit, zoals bij Svjatoslav Richter, ik probeer daarbij in de buurt te komen, maar het lukt me vaak niet. Dan kom ik het podium af en denk: wat heb ik een hekel aan mezelf. Dat overkomt me vaker bij spelen dan bij dirigeren. Ik kan ook niet naar mijn eigen muziek luisteren. Dan is het voortdurend: dit is niet goed en dat is niet goed.’

vereenzelviging

Zijn goede vriend Louis Andriessen beschreef hem in 2005 in Vrij Nederland als een man die altijd wil winnen. Zelfs met een kaartspelletje op De Kring of aan de keukentafel. ‘Hij is enorm fanatiek, en als hij niet kan winnen, speelt hij het spel niet. Dat geldt ook voor de muziek. Daar kun je weliswaar niet winnen, maar je moet het altijd beter doen dan anderen.’ 

Zelf vertelde De Leeuw dat hij als dirigent vooral trouw probeerde te blijven aan de componist, in plaats van het stuk een eigen interpretatie te geven. ‘De muziek niet aanpassen aan je eigen temperament,’ zei hij in 2006 in Het Parool. ‘Dat is vaak wat mij zo stoort in uitvoeringen van anderen.’ Dirigeren was voor hem totale vereenzelviging met de partituur, een overgave. ‘Ik weet dat die identificatie bij mij soms heel ver gaat. Dat ik een punt bereik dat iedere noot iets voor me betekent.’ 

Het ouder worden viel De Leeuw niet makkelijk. Tegenover De Jong bekende hij: ‘Ik heb minder energie. Vroeger kon ik na een dag dirigeren ’s avonds thuis nog makkelijk een uur pianospelen. Nu lukt dat niet meer. De dood is mijn voorland en komt steeds dichterbij, maar ik wil leven alsof er nooit een eind aan komt.’ 

In NRC beschreef hij najaar 2019 de eenzaamheid van het oud worden. ‘Veel van mijn vrienden zijn inmiddels overleden. Degenen met wie ik wilde jaren beleefde op De Kring bijvoorbeeld. Zo verdwijnt langzaam een deel van je leven en je geschiedenis.’ 

Tot het eind bleef moderne muziek De Leeuws raison d’être. Onder zijn leiding groeide het Schönberg Ensemble uit tot een internationaal toonaangevend gezelschap in de wereld van de vernieuwende, eigentijdse muziek.

Willem Pekelder

ut de VPRO Gids

Dit verhaal stijgt boven alles uit

De documentaire De Matthäus missie komt voort uit het huwelijk tussen een muzikale grootheid en een trefzekere documentairemaker: Reinbert de Leeuw en Cherry Duyns.

(lees verder door op 'open' te klikken)

Reinbert de Leeuw (78) opent de deur van zijn appartement aan het Vondelpark. Tengere gestalte, de broek fladdert om zijn lange benen. De Reiger, noemde zijn vriend Louis Andriessen hem in een loflied voor zijn zeventigste verjaardag. Ook al weer acht jaar geleden. Maar wanneer deze man op de bok zijn pink buigt, buigt een heel orkest met hem mee. En als hij tijdens het gesprek iets neuriet schiet het kippenvel je over de armen.

De Matthäus missie brengt De Leeuws overrompelende muzikale passie optimaal in beeld. De documentaire van Cherry Duyns over de totstandkoming van de uitvoering van Bachs beroemdste werk, op 16 maart 2016 in de Amsterdamse Nieuwe Kerk, is een succesverhaal dat september vorig jaar begon met de première tijdens het Nederlands Film Festival. In december werd de tienduizendste bezoeker geteld, een voor een documentaire ongekend hoog aantal, door het NFF bekroond met de Kristallen Film.

De film draait zeven maanden later nog steeds. Bovendien is naast de documentaire nu ook de registratie van de complete uitvoering in de bioscoop te zien: tweeënhalf uur lang muziek. Met kleine pauze, dat wel. Het kan, in Nederland, Matthäusland. Dat is het niet altijd geweest. Bij de eerste uitvoering in Amsterdam, in 1874 op initiatief van Johannes Verhulst, begon de zaal al tijdens het slotkoor leeg te stromen, zo valt te lezen in de Matthäus Luistergids van Micha Spel en Floris Don. Het bracht Verhulst naar verluidt de tranen in de ogen. ‘Jullie loopen weg bij het mooiste dat er ooit geschreven is!’ 

Obsessief

‘Het is onthutsend dat er over de drie uitvoeringen die Bach zelf heeft gedirigeerd vanaf 1729 niet één zin verslag bewaard is gebleven, niets in de kranten van die tijd, helemaal niets,’ zegt De Leeuw in de rust van zijn woonkamer, omringd door partituren, cd’s, operaboxen. ‘Vervolgens heeft het stuk honderd jaar in de kast gelegen, totdat Mendelssohn het eruit haalde. Die heeft het aangepast aan zijn tijd en er allemaal klarinetten ingegooid. Dat kun je je nu niet meer voorstellen.’ Maar het tij keerde. Terwijl de kerken leeglopen, groeit de populariteit van de Passie. In de jaren vijftig wordt de Matthäus in een Franse reisgids in een adem genoemd met fietsers en de verjaardagskalender op de wc, als kenmerkend voor Nederlanders. Nu loopt het aantal uitvoeringen jaarlijks tegen de tweehonderd, meezingversies daargelaten.

Vraag is hoe Reinbert de Leeuw, wereldberoemd specialist in eigentijdse muziek, terechtkwam bij Bach. ‘Ik ben ermee opgegroeid. Op pianoles vanaf mijn zesde en later op het conservatorium speelde je eigenlijk de hele dag door Bach, je kon er niet omheen. Ik ben doordesemd van Bach. En toen de kans kwam om de Matthäus te doen, heb ik die na enig nadenken aangegrepen. Ik ben het eerst maar eens op de piano gaan spelen, iedere dag, maandenlang. Bleek dat ik iedere noot al in mijn hoofd had; ik heb heel veel uitvoeringen gehoord in mijn leven. Vaak wanneer ik een stuk bestudeer, word ik een beetje obsessief. Op een zeker moment wilde ik niks anders meer dan Bach. En gaandeweg ontstond bij mij een overtuiging: zo moet het, en niet anders. En als ik dat dan eenmaal in mijn hoofd heb, gaat het er niet meer uit.’ 

Droom

Dat zat er al vroeg in. Voor Reinbert was het altijd alles of niets, zegt zijn neef in de biografie van De Leeuw, geschreven door Thea Derks. ‘Dat was al zo toen hij klein was. Hij kon totaal in iets opgaan en dan bestond er niets anders.’ Ook Cherry Duyns kent zijn vasthoudendheid. ‘Het idee voor De Matthäus missie begon met een etentje,’ zegt Duyns. ‘Hij voelde zich niet zo lekker, maar toen hij over Bach begon kwam er kleur op zijn gezicht. Dat is geen sentimentele overdrijving, dat was écht zo. Ik heb geprobeerd zo goed mogelijk in beeld te brengen wat hij wilde. Toen de Missie stond, wilde hij de uitvoering ook op film hebben. Ik vroeg me af hoe ik dat in godsnaam moest doen. Het was zo al ingewikkeld genoeg, in een kerk, met alle uitdagingen die de ruimte met zich meebracht. Toen zei Reinbert: maar het is mijn dróóm. Daar kon ik niet tegenop.’

Voor De Leeuw is Duyns de ideale man. ‘Omdat hij de muziek zo ontzettend diep in zich heeft. Hij wil weten waarom hij ontroerd raakt, en daar wil hij dieper in doordringen.’ Duyns maakte in totaal acht documentaires met hem: De Matthäus missie en de zevendelige vpro-serie Toonmeesters, uitgezonden in 1994 en 1997. Voortreffelijke portretten, schreef NRC Handelsblad, die Nederland lieten kennismaken met hier nog weinig bekende componisten zoals Messiaen, Goebaidoelina, Górecki en Oestvolskaja. Dat die laatste meewerkte, is een staaltje van dezelfde Leeuwsiaanse vasthoudendheid: over deze mediaschuwe componiste die in het geheim moest werken tijdens het Sovjetregime, was vrijwel niets bekend. Maar De Leeuw mocht bij haar thuis komen voor een televisiefilm van een uur. Duyns: ‘Reinbert heeft mij de Matthäus geschonken, maar ook Messiaen. Ik luisterde daar wel naar, maar het raakte mij niet. Tot hij erover begon. Zo heb ik dankzij hem een aantal werelden ontdekt.’

Toewijding

In De Leeuws interpretatie staat de tekst van het lijdensverhaal centraal. ‘Dit stuk is met een ongelooflijk dramatisch instinct gemaakt. Hoe vertel je het verhaal? Dat is voor mij de crux. Er staat geen noot in die niet met de tekst te maken heeft. Ik wilde dat zangers en musici tekst zouden dénken tijdens het spelen. Bij veel uitvoeringen van de Matthäus komt iedereen een, twee keer repeteren, en dat is het want iedereen kent het al en spelt het ieder jaar. Maar ik wilde geen routine, ik wilde dat het ze het zouden spelen alsof het voor het eerst was.’ Het resultaat is een Matthäus fris als jong gras. Ingetogen en vol deemoed, schreef de Volkskrant.

Duyns filmt de aankomst van de dirigent bij de Nieuwe Kerk, rolkoffertje partituren aan de hand. Van de lawaaiige Dam zo de eeuwigheid in van de muziek. Daar, in de donkere beschutting van de kerk, gebeuren wonderen. De totale toewijding van zangers en orkest maakt indruk. ‘De manier waarop zij mij droegen is een groot geschenk. Ik had in die tijd nogal wat gezondheidsproblemen en was behoorlijk wankel. Maar het was onvergetelijk om zo met het stuk bezig te zijn, noot voor noot. Ik ben totaal niet religieus, maar dit lijdensverhaal is universeel. Het is een van de grote verhalen uit onze cultuur. Het stijgt ver boven alles uit.’

En toen het af was? ‘Viel ik in een enorm zwart gat. Ik heb meer dan een jaar elke dag de partituur bestudeerd, ik kon het moeilijk loslaten. Maar er zijn nieuwe plannen. Volgend jaar doe ik de Johannes-Passion, dan de Hohe Messe. De Matthäus heeft heel veel voor mij betekend.’ Met zachte stem: ‘Het was zo immens groot voor mij. En ik ben enorm blij dat de uitvoering is vastgelegd. Muziek is vluchtig; gisteravond nog gaf ik een concert, maar nu is het voor altijd weg.’

Monument

De Matthäus missie biedt een intens meeslepende beleving van een van de allermooiste muzikale werken ooit geschreven. Duyns heeft de bezieling en innige samenwerking van De Leeuw en zijn discipelen optimaal in beeld gevangen. Met kristalhelder geluid bovendien, geen sinecure in een kerk met het koor op vijftig meter afstand achter de dirigent, en een uitgelezen belichting.

Als een bewegend schuttersstuk licht de huid van de zangers op tegen de achtergrond van hun zwarte kleding, en het duister van de kerk. Niet alleen een monument voor Reinbert de Leeuw, maar ook voor Bach en voor muziek an sich. Cherry Duyns: ‘Ik heb de Matthäus zelden zo mooi gehoord als in de uitvoering van Reinbert. Tijdens de repetities maakte ik kennis met een jongen in een parka die in een hoekje op z’n telefoon zat te kijken. Dat bleek Benedikt Kristjánsson te zijn, de evangelist. Hij trok z’n jas uit, begon te zingen ik kreeg direct tranen in m’n ogen.’ Duyns moet hebben geweten dat hij goud in handen had. ‘Nee hoor. Ik ben van nature altijd wat onzeker over de dingen die ik doe. Of dat nou een boek is of toneelstuk, of dat ik zelf het toneel op waggel met Armando.’

Ilse van der Velden